Lokaal nieuws: 'Tenues CV Wieringermeer krijgen tweede leven in Oeganda'
seen from United Kingdom
seen from United States
seen from France
seen from Philippines
seen from China
seen from Singapore
seen from Kazakhstan
seen from China

seen from Kazakhstan
seen from Ireland

seen from Australia

seen from Netherlands
seen from United States

seen from United States

seen from Singapore

seen from Singapore
seen from Finland

seen from United Kingdom
seen from United States

seen from United States
Lokaal nieuws: 'Tenues CV Wieringermeer krijgen tweede leven in Oeganda'
“Genoeg verantwoord, vanaf nu is ontwikkelingssamenwerking een gemeentelijke kerntaak”
Op vraag van VVSG schreef ik onderstaand opiniërend stuk, als bijdrage voor het boek "De gemeente en de wereld - Inspiratie voor gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking" en te bestellen via www.politeia.be.
Collega-schepenen van ontwikkelingssamenwerking zullen het met me eens zijn: in vergelijking met andere bevoegdheden moet je initiatieven rond ontwikkelingssamenwerking vaak het felst en meest uitvoerig verantwoorden en verdedigen. En dan heb ik het niet uitsluitend over de discussies in het schepencollege. Ook daarbuiten vind je nog steeds - kort samengevat - volgende gemeenplaatsen terug: “Ontwikkelingssamenwerking? Er is bij ons ook armoede die eerst aangepakt moet worden. Komt het geld ginder wel terecht bij de mensen die het nodig hebben? En wat hebben wij er eigenlijk zelf aan?” Tijd, kennis en middelen besteden aan ontwikkelingssamenwerking is zeker niet voor iedereen even vanzelfsprekend.
Ik wil in deze bescheiden bijdrage de lezer niet bombarderen met alle argumenten vóór ontwikkelingssamenwerking. Ik wil simpelweg twee punten maken: het eerste is dat “de sector ontwikkelingssamenwerking” zich te pletter aan het verantwoorden is en het tweede punt is dat ontwikkelingssamenwerking bij uitstek een kerntaak behoort te zijn van de lokale besturen.
Dat ontwikkelingssamenwerking niet voor iedereen vanzelfsprekend is, hoeft op zich niet te verbazen. Eigenlijk geldt dat voor alle mogelijke beleidsdomeinen. Prioriteiten kunnen verschillen. En zelfs als men het eens is over de prioriteiten, kan men het nog oneens zijn over de besteding van tijd en middelen aan de gekozen prioriteiten. Het punt is dat ontwikkelingssamenwerking méér dan andere beleidsdomeinen met argusogen gevolgd wordt en zich steeds meer en uitvoeriger moet verantwoorden. Niet alleen betrokken diensten binnen de besturen, lokaal, Vlaams of federaal, maar ook de ruimere “sector” ontwikkelingssamenwerking, van vierdepijlerinitiatieven tot de grotere NGO’s, worden steeds meer in het defensief geduwd. Het gevolg daarvan is dat er ongelooflijk veel tijd en energie verloren gaat aan het voortdurend evalueren, monitoren en verantwoorden van acties en besteden middelen. De nadruk komt daarbij vooral te liggen op aantoonbare resultaten, liefst nog op korte termijn. En laat dat nu net de kern van ontwikkelingssamenwerking zijn: langetermijneffecten door structurele samenwerking. Uiteraard moet er resultaatgericht gewerkt worden, maar de marge om fouten te maken en stapje voor stapje te evolueren richting vooropgestelde doelstellingen lijkt maatschappelijk en politiek steeds kleiner te worden, de uitvoerige evaluatie- en verantwoordingsverslagen ten spijt. Samengevat: beleidsdoelstellingen formuleren en middelen vrijmaken voor ontwikkelingssamenwerking hangt puur af van een politieke overtuiging, méér dan in andere beleidsdomeinen. Het slechte nieuws is dat een rationeel debat over de prioriteiten binnen het domein ontwikkelingssamenwerking daardoor bemoeilijkt wordt. Het goede nieuws is dat aan die overtuiging ook gesleuteld kan worden. Laten we dus lokaal, Vlaams en federaal meer tijd en moeite steken in het “sensibiliseren” van onze eigen politici. En laten we lokaal beginnen, want daar lijkt me het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking nog het grootst en hier en daar zelfs groeiende! Wat me vrijwel naadloos brengt bij mijn tweede punt: het lokale niveau is hét niveau bij uitstek voor ontwikkelingssamenwerking.
In Edegem spreken we eigenlijk liever van internationale solidariteit dan van ontwikkelingssamenwerking. Semantiek is niet altijd onschuldig en we kiezen er bewust voor om een term te kiezen die de gelijkwaardigheid van samenwerkende partners internationaal in de verf zet. Het begrip internationale solidariteit houdt ook rechtstreeks verband met de samenwerking tussen onze gemeente en de Peruaanse gemeente San Jerónimo. Recent mochten we het tienjarig bestaan vieren van onze samenwerking en de verlenging ervan tot 2019. Ons vernieuwd samenwerkingsakkoord bevat enkele cruciale zaken: vertrekken van elkaars sterktes, een duurzame samenwerking met een langetermijnsvisie, de ambitie om te innoveren en een pioniergemeente te zijn in eigen land, samenwerking als een keuze over politieke grenzen heen, en het gezamenlijk aanpakken van uitdagingen waar lokale besturen mee geconfronteerd worden. De stedenband is zeer belangrijk als kapstok voor ons gemeentelijk beleid internationale solidariteit, maar het stedenbandconcept zou nog veel centraler kunnen gezet worden.
Benjamin Barber had zeker niet een “gemeenteke” als Edegem in gedachten bij het schrijven van zijn recent boek ‘If Mayors Ruled the World’, waarin hij de pragmatische aanpak prijst van het lokale bestuursniveau. Niettemin beschrijft Barber zeer treffend de mogelijkheden van internationale samenwerking tussen steden (en gemeenten) en tegelijk de noodzakelijkheid ervan. Het belang van steden en het lokale niveau neemt ontegensprekelijk toe, stelt Barber. Tegelijk worden de uitdagingen zowel op sociaal, economisch, als ecologisch vlak steeds globaler. De doelstellingen en prioriteiten die we lokaal formuleren, globaliseren dus onvermijdelijk mee.
Dat lokale besturen het best geplaatst zijn om een beleid internationale solidariteit vorm te geven, heeft twee duidelijke redenen: het is het niveau dat het dichts bij de bevolking staat en het is een actor die een belangrijke mate van organisatorische continuïteit en legitimiteit heeft. Vooral omwille van dat laatste zijn lokale besturen de ideale partners om structurele en duurzame samenwerkingsverbanden met een langetermijnsvisie op te zetten. Via de stedenband hebben we de ideale kapstok om initiatieven te coördineren en tijd, kennis en middelen efficiënt in te zetten. Door internationale solidariteit via lokale besturen te organiseren, werken we bovendien automatisch integraal over beleidsdomeinen heen én op basis van bestaande noden en ontwikkelingsprocessen. Als lokaal bestuur voelen we ook veel beter aan wat de belangrijkste noden en uitdagingen zijn. Het stedenbandconcept krijgt dus een centrale plaats in het Vlaamse en federale beleid ontwikkelingssamenwerking. De hogere overheid bepaalt enkel nog de algemene doelstellingen en eventueel de landen waarmee kan worden samengewerkt. Maar, het zijn de lokale overheden die via stedenbanden het beleid vorm geven. Dat wil ook zeggen dat andere initiatieven (vanuit vierdepijler, NGO's, instituten, ondernemingen…) mee zullen moeten inschuiven in het stedenbandconcept. Toch zeker als ze subsidies (willen) krijgen om projecten op poten te zetten. De samenwerkende lokale besturen zorgen voor de coördinatie en het bewaken van de prioriteiten. Wat de prioriteiten zijn, wordt in samenspraak met betrokken actoren bepaald. Tijd en middelen worden dus geconcentreerd. De grote versnippering in de sector ontwikkelingssamenwerking wordt tegengegaan.
Dit kan alleen lukken als internationale solidariteit een kerntaak wordt van elke gemeente. De nieuwe Vlaamse regering moet die kerntaak, uiteraard mét de nodige middelen, nu enkel nog even decretaal verankeren. Gegarandeerd dat daarmee ook een einde komt aan de defensieve verantwoordingsdruk binnen de sector ontwikkelingssamenwerking en internationale solidariteit.
Jeroen Van Laer Schepen voor Internationale Solidariteit Gemeente Edegem
Foto: Edegemse delegatie op werkbezoek in San Jerónimo, oktober 2013.
In dit 12-minuten durende filmpje van VVSG uit 2011 leggen bevoorrechte getuigen uit het Zuiden en het Noorden haarfijn uit waar het bij een stedenband om draait: kennisversterking, capaciteitsopbouw, samen problemen oplossen, leren van elkaar...
Onderzoek toont aan dat ontwikkelingssamenwerking via stedenband veruit de meest efficiëntste en doeltreffendste vorm van internationale solidariteit is.
Ook Latijns-Amerika heeft zijn "lente". MO* publiceerde deze week een interessant interview met zanger en gezicht van een nieuwe beweging die van zuid-zuid samenwerking een speerpunt lijkt te hebben gemaakt. Zulke samenwerkingsverbanden worden ook door onze stedenband met San Jeronimo, Peru, gestimuleerd.
Hier alvast de inleiding:
René Perez Joglar, alias Residente, is zanger/rapper en boegbeeld van Calle 13, de meest succesvolle Latijns-Amerikaanse muziekgroep van het laatste decennium. Zijn sociale kritiek en de liefde voor het Latijns-Amerikaanse continent, die als een rode draad door het oeuvre van Calle 13 lopen, inspireerde de Movimiento Revolucionario Calle 13 (MRC13). MRC13 is een jonge protestbeweging opgericht via sociale netwerken, die intussen tienduizenden jonge volgelingen telt.
Lees het volledige artikel op www.mo.be.
Over het YouTube filmpje hierboven: Met het lied "Latinoamérica" won Calle13 de categorie song van het jaar op de Latijnse Grammy Awards.