Ik heb een nieuwe weblog. Kijk op www.mohairschrijft.nl
let's talk about Bridgerton tea, my ask is open
Sade Olutola

titsay
"I'm Dorothy Gale from Kansas"
hello vonnie
Show & Tell

JVL

❣ Chile in a Photography ❣
No title available
Cosimo Galluzzi

if i look back, i am lost

★

Love Begins
ojovivo

shark vs the universe

No title available
occasionally subtle
EXPECTATIONS
todays bird

Discoholic 🪩
seen from Sweden
seen from United Kingdom

seen from Venezuela

seen from Malaysia
seen from Netherlands
seen from Austria
seen from Bangladesh

seen from Malaysia

seen from Saudi Arabia
seen from United States
seen from Sweden
seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States

seen from United States

seen from United States

seen from United States
@mohair-schrijft
Ik heb een nieuwe weblog. Kijk op www.mohairschrijft.nl
Nog een virus
„Weet je nog dat ze vlak bij ons huis was, en weer helemaal terug naar huis reed, omdat ze de afslag niet kon vinden?” Haar jongste kleinkind was jarig en het wachten was op oma. Maar oma kwam niet. Een uur heen, een uur zoeken en een uur terug. Achteraf was het de laatste keer dat ze, alleen, zo’n lange rit in haar auto aflegde. Oudejaarsavond, een week voordat we haar zouden verhuizen naar het verpleeghuis, sliepen mijn broer en zijn gezin bij mijn moeder. Ze was oprecht stomverbaasd over het vuurwerk. „Dat heb ik nou nog nooit gezien!’’
Mijmerend kijk ik naar buiten. De weilanden schieten aan ons voorbij. Mijn broer drukt behoedzaam op de knopjes op het dashboard. Ik zie mijn jonge moeder voor me, haar geconcentreerde blik, hoe ze begon met het overtrekken van de patronen op het knisperende papier, het uitknippen, het afspelden op de stof, geroutineerd, met een speld in haar mond.
Sinds de medicijnen tegen verwarring zijn teruggebracht tot een minimale dosis, is mijn moeder minder suf. Noemt me haar zus, herstelt zich „dit is mijn dochter en dit is mijn zoon” zegt ze tegen de verzorger. Mijn moeders schouders zijn knokig, haar wangen ingevallen. Ik denk aan haar stevige, gebruinde armen, haar ronde gezicht. Als ze slagroom had geklopt, likte ze de garde af, haar ogen toegeknepen. „Heerlijk!”, zei ze dan, uit de grond van haar hart. Jarenlang verkocht ze brood en gebak in de plaatselijke patisserie. Ze hoefde niemand te overtuigen.
De Brasserie in het tehuis is sinds maanden weer open. Mijn moeder zit achter een kop thee, neemt voorzichtig een hapje van haar cake. Lang had ze gekeken naar het glas water. Traag pakte ze het zakje thee, draaide het om, legde het weer terug. Verwonderd kijkt ze om zich heen. Ben ik hier weleens geweest…? We knikken. „Maar dat is dan wel lang geleden”. Daar heeft mijn moeder een punt.
Vaccinatiestraat
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/05/lezerscolumn-vaccinatiestraat/
Een beetje katterig
„Kom maar”. Man tikt zachtjes op het hout. Tussen twee treden door, kijken poezenogen hem indringend aan. Ik kom erbij staan. Weg poes. Ik kruip rond op mijn knieën, onder het logeerbed schijnen twee lichtjes, voorzichtig probeer ik hem te pakken. Ik zie de poes op zoons kamer. Hij staat op de vensterbank achter de luxaflex, zijn vacht piept ertussen door, voorzichtig kom ik dichterbij. Hij rent langs me heen de zoldertrap weer op. Na twintig minuten onvermoeibaar fluisteren van man, staat poes halverwege de trap naar de voordeur. Zoon en ik kijken mee, achter het smalle raam vanuit de huiskamer. Man doet de deur open, verschuilt zich in het toilet, poes rent langs hem heen naar buiten. De volgende dag komt zoon uit school. „Het was Sirius! De kat van Jesse”.
Onlangs had man zijn eigen ’Jongens van Bontekoe’ georganiseerd. Met twee zeilvrienden, zoon en zijn vriend Jesse, drie dagen op een boot op het IJsselmeer. Van Lelystad naar Hindeloopen met ’Lady Noor’. Maanden geleden gereserveerd, nu was het zover. Hoeveel windkracht zou het zijn? Ik mocht mee, maar bleef thuis. ‘s Avonds kwam er een foto via de app. Opluchting. De dag erna, kreeg ik een foto van zoon die met zijn hoofd achterover leunde tegen een bankje, eindeloze golven achter hem. Ook vriend Jesse zag bleekjes. „Ze zijn een beetje katterig” stond er.
‘s Middags liep ik langs de rivier, het was koud. In mijn verbeelding zat ik op de boot. Ik dacht aan de enkelsokjes van zoon. „Ha mannen, is iedereen nog binnen boord..?” appte ik uren later, dat mocht nu van mezelf. Prompt ging mijn telefoon. „We zijn in de haven. Ik voel mijn voeten niet meer en we gaan zo naar de Mac!”. Toen ze thuis kwamen, was zoon dertien. Rode neuzen en glinsterende ogen. Ik zag aan hun gezichten dat het niet bij deze keer zou blijven.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/05/lezerscolumn-beetje-katterig-poes-zeilen/
Toets
Zoon heeft vakantie, als hij eerst nog de toets biologie maakt en inlevert. Voor tweeën. Om half twee keek hij nog onderuit gezakt naar You Tube. Een kwartier, had zijn juf gezegd. Stel dat het je twintig minuten kost? vroeg ik hem. Jongens jullie hebben een penis, kijk jij even mee, gebaar ik naar man. 'Ik geloof dat ik een biertje ga pakken’. ‘Zie je mama, dat bedoel ik, jij geeft gewoon antwoord’. ‘Pak je bio boek er even bij, we gaan de toets niet samen maken, dit moet je zelf doen’.
‘Prostaat? Zit die ongeveer hier?’ ‘Vast wel’ reageert man zonder te kijken. Ik lees verder over Johanna van Gogh- Bonger. ‘Without Jo there would have been no Van Gogh.’ ‘Mama..?’ wijst zoon. ‘Ja, dat is de baarmoeder’. ‘En dat orgaantje erboven?’ ‘Geen idee’ zeg ik eerlijk. ‘Dus jij weet niet hoe je eigen lichaam eruitziet?’ Zuchtend staat hij op om zijn boek te halen, zuchtend neemt hij weer plaats. Volgende week wordt hij dertien. ‘Clitoris, klit’ hoor ik hem mompelen. Ogenschijnlijk lees ik door, terwijl ik terugdenk aan mijn biologielessen op de middelbare school. Ik kan het me niet herinneren. ‘Klaar.’ Hij sluit zijn laptop af. Nu al? vraagt man.
Een paar weken geleden keek ik samen met hem naar een aflevering van ‘Oogappels’. Hij zette het beeld op stil, vertelde dat hij tijdens de les biologie, voor de klas een condoom om een plastic piemel had moeten schuiven. ‘Och’ liet ik me ontvallen. Hij had gestikt van het lachen en de klas met hem.
Zoon staat op van zijn stoel. ‘In het derde jaar krijgen we geen biologie. Nou dat snap ik wel, dat jaar heb je nodig om het allemaal te laten bezinken’.
Balanceren
In de kleine vijver verderop, zit een meerkoetvrouwtje op een drijvend nest, het mannetje zwemt in cirkels om haar heen, geeft haar een ‘kus’, hun snavels haken in elkaar. Romantiek in de lente. Vermoedelijk heeft het mannetje waterinsecten in zijn bek. Ik wandel door op het kronkelpaadje langs weer een ander water, sta stil op de kleine houten brug. Twee verenkontjes steken uit boven het wateroppervlak. Ik voel een lach opkomen. Als ik het hek om de kinderboerderij passeer zie ik herten liggen en staan, gegroepeerd in het gras onder de eik, alsof ze poseren voor een schoolfoto. Negen paar ogen staren me aan, gebiologeerd kijk ik terug.
Tussen het riet van de sloot langs het fietspad, staat een blauwe reiger. Die komen het meest voor in ons land is me verteld. ‘Let maar eens op een witte, dat is de zilverreiger’ sprak broer, toen ik opschepte over de vele reigers in ons park. De blauwe reiger slaat zijn vleugels uit, vliegt weg, traag, de nek ingetrokken, ik kijk hem na boven het glinsterende water. Op mijn terugweg, langs diezelfde Rietput, balanceert een Canadese gans, hij heeft één poot ingetrokken.
In onze huiskamer ga ik op één been staan. 'Gaat het goed met je?’ vraagt zoon, als hij zich omdraait. Op zijn beeldscherm rijgt een man met een masker een andere man aan zijn mes. ‘Met mij gaat het prima’ antwoord ik, nog steeds op een been. ‘Je kunt ook teveel naar vogels kijken’ merkt man op.
Ik wissel van been, mijn linkerenkel voelt instabiel. Hoe heet die hoogleraar veroudering ook weer? Andrea Maier. Door corona moest ze noodgedwongen maanden in Australië verblijven, waar ze werkt aan de universiteit van Melbourne. Andrea staat iedere avond op één been tijdens het tandenpoetsen. Goed voor het evenwicht, vertelde ze ooit tijdens een masterclass op tv. Ze raadt het iedereen aan.
Soms sneeuwt het in de lente
Vanaf de dijk zie ik dat het water in de uiterwaarden een halve meter hoger staat, een fractie stroomt over het slingerpad richting de rivier. Snel doe ik mijn capuchon op. De schapen lopen door elkaar in het gras tegen de dijk, de hagel klettert op hun vacht. Ze geven geen krimp, toch lijken ze al geschoren. Sinds een week zijn ze er weer, terug van weggeweest. Gisteren lagen ze zij aan zij, kont aan kont, als een grote beige vlek in het groene gras. Er loopt een handjevol kauwen, eentje staat fier op de rug van een schaap.
‘Geen enkele klacht’ meldde oma Suze monter over de tweede inenting die ze onlangs kreeg, terwijl ze al het heerlijks op tafel zette voor onze paasbrunch, ‘dus er zal wel water in gezeten hebben’. Zoon, twaalf, gekleed in voetbaltenue, genoot van zijn broodje met ei. Hij vertelde oma over het strandje in Tull en ‘t Waal, waar hij vorige week nog was met zomerse temperaturen. Hij had zich zelfs ondergedompeld. Al was dit heel kort geweest.
Ik wandel langs de verschillende (zeil)bootjes aan de aanlegsteiger. Prompt stopt het met hagelen. Onder de boogbrug komt een boot aanvaren. De kleuren van de containers lichten fel op in de zon. De boogbrug zal november dit jaar worden verwijderd, las ik in het plaatselijke sufferdje. Ik denk hem vast weg, vraag me af hoelang het zal duren eer ik hier aan gewend ben.
Met stijve vingers van de kou pak ik mijn telefoon, kijk op mijn stappenteller. Hij staat nog op pauze, al mijn stappen tot nu toe zijn niet mee geteld. ‘Nog 4.7 kilometer om je reis ‘bedwing Olympus’ te voltooien’. Ik keer om, stap door, natte vlokken dwarrelen in mijn gezicht.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/04/lezerscolumn-soms-sneeuwt-het-in-de-lente/
De sigaar
Ik sta in de rij voor de kassa. Zorgvuldig legt de man voor mij zijn boodschappen op de band. Langzaam verdwijnt een hand in zijn jaszak, traag komt zijn portemonnee tevoorschijn. Hebbes, daar is zijn pinpas. Toegewijd drukt hij tot drie keer toe de toetsen in, lijkt zich niet bewust van de wachtende rij. Zen voor gevorderden. Ik leef met hem mee, denk aan mijn moeder, die wonderlijk genoeg, maanden na vaststelling van de vergeetziekte, haar pincode onthield. Als we samen bij de kassa stonden, pakte ik haar boodschappen in, benieuwd hoe ver ze dit keer zou komen.
‘Meneer, als u nog een keer indrukt, kunt u uw pas niet meer gebruiken’. De man tuurt lang naar het kastje. ‘Het bedrag is boven de honderd en ik heb een limiet’ zegt hij ten slotte, kijkt op het overzicht naast de cassière en pakt met trillende handen de net afgerekende fleecetrui. ‘Als je deze eraf haalt, dan klopt het’ zegt hij oplossingsgericht. Vanachter haar mondkapje roept de cassière om hulp. Haar collega roept onverstaanbaar een aanwijzing terug. Een tweede collega helpt om de betaling ongedaan te maken. ‘Meneer, u kunt met deze bon naar de klantenbalie’ wijst hij. In beslag genomen door het tafereel, zet ik snel mijn boodschappen op de band. De man duwt de winkelwagen moeizaam voor zich uit, sluit aan in de rij. Als ik naar de uitgang loop, staat hij er nog.
Buiten heeft zich een derde rij gevormd, jong en oud, starende ogen boven mondkapjes, lijdzaam wachtend achter een boodschappenkar. Misschien is hij niet als enige de sigaar.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/04/lezerscolumn-de-sigaar/
Trots op haar rijbewijs
Ik ga mijn moeder groeten in het verpleeghuis in mijn geboortestad. Hiervoor heb ik een dag vrij genomen. Had ik maar een rijbewijs moeten halen. Ze raadde het me zelf aan. Ik houd van reizen met de trein. Mijn moeder was trots op haar rijbewijs, ze bewees zichzelf hiermee een dienst. En niet alleen zichzelf. Mijn vader kon zijn biertjes drinken zonder dat zij de tel bij hield. Later bezocht ze haar kinderen en kleinkinderen, die in een andere provincie wonen. Eigenlijk ben je pas echt volwassen, met.
Ik stap uit, loop over het perron richting roltrap. Adem in en uit, schuif mijn mondkapje terug, neem plaats in de metro. Niet dat ik het nooit heb geprobeerd. Ik ben de tel kwijtgeraakt van het aantal rijlessen door de jaren heen, totdat ik mijn conclusies trok. Op een dag las ik in een interview met een bekende schrijver dat zij ook vele pogingen had ondernomen zonder succes. Zij? Sindsdien let ik er op. Ze zijn met meer dan je denkt.
Toen mijn moeder de diagnose kreeg, moest ze direct stoppen met autorijden. Daarvoor had ze nog lange tijd alleen van haar huis naar het station gereden, vijf minuten, om mij op te halen. Ze stond erop. Dan parkeerde ze de auto, liepen we eerst samen naar het winkelcentrum vlak naast het station, voor koffie met gebak bij de Hema. Als we na een uur weer buiten stonden had ze geen flauw idee.
Na mijn reis kom ik bij het verpleeghuis aan. Ben benieuwd hoe ik haar aan zal treffen. De laatste keer kwam ze stralend op me af lopen. Ze herkent me, maar kan de rust niet vinden om samen op haar kamer te zijn. Ze wil terug naar de gezamenlijke huiskamer, waar ik niet mag komen. We maken er het beste van.
Peinzend wandel ik terug naar het station. Ik bedenk me dat ze zich hecht aan de anderen. Dat is goed, hen ziet ze elke dag. Het is koud voor de tijd van het jaar, op het perron is het windstil. Nog vijf minuten. Met mijn ogen dicht voel ik de warmte van de zon.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/03/lezerscolumn-trots-op-haar-rijbewijs/
Er kwam een boot aan
Er komt een boot aanvaren. ‘Antonie’ staat op de boot. De eerste naam van man, hoewel anders gespeld. Niet dat iemand hem zo noemt. De boot is blauw met rood, ziet er mooi onderhouden uit. Er loopt een vrouw op het dek met een touw in haar hand. Aan de grootte van de vrouw kun je zien hoe groot de boot werkelijk is. Ik houd ervan, kijken naar varende boten. Veel mensen doen dit graag. Mijn vader ook, hij wandelde regelmatig langs de Waterweg, vlak bij ons toenmalige huis. Of een stuk verder, op De Pier van Hoek van Holland. Niets kan je zo goed uit je kop halen als uitzicht op het water, de soms kolossale boten die voorbij varen. Waar zouden ze heen gaan? Het relativeert, je bent een passant, vermoedt een andere wereld, er is nog zoveel meer dan ons eigen kleine leven. Je hoeft hier niets mee, dat is het mooie. De schoonheid van het kijken.
Ooit stond ik te wachten op het perron van station Maarssen. Als afleiding keek ik naar het Amsterdam-Rijnkanaal. Er kwam een boot aan. ‘Hans – Nico’ stond erop. Mijn vader, toen al jaren overleden, heette Hans. Zijn broer uit Australië, het jaar daarvoor overleden, heette Nico. Het tintelde van mijn kruin tot aan mijn voeten. Nog net op tijd stapte ik in de trein naar huis.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/03/lezerscolumn-er-kwam-een-boot-aan/
De allereerste keer
Om zoon, twaalf, achter zijn gamescherm vandaan te krijgen heb je een verdomd goed aanbod nodig. ‘Zullen we wandelen?’ vroeg ik hem gisteren. Vijf minuten later stond ik alleen bij de rivier, voelde de warmte van de zon, een eend kwam waggelend op me af. Vandaag stelde ik een potje scrabble of stratego voor. ‘Nee’ zei hij resoluut, zijn ogen strak op het scherm gericht, ‘maar ik wil wel schaken, met papa’.
Nooit heb ik fatsoenlijk leren schaken. Waar mijn broer doorzette, toen negen, werd ik, ruim een jaar ouder, acuut slaperig. Dit is zo gebleven. Voordat man de schaakstukken wilde opbergen, zoon weer op zijn vertrouwde plek kroop, vroeg hij terloops: ‘wil jij schaken?’ Ik had geen zin maar zei ja (daar moesten ze eens een grafiek van bijhouden). Ik zit in een levensfase waarin mijn hersenen een oppepper kunnen gebruiken. ‘Even mijn pen pakken’. Zoon lachte hard. Tijdens het spelen krabbel ik geeuwend woorden op papier. Man kijkt spottend, zijn stem klinkt geduldig. Na afloop pakt hij een biertje. Beduusd kijk ik naar de overgebleven stukken op het bord, een mijlpaal, voor het allereerst een potje geschaakt.
Het dringt tot me door dat dit niet vrijblijvend is. Als ik het hierbij laat, zullen man en zoon me er op aanspreken. Als ik over twee weken niet meer weet waar de toren staat en wat het paard voor stappen neemt, krijg ik honende woorden. Of erger, bezorgde blikken. ‘s Avonds typ ik mijn aantekeningen zorgvuldig. Lees ze nogmaals door.
‘Zullen wij morgen een potje?’ vraag ik. ‘Mij best’ antwoordt zoon gedachteloos.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/03/de-allereerste-keer/
Mijn noodzakelijke reis
Ik zwaai de deur voor haar open. Ze kan haar ogen niet geloven. ‘Je eigen wc en badkamer, wat een luxe’ zeg ik opgewekt. ‘Blijf jij ook hier’ reageert ze angstig. Als we eindelijk weer in haar kamer staan, moet ik even bijkomen. Hoe krijg ik dit weer van mijn netvlies? Ik ga voor het raam staan, zoek verlichting in het uitzicht. De rotonde in de verte, dichterbij, de vijver. Mijn moeder komt op me aflopen, ‘gefeliciteerd!’ roept ze. Er is niemand jarig. Ze omhelst me, ik schuif mijn mondkapje snel op zijn plek. Ze legt haar handen om mijn middel. Ik denk aan mijn witte vest.
‘Wat een mooi uitzicht heb je toch’. ‘Ik weet het niet’ antwoordt ze. Ik neem haar intens in me op, hoor aan haar woorden, dat ze nog verder van huis is. Ze is hier een jaar en zes weken. Toen ze nog thuis woonde, belde ze mij, mijn broer. Steeds vaker in paniek. ‘Ik ben af en toe zo in de war, straks ga ik allemaal rare dingen zeggen’ huilde ze zacht. Getroffen door haar angst en verdriet, werd ik mijn moeder. ‘Mam, rustig maar’.
Ze draagt een zwart met crèmekleurig gestreepte trui. ‘Staat je goed’. De grap is dat ik vanochtend voordat ik op de trein stapte voor mijn noodzakelijk reis, een zwart met crèmekleurig gestreept shirt haalde uit de verpakking, in de veronderstelling dat ik een blauw wit shirt had gekocht. Ook goed, dacht ik na een minuut. Ze lacht met me mee.
Als ik haar terugbreng naar de gezamenlijke huiskamer komt een man met getuite lippen op mijn moeder aflopen. Zonder aarzelen kust mijn moeder hem op de mond. Samen zwaaien ze me uit. Met een verzorgster en een grote kar met handdoeken, ga ik nog twee keer op en neer naar de tweede etage, voordat we eindelijk op de begane grond staan. ‘Nee, niet nog een keer, ik wil hier weg’ had ik me laten ontvallen. ‘Ha, dat willen we allemaal’ lachte de verzorgster aanstekelijk.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/02/lezerscolumn-mijn-noodzakelijke-reis/
Schaatsfoto
Ik wandel op het fietspad, omringd door een besneeuwde omgeving kijk ik naar de kale boomtakken, tegen een strakblauwe lucht. Hoog op een afgetopte boomstam zit een eend. Ik ruk aan de rits van mijn jaszak, pak mijn fototoestel, trek met mijn tanden mijn handschoen uit, snel. Te laat. Elegant vliegt de eend weg. Ik kom op een driesprong, ook op de visvijver rechts zwieren plukjes mensen rond. Ik ga linksaf, hoor het geluid van mijn telefoon. Handschoen uit, andere jaszak. Mijn broer. Hij doet verslag van het bezoek aan onze moeder in het verpleeghuis, een uur rijden bij ons vandaan. Een persoon per dag, een uur, luidt de afspraak sinds enkele weken.
Mijn moeder herkende hem, maar wilde niet direct mee, de lift in, naar de Brasserie. Ze zaten er nog geen vijf minuten aan tafel. Mijn moeder keek benauwd, mijn broer wist hoe laat het was. Hij kwam voor een aantal dilemma’s te staan in de zorg voor onze moeder, in de toch al tropische temperaturen binnen het tehuis, met mondkapje op. Aandachtig luister ik naar zijn relaas, zie het voor me, laat dat maar aan mijn broer over. Ik stap opzij voor een passerende fietser, knijp in mijn handschoen loze vingers. Ik leef met hem mee. Waardeloos dat hij er alleen voor stond. Hij had het goed opgelost, heeft haar weer even gezien. Ik niet. ‘Maak je daarover geen zorgen’ zegt mijn broer, ‘ze zei dat ze je gisteren nog uitgebreid had gesproken’. Hier moeten we samen om grinniken.
Na een uur ben ik thuis. Even later kijk ik op het scherm naar de foto van mijn schaatsende zoon.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/02/schaatsfoto/
Kijk eens
Ik denk aan de politica die tijdens ‘De slimste mens’ vertelde dat ze bang is voor vogels. Met verwondering had ik naar haar geluisterd, ieder zijn angsten, dacht ik nog. Ik ben niet bang voor vogels, maar ligt het aan mij, of is een zwerm vaker zo groot, lijkt het maar alsof ze iedere keer meeverhuizen boven mijn hoofd, mijn route? Het geluid zwelt aan, daar komen ze weer, als regen klettert de poep op de grond. Hijgend versnel ik mijn pas. Wat weten die vogels wat ik niet weet? Ze wakkeren mijn onrust aan. Een vrouw die haar hond uitlaat, kijkt net als ik, naar boven, ‘wauw’ zegt ze, we kijken elkaar even aan. Snel pakt ze haar telefoon uit haar jaszak. Als ik de hoek omga zie ik een moeder met een meisje van een jaar of acht. Ook zij kijken omhoog naar de zwerm, het meisje wijst naar de witte vlekken op de stoep.
De week ervoor zag ik ze ook. Vlak voor het donker, maakte ik een ommetje, de lucht was helder en wit, in de verte zacht oranje van de ondergaande zon. Windstil. Aan de grond genageld met mijn hoofd in mijn nek, keek ik naar de zwerm die spectaculaire vormen maakte. Niemand in de buurt, een luchtshow speciaal voor mij. De dag erna zat ik met mijn broer in de auto op weg naar onze geboortestad. Ja, ja, knikte hij vanachter zijn mondkapje, ‘spreeuwen’. Hoe komt het dat dit eeuwenoude natuurverschijnsel nu pas tot me doordringt? ‘Kijk eens wat beter om je heen’ bromt man.
Neem die plas in mijn buurt. Dat die wonderschoon is, zie ik inmiddels. ‘De Rietput is ontstaan als gevolg van een dijkdoorbraak van de IJsseldijk in de 13de eeuw. In die tijd was de Hollandse IJssel een grotere rivier dan de Lek’ las ik in mijn scherm. Sinds kort weet ik dat ‘die plas’ de Rietput heet. Als je met aandacht kijkt, wil je ook weten wat je ziet. Langzaam word ik wakker.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/01/lezerscolumn-kijk-eens-wat-beter-om-je-heen/
Thuiswerken
Thuisonderwijs is net als thuiswerken magisch als je er goed over nadenkt. Gelukkig heeft corona gewacht met toeslaan tot de digitale wereld met zijn laptops, mobiele telefoons, wifi, beeldbellen, printer en scanners mainstream is geworden in onze huizen. In de meeste althans.
Van vrouwen wordt gezegd dat ze zo goed meerdere dingen tegelijk kunnen. Uit het raam kijken naar de grassprieten in mijn tuin terwijl ik een intensief gesprek voer aan de telefoon, verder kom ik niet. Ook loop ik soms rondjes door de kamer tijdens het bellen. Ik kijk om me heen, maar registreer niets, zo ga ik erin op. Als het gesprek is beëindigd, zie ik de berg wasgoed op het bed plotseling wel, de dikke laag stof op de planken in de kast, de drie plantjes op een rijtje in de vensterbank waarvan er twee nodig moeten worden vervangen. Voor de vorm vouw ik wat handdoeken en leg die op de strijkplank, maak wat kniebuigingen. Stiekem kijk ik nog een keer om de hoek bij zoon, hoor de stem van zijn juf Biologie. Gelukkig, hij lijkt nu een en al aandacht voor het verhaal over de kleine en de grote bloedsomloop. Ik kies bewust de stilte van de logeerkamer, ik kan slecht een gesprek voeren met gescharrel en geluiden om me heen.
Man werkt in de huiskamer achter zijn laptop, combineert dit met het tussendoor uitleggen van de lesstof aan zoon. Gewoon, op zijn gebruikelijke stek aan de eettafel. Sommige dagen loop ik daar ook rond, zuchtend, opruimend, pratend tegen de planten terwijl ik ze begiet. Toegewijd werkt hij door, laat zich voor geen centimeter afleiden, ook niet tijdens het telefoneren. Gisteren aten we eerder vanwege de voetbaltraining van zoon, toen de telefoon rinkelde. Kalm verliep het gesprek. Zoon en ik ondertussen kauwend, gekke bekken trekken naar elkaar. Zoon stikte van het lachen, liet vervolgens zijn vork kletteren. Ik keek schuin naar mans rug. Nee hoor, geen krimp.
Vandaag pakte hij tijdens het zoom-overleg de laptop op om alsnog boven te gaan zitten. Hier heeft hij geen pottenkijkers bij nodig. Zijn collega’s heb ik nog niet ontmoet, toch zijn ze op mijn slaapkamer geweest.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/01/lezerscolumn-thuiswerken-2/
Een roerdomp in Maassluis
Ik luister naar mijn moeder die het ene woord aan het andere rijgt, vol vertrouwen dat wij wel weten waar ze het over heeft. Ik snak naar een kop thee, maar dat kunnen we op onze buik schrijven. Na een minuut of tien, gooi ik er voorzichtig wat realiteit in. ‘Ma, weet je van wie je de groeten krijgt? van tante...’’ zo ga ik het rijtje af. Ik vertel over haar kleinzoons, die, thuis, aan het voetballen zijn. Mijn moeder knikt, pakt de draad op van haar verhaal.
We lopen naar haar kamer. Ik schuif het gordijn opzij, op de vijver ligt een flinterdun laagje ijs. ‘Kijk je weleens naar buiten, ma?’ ‘Jazeker’ antwoordt mijn moeder. Ze noemt mijn broers naam, kijkt alsof hij er niet is. ‘Daar zit ie’ wijs ik. ‘Oh ja’. Ze kijkt rond, ik zie aan haar gezicht dat het haar vreemd voorkomt. Broer wijst naar de foto’s aan de wand en het schilderij boven haar bank. ‘Ik vind het leuk gedaan’. Ze zit op haar stoel alsof ze bij iemand voor het eerst op visite is, niet onprettig. We lopen naar de huiskamer. ‘We eten tomatensoep’, zegt een verzorgster in het voorbijgaan. ‘Daar is André weer’ zegt mijn broer. ‘Andre Rieu’ roept mijn moeder. ‘Misschien luisteren ze hier wel vaak naar’ zegt hij in de lift.
Buiten halen we diep adem. Al wandelend eten we onze meegebrachte boterhammen. We lopen langs de Vliet, richting Maasland. ‘Twee meerkoeten en een fuut’ wijst hij. Zijn vriendin kent iedere vogel bij naam. Zijn zoon, negen, benoemt feilloos de soorten die hij ziet. Ik kijk naar de watervogels, de kleine boten, het riet. Met dit licht lijkt alles op een schilderij. Wij komen uit een gezin dat alle vogels over één kam scheert. ‘Hee, die herken ik niet meteen’. Broer kijkt naar een vogel, bruinig, met gele poten en een gele snavel. Aandoenlijk voorzichtig stapt de vogel op het dunne ijs.
Uren later, allang weer thuis, ontvang ik een appje. ‘Ik denk dat we vanmiddag een roerdomp hebben gezien. Dat is best bijzonder, die zie je niet heel vaak’.
Een roerdomp in Maassluis. Het was hoe dan ook een memorabele dag.
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2021/01/lezerscolumn-een-roerdomp-in-maassluis/
Een boterhammetje
De brasserie van het verpleeghuis is dicht, we mogen een uur op bezoek. Gedrieën sloffen we naar haar kamer, zetten haar voorzichtig in haar favoriete stoel. Ze wijst naar me, knikt goedkeurend naar mijn outfit. Als een mannequin show ik mijn blouse en vest. ‘Allemaal nieuw joh?’ doet mijn broer er nog een schep bovenop. We zijn weer thuis. Ooit maakte ze mijn kleding. Mijn moeder dommelt in, haar handen maken bewegingen in halfslaap. ‘Wat doet ze, zit ze te breien?’ fluistert mijn broer. Er valt een diepe stilte, roerloos kijken we naar haar. Nog maar een maand geleden was besloten haar medicatie te geven omdat ze zo opstandig was.
Ik kijk door het raam naar de grote vijver. Vanaf mijn plek lijkt het alsof we op een boot zitten. Ik scheur de verpakking open. De dag ervoor had de verzorger gebeld om te laten weten dat mijn moeder geen pyjama’s meer heeft. Haar kleding is gelabeld, begin dit jaar hebben we vier nachtjaponnen meeverhuisd. In de badkamer zet ik de net gekochte toiletspullen neer. Eerst trek ik door. Ineens begrijp ik waarom er nieuw nachtgoed nodig is. Tot mijn verbazing staan er twee flessen halfvol met shampoo. Spullen zwerven hier van kamer naar kamer.
Broer laat foto’s zien van zijn zoon en vriendin. Is het nog hetzelfde meisje? vraagt mijn moeder traag. Ondertussen inspecteer ik haar kledingkast. Hij knikt, somt de de namen op van haar broer, mijn zoon. Mijn moeder kijkt zonder herkenning, lijkt ver weg. Tot ze begint te vertellen. Het klinkt raadselachtig en toch vertrouwd. Hoelang is het geleden dat ik met haar in discussie ging? Dat we samen kibbelden, zorgeloos. Mijn moeder was als een vangnet.
We schuiven het mondkapje opzij. Ze kijkt naar onze gezichten, lacht flauwtjes terug, dan, als schiet het haar plotseling te binnen: ‘Willen jullie een boterhammetje?’
https://www.metronieuws.nl/lezerscolumn/2020/11/lezerscolumn-boterhammetje/