Over een koppeltje dat ik buiten zag.
Ik zat eens een keertje buiten, wat ongewoon was. Meestal blijf ik gewoon in mijn huis, daar waar alles altijd aangenamer en simpeler is en daar waar niemand me stoort. Maar nu was ik naar het bos gegaan, naar de open plek waar twee banken stonden. Ik had me er neergezet en ik las daar een boek. Een verhaal van een zekere H.P. Lovecraft. Die schrijver kon heel leuk over monsters en bovennatuurlijke dingen schrijven, maar op de pagina die ik aan het lezen was waren er geen monsters en gebeurde er niet veel. Het was gewoon het verhaal van een man, nog vooraleer hij iets monsterlijk zou tegenkomen. Als de stilte voor de storm. En dat vond ik erg saai. Het hoofdpersonage interesseerde me niet. Ik wou gewoon over monsters lezen.
Nu kwam er plots een koppeltje op die tweede bank naast me zitten terwijl ik aan het lezen was. Eerst was ik bang dat ze zouden beginnen te kussen. Dat zou mijn kinderlijke ziel niet kunnen verdragen en dan zou ik snel moeten vluchten van het hele vreselijke gebeuren. Maar gelukkig gebeurde er zoiets niet. De twee jeugdige verliefden gingen gewoon naast elkaar zitten op de bank en staarden elk naar hun eigen gsm als echte tieners. Ze spraken geen woord. Ik las tevreden mijn saaie hoofdstuk verder.
Maar toen ik al een paragraaf verder had gelezen, (ik lees traag) keek het meisje plots op van haar toestel, en zei ze:
“Weet je soms vraag ik me af of…” Ze aarzelde. Haar woorden klonken heel bedenkelijk.
“hm…?” vroeg de jongen zonder op te kijken van zijn telefoon.
Ik luisterde onopgemerkt mee. Ik weet niet waarom. Misschien had ik niet meegeluisterd als ik een interessanter hoofdstuk aan het lezen was, maar op dat moment had ik toch meer aandacht voor dat koppeltje dan mijn boek.
“Soms vraag ik me af of mensen wel echt om mij geven, weet je?” vertelde het meisje. “Het is alsof iedereen altijd voor me klaarstaat, en iedereen altijd het beste voor me voor heeft. Maar enkel zolang ik nog lief kan glimlachen. Enkel zolang ik nog met de domme grapjes kan meelachen. Enkel zolang ik er nog mooi uit zie, en niet laat merken dat ik me ook soms slecht voel. Weet je?”
De jongen bleef geconcentreerd naar zijn apparaat kijken. Het meisje vertelde verder.
“Ik wou dat ik het gewoon zekerder wist. Want soms voel ik me echt alsof er niemand van me houdt zoals ik echt ben. Alsof er niemand echt om me geeft, om mij geeft.”
Ze keek haar vriendje vragend aan en de jongen keek op.
“Maar ik geef om je!” zei de jongen wat onwennig, alsof hij net was wakker geworden.
“Echt?” vroeg het meisje voorzichtig.
“Maar natuurlijk! Jij bent het mooiste meisje dat ik ooit al heb gekend!” zei de jongen.
Ik keek op van mijn boek. “Kom aan man! Meen je dat nu?!” riep ik naar de jongen toe.
De twee keken plots mijn richting uit, en ik besefte dat ik zonet luidop gesproken had. Ik deed snel alsof het over mijn boek ging.
“Eerst wil ze zo graag samen zijn met Joey, en als Joey dan eindelijk daar is, gaat ze er met Dennis vandoor! Wat is dit voor een gefabrikeerd last-minute drama?!” ratelde ik.
Ik gebaarde naar het boek.
“Wie heeft deze rommel geschreven?!” zei ik geïrriteerd.
Ik klapte het boek dicht om naar de achterflap te kijken, en ik vloekte in mijn hoofd omdat ik de pagina niet had onthouden.
Het koppel besefte dat ik de dorpsgek was die weer in zichzelf aan het praten was, en ze verloren al snel hun interesse in mij. De jongen keerde terug naar zijn gsm. Het meisje keerde zich tot de jongen maar zag dat het moment al voorbij was. Ik deed verder alsof ik aan het lezen was, op de verkeerde pagina. Zo kroop de tijd eventjes verder voorbij. Wat later waagde ik het om nog eens op te kijken van het boek en een glimp van het koppel op te vangen. De jongen zat nog steeds op zijn toestel. Het meisje had het hare op haar schoot neergelegd. Zij staarde nu het bos in, naar de bomen, de takken, de bladeren en de wind die er rustig door blies. Heel even zag ik haar ogen glimmen. Huilen deed ze niet, daarvoor was ze te sterk. Maar de tranen bleven wel in haar waterige ogen hangen.
Dit is waarom ik nooit buiten kom. Dacht ik tegen mezelf. De volgende keer blijf ik thuis.













