‘Mijn en dijn’
We nemen plaats in de Brasserie. Mijn moeder draagt een zwarte tas die ik niet als de hare herken. Terwijl zij genietend een slokje neemt, kijkt mijn broer in de tas. Zwijgend houdt hij een kaart op, lachstreepjes bij zijn ogen. ‘Lieve Ger’ lees ik. De post bestemd voor mijn moeder zit ongetwijfeld in een andere tas, om een andere schouder. ‘Je moeder droeg een vest wat niet van haar was hoor’ vertelde haar vriendin al eerder, ‘veel te groot’. Ik zag het voor me. ‘Haar kleding is toch gelabeld?’ We kijken er al niet meer van op. ‘Mijn en dijn’ doen er steeds minder toe. De grote vergeetziekte lijkt alles inwisselbaar te maken.
Een uur geleden hadden mijn broer en ik in mijn moeders lege woning gestaan. Ruim veertig jaar heeft ze er geleefd. Over drie weken trekken de nieuwe bewoners er in. Nog nooit hadden we de zolder zonder spullen aanschouwd. Voor de laatste keer liepen we door haar achtertuin. Mijn oog viel op de bos lavendel in de border. Ik dacht aan het plukje in mijn eigen tuin. Zou ik alsnog? Lavendel als laatste strohalm. De man van de opruimservice overhandigde ons een doorzichtig zakje met een ring en twee hangertjes. Buiten stonden twee andere mannen te wachten naast de wagen, tot de nok toe vol met mijn moeders spullen, de klep nog open. Vluchtig had ik naar binnen durven kijken.
‘Hoe wisten jullie eigenlijk dat ik thuis was?’ vraagt mijn moeder ons, als ze haar koffie even neerzet. ‘Je vader en ik hadden wel weg kunnen zijn op de fiets’. Boven ons mondkapje kijken we elkaar aan. ‘We dachten, we proberen het gewoon’ antwoordt mijn broer. Mijn moeder knikt.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2020/09/mijn-en-dijn/













