Vladimir Nabokov - passage uit 'Het Oog'
Ik was zo verblind door die brandende bekoorlijkheid die alle andere dingen vervangt en alles rechtvaardigt, en die je je, in tegenstelling tot de menselijke ziel (vaak benaderbaar en bezitbaar) op geen enkel manier kunt toe-eigenen, net zoals je de kleuren van ruige zonsondergangwolken boven zwarte huizen niet bij je bezit kunt inlijven, of de geur van een bloem die je eindeloos opsnuift met gespannen neusgaten tot je er haast beneveld van wordt, maar die je toch niet volkomen uit de bloemkroon kunt lostrekken.
















