...Haar haren streek ik voorzichtig opzij. De deur werd opengegooid en mensen renden naar binnen. En terwijl ik daar met haar lag en we omringd werden door diezelfde mensen, voelde ik pas de eenzaamheid en de afwijzing. Ik schudde haar hoofd, maar ze reageerde niet. Het verlangen om haar stem te horen, was zo sterk dat de stemmen van de mensen om ons heen verdwenen. Het was het geluid van de vervagende waarheid waardoor ik ons wilde opgeven. Ik concentreerde me voor de laatste keer, probeerde naar haar te luisteren. Ik fluisterde haar naam in haar oor, drukte haar lippen stevig tegen mijn oor aan en wiegde haar heen en weer. De mensen om ons heen was ik nu volledig vergeten en had daardoor niet door dat hij een zilveren wapen op me richtte en me glimlachend aan keek. De woorden die hij sprak, daalden als sneeuwvlokken op me neer. Ze smolten onmiddellijk, waardoor de kou van de betekenis niet tot me doordrong. “Niet alle wezens van God komen in tweetallen. Vooral jij niet.” Zijn vingers kromden zich om het wapen heen en vlak voor die ene oorverdovende knal, hoorde ik haar stem.
“Alsjeblieft, hou me vast en doe het licht uit. Laat me niet los. Geef me een teken als je de leugens achter je hebt gelaten. Begraaf je gedachten en val in slaap. Kom erachter dat dit alles slechts een slechte droom was en zie dan hoe de enige weg hier vandaan verdwijnt. En vertel me niet waarom, maar kus me dan vaarwel.”












