AI schuift sneller richting geopolitiek terrein dan veel mensen doorhebben. De afgelopen dagen zagen we hoe Anthropic’s nieuwe Fable 5 en Mythos 5 modellen vrijwel direct na release weer wereldwijd werden uitgeschakeld, na een Amerikaanse exportcontrole die toegang voor buitenlandse gebruikers én zelfs buitenlandse medewerkers blokkeerde. Dat is geen detail. Dat is een signaal. AI wordt niet langer behandeld als “software in de cloud”, maar als strategische infrastructuur. Net als chips en energie begint toegang tot modellen onderdeel te worden van nationale veiligheid. Tegelijk zie je de kloof in benadering groeien. In de VS wordt AI steeds nadrukkelijker gekoppeld aan concurrentiekracht en geopolitieke positie. In Europa blijft de focus vooral liggen op regulering en risico’s. Beide zijn terecht, maar samen creëren ze een ongemakkelijke asymmetrie: wie bepaalt de technologie, en wie bepaalt alleen de regels eromheen? Dit is niet hetzelfde als de cloud-revolutie van twintig jaar geleden. Toen ging het om infrastructuur. Nu gaat het om cognitieve capaciteit: systemen die werk, analyse en besluitvorming steeds vaker mede bepalen. De echte vraag is dus niet of AI belangrijk wordt. Die is al beantwoord. De vraag is wie er straks nog toegang heeft tot de meest geavanceerde vormen ervan, en onder welke voorwaarden. En dat is geen technologiediscussie meer. Dat is machtspolitiek in softwarevorm.












