Van Steiner tot Freinet: over de speerpuntrol van steineronderwijs voor het alternatieve veld
Er wordt de laatste jaren zoveel geschreven over de stijgende populariteit van het methode-onderwijs (steiner, freinet, montessori, jenaplan, daltonplan, leefscholen, ervaringsgerichte scholen), dat het blijkbaar not done is om de vraag te stellen hoe deze plotse populariteit te verklaren is. Waar komen ze vandaan? En hoe komt het dat het hele onderwijs nu ineens de neuzen in de methoderichting heeft?
Vooreerst wil ik stilstaan bij een bekend en wat clichématige opmerking die men veel hoort: “Steiner- en freinetscholen, het is allemaal een pot nat!” De goed geïnformeerde ouder zal dan uitleggen dat Freinet een Fransman was, zelfs een marxist was en Steiner een katholiek Oostenrijkse denker met speciale theorietjes over een heleboel onderwerpen. De twee kunnen politiek niet verder van elkaar staan, zou men denken – en men denkt correct. Ik wil mij in dit artikel op geen enkel moment bezighouden met wat Célestin Freinet (190-1965) of Rudolf Steiner wel of niet over onderwijs of andere onderwerpen te zeggen hadden. In de plaats daarvan kijken we hoe scholen die deze namen dragen, zich positioneren in het onderwijsveld en welke waarden ze voorstaan. We zullen op die manier nagaan of het op een hoopje gooien van alle methodeonderwijs, zoals dat in de volksmond wel eens gebeurt, gerechtvaardigd is.
1. POLITIEK
We leven in een representatieve democratie, wat zoveel wil zeggen als: we kiezen mensen die voor ons op de verschillende vlakken beslissingen nemen. Als er belangrijke beslissingen aankomen op het vlak van onderwijs, dan gebeurt die echt nooit zonder dat het 'veld' gehoord wordt. Dit veld zijn de verschillende onderwijskoepels en andere betrokken instanties: het vrij katholiek onderwijs zowel als het gemeenschapsonderwijs worden daar gehoord over hun standpunten. Naast die twee is er ook OKO, en zij verzamelen alle vrije scholen die niet bij het katholieke net horen: steiner-, freinet-, dalton- en leefscholen. Al deze scholen wordt politiek stem gegeven door één vertegenwoordiger in de Vlaamse onderwijsraad en dat is vrijwel altijd een vertegenwoordiger van de steinerbeweging. De methodescholen (freinet of andere) die onder het gemeenschapsonderwijs ressorteren hebben deze 'directe' politieke spreekbuis niet, maar vormen een stem samen met een overgrote meerderheid aan 'gewone' gemeenschapsscholen.
2. FINANCIEEL
Het grootste obstakel voor het oprichten van een onafhankelijke school is altijd de infrastructuur. Hoewel een startende school (indien conform de vereisten) gesubsidieerd zal worden volgens het aantal leerlingen, is dat niet het geval voor de gebouwen gedurende de eerste 3 jaar. Daarna kan subsidiëring voor infrastructuur. En alhoewel het gemeenschapsonderwijs elke initiatief tot het oprichten van een school meer dan ooit heeft aangemoedigd in de afgelopen jaren, zijn er nog steeds scholen die expliciet voor het autonome statuut kiezen. Dit heeft als voordeel dat de ouders als vereniging effectief het bestuur van de school uitmaken als inrichtende macht, maar het nadeel dat er serieuze fondsen moeten worden gevonden voor de infrastructuurkosten. Die worden dan gedragen door de inrichtende macht, de ouders als vereniging en dit wordt nog altijd gedaan via het 'vragen' van een vrijwillige ouderbijdrage aan de leden van de oudervereniging. Dat deze gewoonte blijkbaar gewoon wordt toegepast door scholen van het gemeenschapsonderwijs (door de inspectie nog in 2010 vastgesteld in de Appeltuin) die wel volledig gesubsidieerd worden op het vlak van infrastructuur is een eerste belangrijke vaststelling.
Dit heeft het belangrijke, concrete gevolg dat de inrichtende macht volledig vrij de locatie en het gebouw kan kiezen. Een initiatief vanuit het gemeenschaps- of stedelijke onderwijs, zal logischerwijs altijd proberen inspelen in op de vraag van de markt en een school willen inplanten daar waar er publiek voor is. De autonome freinetscholen daarentegen, lijken deze roep van de markt links te willen laten liggen en te opteren voor een niet-stedelijke, landelijke locatie in het groen. Deze wordt vaak verdedigd vanuit een 'groen' gedachtegoed dat lovenswaardig is, maar de gevolgen voor de toegankelijkheid van zulke scholen zijn concreet en overduidelijk. Weinig van de vrije freinetscholen lijken ertoe te komen om hun infrastructuur gesubsidieerd te krijgen en werken verder met de bijdragen van de ouders om de kosten van infrastructuur te dekken.
Daarnaast blijkt nu recent dat een aantal opstartende nieuwe freinetscholen een rentevrije lening afsloten met rentevrij.be, een website die zichzelf voorstelt als een adviesorgaan in 'ethisch bankieren,' maar bij nader zonder de minste scrupules de TRIODOS bank als beste partner op alle vlakken naar voren schuift. Deze bank maakt er zelf geen geheim van deel uit te maken van de antroposofische vereniging en in die zin werd ook door de vertegenwoordigers van de vereniging getuigd in de sektecommissie in 1997. De antroposofische vereniging bestaat uit vier pijlers: a) pedagogische: steinerscholen; b) financieel: TRIODOS bank; c) biodynamische landbouw en d) farmaceutisch productie: o.a. WELEDA. In de sektencommissie wordt dan terecht ook de vraag gesteld naar “vermenging van levensbeschouwelijke, pedagogische, medische en commerciële doelstellingen.”1 Op deze manier wordt de school een marktplaats en de leerlingen getraind tot 'segmentconsumenten'. Deze ontwikkeling, waarvan we natuurlijk niet weten hoe verspreid ze is, noopt zeker tot nadenken als we beseffen dat hier ook een ideologische component bijhoort en dat de rentevrije lening niet zo rentevrij is.
3. IDEOLOGISCH
In het rapport van de sektencommissie is de conclusie dat de antroposofische vereniging een sekte is duidelijk, enkel het “gevaar” kan niet worden aangetoond en lijkt het verder onder de mat te worden geschoven met het argument van politiek pluralisme.2 Pluralisme is niet toevallig ook het sleutelwoord in het nu op til staande hervormingenvoorstellen van het godsdienstonderwijs en zedenleer. De steinerscholen doen niet aan formeel godsdienstonderwijs, noch aan zedenleer en de vereniging heeft zich met alle wettelijke middelen verzet tegen een nieuwe opdeling van scholen ofwel als confessioneel of niet-confessioneel zag: ze willen expliciet pluralistisch zijn. Hoe is het mogelijk dat een school die beweert een bepaalde vaste 'methode' of pedagogie te hanteren, kan pleiten voor intern pluralisme? Verder onderzoek is hier nodig, zeker met betrekking tot het standpunt van de steinerbeweging en hun gebruik van de concepten 'vrijheid van onderwijs' en 'mensenrechten'. Eigenlijk is de confrontatie tussen de steinerscholen en het programma zedenleer nooit gebeurt en dat is normaal: ze behoren tot het vrij onderwijs. Inzoverre ze gesubsidieerd worden door de staat hebben ze voor hun praktijk wel verantwoording af te leggen. De discussie die gevoerd dient te worden is tussen de steinerscholen en het programma zedenleer. Indien ze niet-confessioneel zijn (erkende godsdienst) en niet de basiswaarden van het programma zedenleer onderschrijven, is het aan hen om hun waarden in kaart te brengen. Men zou kunnen uitgaan van het curriculum niet-confessionele zedenleer en met de steinervereniging de discussie aangaan met welke aspecten zij problemen hebben. Op basis van de leerplannen van de steinerscholen kan ook een vergelijking gemaakt worden door te kijken welke waarden uit zedenleer daarin terugkomen (maatschappijleer, seksuele opvoeding, mensenrechten, kinderrechten, verzorgingsstaat, ...). Sommige delen van het programma zedenleer is jongeren hun rechten leren kennen, iets wat op dezelfde schroomloze manier natuurlijk ook in de leerplannen van het katholiek onderwijs voorkomt. Het is dan ook opvallend dat ook vrije freinetscholen (onder FOPEM) hetzelfde argument hanteren om onder het mom van 'cultuurbeschouwing' of 'levensbeschouwing', wat uiteindelijk geen apart vak blijkt te zijn maar een geheel van waarden dat deel vormt van het pedagogisch, dit basisprogramma af te schaffen. Het eens te meer opvallend dat zelf freinetscholen van het gemeenschapsonderwijs, de ouders stimuleren om de vrijstelling op zedenleer aan te vragen, om zo tot een identieke situatie te komen als in vrije freinet- en steinerscholen: een zogenaamde 'waardenvrije' of 'pluralistische' school waardoor door de afwezigheid van van boven aangestuurde waarden, het veld openligt voor individuen met andere bedoelingen dan louter pedagogische. In wordt nog verder in de hand verwerkt door sociale structuur die, vreemd genoeg zowel in steiner- als freinetscholen de scheiding tussen school en thuis met een korreltje zout neemt.
4. SOCIAAL
Een bijzonder onderscheid tussen veel vormen van methode-onderwijs en wat doorgaans 'traditioneel' onderwijs wordt genoemd, is de rol van de ouders. Ouders, in deze scholen, spelen een actieve rol in het schoolleven en het draaiende houden van de praktische kant. Voor vrije scholen is dat enigszins begrijpelijk, omdat de ouders, als inrichtende macht reële bestuursmacht hebben en zo hun schoolcultuur dan ook zelf aansturen. Het is opvallend hoe zowel in steiner- als freinetscholen (vrij én GO!), de 'ouderparticipatie' een centrale rol speelt en de ouders in die zin ook ingelicht worden bij de inschrijving – er wordt ook iets van hen verwacht. In de documenten over ouderparticipatie in het gemeenschapsonderwijs valt het op dat ouderparticipatie gezien wordt als 'meewerken aan het beleid', niet als 'meewerken aan het draaiende houden van de school'. Meer zelfs, dit document probeert ouders te stimuleren om hun stem te laten horen en bij de school betrokken te zijn, maar nergens wordt gesproken over 'verplichte taken' voor ouders. Nochtans is het normaal binnen veel methodescholen. Er werd totnogtoe weinig gepubliceerd of zelfs maar nagedacht over dit probleem, terwijl de impact ervan op het pedagogisch project (wat dat dan ook is) alleen maar funest kan zijn.
Voor zover gelijkheid een ideaal en streefdoel is in het onderwijs (maar nooit een realiteit), zou een school zoveel mogelijk de sociale verschillen tussen de leerlingen moeten proberen uitschakelen. Die ongelijkheid zit natuurlijk verscholen in de sociale achtergrond als een rugzak die de leerlingen elke dag sowieso mee naar school nemen, dat is niet anders in gewone scholen. In steineronderwijs, zowel als in andere methodescholen, wordt nochtans deze ongelijkheid gestimuleerd door de tendens om ouders actief te betrekken in het dagelijks reilen en zeilen van de school.
-------------------------------------------------------------------------------------
1 Het gaat hier over het gegeven “dat de beweging over een volledig netwerk beschikt. Eerst is er een wijsgerige benadering van de psyche, dan de voorschrijver en ten slotte een onderneming die een produkt commercialiseert dat zowel psychische als fysieke moeilijkheden oplost. Het is een echt circuit. De heer Borghs geeft toe dat dit inderdaad als een totaalproces kan worden beschouwd.” (Sektenrapport, p.) Een ouder getuigt: “Als ouder van kinderen op de steinerschool herinner ik me vooral dat sprekers vanuit antroposofische bedrijven werden uitgenodigd om te komen spreken op de zogenaamde ‘ouderschool’. Een soort extra ouderavond waar dan bijvoorbeeld het belang van natuurlijke verzorging (verzorgingsproducten) werd benadrukt. Ach ja, in Leuven stond ook elke week een bio-boer, zoon van een steinerrschoolleerkracht, gewoon met zijn bestelwagen op het schoolterrein handel te drijven. En soms was er een bio-bakker ook.” (weblog.steinerscholen.com)
2 "Bepaalde leden zijn actief in de groene beweging, nog anderen zijn in de christen-democratische stroming terug te vinden. ” (Sektenrapport, p.257)










