droef·toe·ter
1. sukkel 2. treurneus
seen from United States

seen from Canada
seen from United States

seen from United Kingdom
seen from Ireland

seen from United States

seen from Singapore

seen from Russia
seen from China
seen from United States

seen from United States
seen from Argentina

seen from United States
seen from United States

seen from Singapore
seen from United States
seen from United Kingdom

seen from United Kingdom
seen from China
seen from Spain
droef·toe·ter
1. sukkel 2. treurneus
mo·ro·si·teit
1. het droefgeestig, somber zijn; slecht humeur
ding·sig
1. van streek, uit zijn gewone doen
2. verdriet over iets hebbend; droevig, aangedaan
3. ontstemd, gemelijk
Vannacht I
Ik was alleen thuis. Mijn ouders waren aan zee en jij stond plots voor de voordeur. Ik liet je binnen en kuste je, zoals gewoonlijk was ik heel blij je te zien en had ik tranen in mijn ogen. Ik nam je hand vast en nam je mee naar mijn kamer waar je je spullen neerzette. Je had een grote zak bij waar achteraf je kleren en je tandenborstel in blijken te zitten. Ik keek op mijn gsm terwijl je je jas uitdeed en zag dat ik enkele gemiste oproepen had. Ik had mijn bril niet op dus ik vernauwde mijn blik, maar ik kan me ondertussen al niet meer herinneren wie me gebeld had. We praten niet veel, zitten wat, ik lig in de kromming van je arm en je kust me soms op mijn voorhoofd omdat je weet dat ik dat zo graag heb. Omdat je weet dat ik dan voel dat je me toch graag ziet. Omdat je weet dat ik dat stiekem zo vaak in twijfel trek. Omdat je weet dat je veel goed te maken hebt. En ook omdat je weet dat ik niet vergeet, ook al zeg ik van wel. Jij weet best veel, ook al zeggen ze van niet. Je vertelt nog wat weetjes over gekke dieren en je laat me lachen. Ik kijk je aan en we zoenen wat. Ik sta recht en zet wat koffie.