De Europese comissie is een publieksraadpleging gestart om de Europese natuurbescherming te kunnen afzwakken. Hier is een petitie; tegen de nieuwe afzwakking en voor de natuur: https://handsoffnature.eu
Sweet Seals For You, Always

❣ Chile in a Photography ❣
will byers stan first human second
RMH
trying on a metaphor

Origami Around
KIROKAZE
2025 on Tumblr: Trends That Defined the Year
Monterey Bay Aquarium
macklin celebrini has autism
Cosimo Galluzzi
Mike Driver

JBB: An Artblog!
Misplaced Lens Cap

if i look back, i am lost

Kiana Khansmith
$LAYYYTER
Today's Document
let's talk about Bridgerton tea, my ask is open
Not today Justin
seen from Ireland

seen from United States
seen from Türkiye

seen from Finland
seen from Germany
seen from Türkiye
seen from United States

seen from United States
seen from Türkiye
seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States

seen from Czechia
seen from United States

seen from United States
seen from United States
seen from United States

seen from United States
seen from United States
@zielsvlucht
De Europese comissie is een publieksraadpleging gestart om de Europese natuurbescherming te kunnen afzwakken. Hier is een petitie; tegen de nieuwe afzwakking en voor de natuur: https://handsoffnature.eu
Het (on)geluk van de liefde
Ik heb lang gedacht dat liefde een soort van ongeluk was dat me steeds opnieuw overkwam. Telkens wanneer ik vlinders voelde, maakte ik me zorgen over de toekomst en de pijn die er aan kwam.
Er zijn veel soorten meisjes. Er zijn meisjes die veel lieve dingen tegen je zeggen, maar nooit hun daden achter hun woorden zetten. Er zijn meisjes die zeggen "we zullen dan afspreken" en daarna de voorgestelde datum laten voorbij gaan zonder iets te laten horen. Zonder iets te sturen. Zonder dat je haar ziet. En als je dan achteraf toegeeft dat je op haar wachtte en dat je teleurgesteld bent, krijg je defensieve smoesjes terug. Het was nog niet echt afgesproken. We moeten niet altijd zo veel afspreken. Ik heb mijn eigen leven (en hoe arrogant van je om te denken dat je daar deel van mag zijn).
Er zijn meisjes die je altijd achter de hand houden. Als back up optie, voor wanneer haar echte ambitie haar afwijst. Zodat ze in de tussentijd niet alleen hoeft te zijn. Je mag niet te veel van haar houden want ze houdt je liever geheim. Het zou genant zijn als haar vriendinnen wisten dat ze op de achtergrond met jou flirt. Je mag niet verdrietig zijn als je haar online dating profiel ontdekt, vol beschrijvingen van wie ze echt naar zoekt. Een man die al je slechte kanten niet heeft. Een man die niet op je lijkt.
Er zijn meisjes die zich stil houden en hoopvol wachten tot je hen eerst stuurt. Ze wacht tot jij alles zegt en doet. Zij wordt een van de vele stenen in een muur van koude, afstotende vrouwen. Het merendeel van die vrouwen in die muur wil helemaal niets met je te maken hebben. Één percent wel, maar als jij opgeeft omdat je niet je hele leven lang vrouwen wil lastig vallen, dan is ze teleurgesteld. Dan zegt ze jaren later, al lachend met een andere man aan haar arm: "ik had toen een oogje op je, maar je zag me niet staan."
Er zijn meisjes die je zo graag willen hebben dat ze zelfs liegen om je te kunnen krijgen. Ze liegt over haar leeftijd, haar interesses en wie ze is. Op een dag kom je er achter en je schrikt. Wanneer je ze confronteert, wordt ze kwaad en schreeuwt ze. Over hoe de leugens niet belangrijk zijn, en zelfs geen leugens zijn, en je maakt een drama van niets. Ze zegt dat er is iets mis met je is. Ze huilt wanneer je de brug verbrand.
En telkens, bij alle meisjes, dacht ik: wat doe ik mis? Hoe verpruts ik het toch altijd? Waarom maak ik het altijd kapot? Waarom ben ik niet gelukkig? Ik zou moeten gelukkig zijn bij haar.
Maar ik heb nu eindelijk geleerd dat er twee soorten romantische partners zijn. Er zijn de partners waarbij je steeds denkt dat je je zou moeten gelukkig voelen. En dan zijn er de partners waarbij je je - gewoon - gelukkig voelt. Zonder mentale onderhandeling. Zonder dat het voelt als een uitdaging die je niet kan halen. Zo simpel als maar kan zijn. Bij zo'n partner besef je plots: het lag niet aan mij. Ik had me niet moeten gelukkig voelen bij de anderen. Hoe ik me voelde was juist. Ik was niet geliefd, niet echt. En ik was niet gelukkig.
Er zijn veel soorten meisjes. Maar mijn meisje, het meisje dat mij eindelijk gevonden heeft, is haar eigen soort. Er is niemand zoals haar. Niemand waarmee ik kan praten zoals ik met haar kan praten. Niemand zo slim, niemand zo zacht, niemand zo lief. Ik wordt automatisch gelukkig wanneer we samen zijn. Samen zijn is alles. Samen inkopen doen. Samen koken. Samen rusten. Samen films kijken. Samen wandelen door bossen, velden en parken. Het lijkt soms alsof ze mee zweeft met de pollen, mee zwaaid met de bloemenstengels in de wind. Zelfs in de winter is ze warm. Dan geeft ze me hongerige blikken vanaf de andere kant van een gezelschapspel. Ze verslaat me ook in elk spel. Ze verovert mij keer op keer opnieuw. Ze heeft kleine nieuwsgierige vingers waarmee ze met mijn baard prutst. Soms gaan die vingertjes op verkenning en tasten ze over de wervels van mijn rug. Ze wordt graag gekust op haar hals. Zuigkussen vindt ze genant, maar als ze echt honger heeft, bijt ze mijn onderlip. Haar wilde haren in mijn gezicht, in mijn mond. Ik probeer ze uit de weg te blazen maar dat lukt nooit. Ik wordt verblind en verstikt in haar liefde, maar ik wil niet liever. Ik voel me juist vrij. Ik ben vollediger. Volwassener. Meer mezelf. Sterker. Wijzer. Geliefd zoals nooit tevoren. Ik hoop en ik bid dat zij het laatste meisje is dat ik ooit in mijn hart laat, want zij mag daar voor altijd blijven.
Deze liefde is geen ongeluk. Het is gewoon geluk.
Onafscheidelijk. Dat wil ik worden samen met jou. Ik wil dat als je eens ergens alleen naartoe gaat, dat iemand vraagt "Waar is je vriend? Waarom is hij niet mee gekomen?"Ik wil dat als ik zeg "ik zal er bij zijn!", dat iedereen verstaat dat wij allebei er bij zullen zijn. Ik wil dat niemand twee mensen over het straat ziet lopen. Ik wil dat ze één koppel zien. Ik wil dat niemand nog achter mijn rug geïrriteerd "typisch hij" zegt. Ik wil dat ze "typisch hen" zeggen. Ik wil dat als je zegt "nu moet ik echt naar huis" dat je eigenlijk bedoelt "nu moet ik terug naar hem, waar hij ook is". Ik wil nooit meer een zin beginnen met het woord "ik". Enkel nog wij. De enige "ik" die ik nog zeg, volgt op gij. Gij en ik. Gij en ik. Gij en ik.
De pen die niet schreef
Op een vroege zondagavond stond de duivel weer aan mijn deur. Net gekleed, met een vriendelijke grijns op zijn gezicht. Hij begroette me met mijn naam en vroeg me hoe het met me ging. Ik liet hem binnen. Uit beleefdheid deed hij zijn vuile schoenen uit - die hingen vol met zwarte pek - en ik nam zijn paraplu aan. Ik vroeg of hij iets wou drinken. Ik had nog een paar duveltjes in de koelkast, maar hij had liever een trappist.
Hij had me overvallen en er lag nog wat rommel in de woonkamer, maar de duivel was rommel gewend en hij klaagde niet terwijl ik snel de tafel afruimde. Hij nam zelfs wat vuile borden mee naar de keuken. Ondertussen begon hij te vertellen. Over het stormweer van de voorbije dagen, over mijn broer die hij in het krantenwinkeltje was tegengekomen en over de pompoensoep die hij gemaakt had.
We zetten ons neer aan tafel en allebei dronken we er eentje. Ik toonde hem vakantie foto’s en vertelde hem over mijn reis in Canada. En de duivel vertelde natuurlijk ook zijn eigen verhalen. Hij was een ingenieuze verhalenverteller, zoals niemand anders. Als de duivel sprak dan hing iedereen aan zijn lippen, dan wou iedereen blijven luisteren en dan twijfelde niemand aan wat hij zei. Ik ook niet. Toen het buiten donker begon te worden, vertelde hij zijn laatste verhaal. Zoals gewoonlijk had hij een geschenk voor mij. Dat was haast een vereiste voor de duivel. Hij nam een simpele houten pen tevoorschijn en toonde het me.
“Pennen schrijven woorden.” Vertelde hij. “Maar deze pen niet. Deze pen neemt woorden - steelt ze van het blad en geeft ze nooit meer terug.”
“Als je iets voor altijd wilt herinneren, schrijf het dan maar met een gewone balpen. Maar als je ooit eens iets wilt vergeten, schrijf het dan met dit.”
“Schrijf een geheim op en niemand zal het ooit te weten komen. Ook jij niet.”
“Schrijf de taken die je nog moet doen, en je hoeft ze niet meer te doen.”
“Schrijf over wat je knelt, en je zal de pijn niet meer voelen.”
“Schrijf de naam van die oude geliefde die je nooit meer wilt zien, en je zal haar nooit meer zien.”
“Schrijf jouw naam, en je bent weg.”
Hij gaf me de pen.
“Draag er zorg voor en wees voorzichtig.” Zei de duivel met een geniepige knipoog.
Ik nam het aan, verwonderd door het mooie geschenk. “Dank je! Dat zal ik doen.”
“Ik heb niets voor jou.” Zei ik. “Als ik geweten had dat je langs kwam had ik –“
“Ach geen probleem.” Zei de duivel. “Een goed pintje is voor mij meer dan genoeg.”
We praatten nog een tijdje. Dan moest hij maar eens door. Ik liet hem buiten. Daar ging hij dan, met zijn vuile botten en zijn paraplu. Geen jas. Ik vroeg hem nog of hij het niet koud zou hebben maar hij zei dat hij het wel aan kon. Hij wandelde de oprit af en dan de hoek om. Gezellig was dat. Toen ik eerst zo dicht bij het zwarte bos kwam wonen, vond ik het maar vreemd hoe hij altijd binnensprong. Maar nu vind ik het alleen maar aangenaam.
De pen stak ik keurig in een kartonnen doosje. Ik opende de onderste schuif van mijn boekenkast en legde het daar, bij al zijn andere geschenken: De pot die zich binnenstebuiten keerde. De handspiegel waarin ik altijd mijn achterhoofd zag. De dobbelsteen die soms een zeven rolde. Het parfum waarmee ik de liefde van mijn leven kon aantrekken. De bel die klonk wanneer iemand loog. De fluisterende cactus die geen water of zonlicht nodig had. De spons die alles vuiler maakte. De viool die schreeuwde. En nog wat.
Sommige dingen lagen er al jaren. Ik volgde natuurlijk altijd goed de duivel’s raad op. Ik deed de schuif weer dicht.
December
Vorig jaar was het eenzaam en koud
Ik schreef er over
Een angstige, droevige tekst
Ik schreef dat er geen licht was in november
Maar dit jaar is anders
Er is overal donker om me heen
Lampen in de trein
Ik zie de andere reizigers
Sommigen rusten, slapen
met het hoofd op de schouder van de andere
Alles is anders
Ik voel de winter niet
Er is liefde overal om me heen
Er is wel licht in november
Maar dat licht zijn wij
Dan besef ik dat het al december is
Ik heb de duisternis niet eens gevoeld
1/12/2025
Voor mij in die suikerspinnenwolkjes in de babyblauwe lucht.
Achter mij in die felle appelsiensapzonsopgang.
En om mij heen op de gezichten van de mensen.
Daar zie ik de verfstreken van God.
Er is rood op mijn wangen en er plakt een grijns op mijn gezicht,
Die geen enkele zeep er af kan schrobben.
Mijn leven is zo geschilderd, gekleurd, sinds ik je ken.
Je hebt van mij een kunstwerk gemaakt.
10/10/2025
Ik meende het toen ik zei dat ik je vriend wou zijn. Ik meende het toen ik zei dat je welkom was in mijn leven. Maar ik begreep toen niet dat we andere ideeën hadden over vriendschap. Ik wist toen niet dat ik me nooit zou welkom voelen bij jou.
Jij zocht een uitvlucht. Een leuke ontsnapping aan al wat zwaar is. Maar dat ben ik niet, en dat kan ik niet zijn. Ik zoek juist naar die zwaarte. Naar dat echte. Een vriend voor mij is niet zomaar iemand waarmee ik feest, waarmee ik uit ga, waarmee ik lach. Het is zeker niet iemand die me niet meer spreekt nadat het feest voorbij is. Een vriend voor mij is iemand om op te steunen. Iemand die ik kan steunen. Een vriend van mij is niet iemand die smeekt om mijn aandacht, of mij doet smeken om de zijne. Het is iemand waar ik uit nature altijd weer op uit kom, en iemand die altijd naar mij terugkeert. Een vriend is niet iemand waarvoor ik me moet verstoppen, of alles verbloemen. Een vriend voor mij is iemand die mijn naakte, rotte ziel begrijpt en desondanks nog steeds mijn vriend wil zijn. Dat ben jij niet, en dat wou je nooit zijn, en dat moest je nooit zijn. En als ik dat toen begreep, had ik nooit zo in je gezicht gelogen. Ik wou niet liegen. Ik wou gewoon iemand anders vinden zoals ik. Ik wist niet dat we zo onverstaanbaar waren voor elkaar. Ik hoopte dat we elkaar al begrepen hadden. Mijn hoop verblindde me.
Het spijt me.
Je moet niets doen met je leven. Zeker niet voor mij. Ik weet dat jij je weg weer zal vinden, terwijl ik de mijne verder kwijt speel. Ik weet dat ik dit in een zekere zin nooit zal verwerken, zoals al de rest. Dat is wie ik ben, wie ik wordt; een verzameling van alle ervaringen waar ik me nooit kon overheen zetten. Die lelijke resten, wonden en tranen. Misschien is dat de echte ik. Dat is de persoon die ik wil delen met een ander, maar nooit zal kunnen. Die onhandige overschot van een akelige misrekening, waar jij nu deel van bent. Op die manier zal je misschien alsnog een plaats in mijn hart krijgen. En toch hoop ik dat jij me al hebt kunnen los trekken uit je eigen hart. Zodat je hart zuiver kan kloppen. Zodat niemand je zonnetje nog kan verduisteren. Ik wou je ten slotte gelukkig maken. Misschien is dit de manier.
Een reiziger uit een antiek land
Begraafde zijn vriend
In het bos verderop
Hij zei niet waarom
Hij zei ook niet wie het was
Als ik de reiziger ontmoet had
Had ik het misschien gevraagd
Er was geen grafsteen
Enkel een verstoorde plek in de aarde
Die een week later weer verdween
De reiziger trok verder
En keerde nooit meer terug
Ik ben hen al lang vergeten
En toch gebeurt het wel eens
Dat ik door het bos wandel
En de wind hoor fluisteren:
Bouw voor mij geen piramides, maar weet dat ik nu deel ben van het zand, de wind en de regen die die nietige stenen langzaam maar zeker wegslijten.
Anke’s superkracht
Wanneer de meeste mensen aan superkrachten denken, denken ze aan vliegen, teleporteren, onzichtbaar worden, lazers schieten of onmogelijk sterk zijn. Mensen met superkrachten strijden tegen het kwaad en redden de wereld van allerlei dodelijke rampen. Maar wat Anke kan is iets helemaal anders, en haar superkrachten heeft ze altijd al voor zichzelf gehouden.
Niemand zou Anke er ooit van verdenken. Ze ziet niet echt uit als iemand merkwaardig. Ze was altijd al verlegen en stil. Vaak bang om iets verkeerd te zeggen, om dom over te komen of om iemands rust te verstoren. Wanneer ze gezelschap zoekt stuurt ze een “Hey” naar haar vriendinnen, maar anders zoeken zij haar nooit op. Als ze op stap is loopt ze achter de groep aan. In gesprekken zegt ze halve zinnen, waar anderen over heen praten.
“Zei je iets?” vraagt iemand dan, en ze schud haar hoofd.
Niemand had dan ook door wat ze allemaal kon. Haar gaven gebruikte ze niet vaak. Ze had het ooit wel eens getoond aan een oude jeugdvriendin, maar het was al lang geleden sinds zij elkaar nog gezien hadden. Zo bleven haar superkrachten geheim.
Maar af en toe deed ze het toch. Zo ging ze op een zomerdag - toen het onaangenaam thuis was - stiekem de achterdeur uit. De lucht was bleek grijs. Donkere zomerstormen toonden zich aan de horizon. Weldra zou het regenen. Ze stapte door het gras en klom over het tuinhek heen, het bos in. Langs mossige boomstammen en elfenbankjes, volgde ze een pad tot aan de vijver. Een eend met haar kuikentjes verschoot toen Anke er aan kwam. Kwakend zwommen ze naar de andere kant van het water. Anke gaf de eenden een zachte glimlach, om te tonen dat ze geen kwaad in zin had. De eenden bleven toch voorzichtig. Ze waren geen mensen gewend bij deze vijver. Bijna niemand kwam hier ooit. Enkel Anke wanneer ze het nodig had.
Anke deed haar schoenen uit, rolde haar broekspijpen op en stapte het water in. Het water was koel, maar niet onaangenaam in de drukkende zomerhitte. Ze keek omhoog. Naar de donkere wolken die langs schoven en de regelmatige bliksemflitsen. Dan sloot ze haar ogen en ademde ze diep in en uit. Een absolute rust overkwam haar, en dan deed ze het.
Ze werd een vis. Dat was haar superkracht. Sommige superhelden konden auto’s optillen, gedachten lezen of super snel lopen. Maar Anke kon zichzelf in een vis veranderen. Ze werd geen speciale vis, en niet een bijzonder mooie vis. Slechts een simpele kroeskarper. Ja, het lijkt een beetje gek en toen Anke als kind haar krachten eerst ontdekte, was ze ook even teleurgesteld. Ze had zich liever in een mooie zeemeermin kunnen veranderen in plaats van zo’n domme vis. Maar toen ze ouder werd besefte ze dat het eigenlijk perfect was.
Een zeemeermin is half mens. Zeemeerminnen hebben een vissenstaart, maar ook een mensenhart. Als een zeemeermin de zee in duikt dan neemt ze haar verdriet, haar pijn, haar woede en al het menselijke met zich mee. De ellende van het land volgt haar. Maar Anke kon die vloek van zich afwerpen. Ze wist nu dat het eigenlijk een zegen was om een volledige vis te mogen zijn. Telkens liet ze haar problemen achter bij de oever en zwom ze weg.
Ze plonstte het water in en dook dieper, naar de donkere dieptes van het troebele water. Daar kon ze haar zorgen niet meer zien. Hier beneden was alles zoals een rustige droom. Ze zweefde stil langs het wier en met haar vissenogen tuurde ze naar de verschillende zwemmende beestjes die in het water leefden. Wormpjes, larven en insecten. Allen doken ze bang voor haar weg, maar Anke had geen trek. In de schaduwen van de vijver kwam ze een andere vis tegen, die ze vriendelijk begroette met een beleefde blub. De vis zwom langs haar en wroette wat door de zanderige bodem van de vijver. Het maakte een grote stofwolk.
Anke zwom terug naar boven, naar het midden van de vijver. Daar stootte ze op een deken van eendenkroos dat over de vijver lag. Mama eend en haar kuikens trokken er sporen doorheen. Anke zag hun vliesvoetjes trappelen in het water. Dan viel er een druppel in het eendenkroos. Het maakte een kring op het wateroppervlak. Dan viel er nog een druppel en nog één. Donder klonk en lichtflitsen schenen door het eendenkroos. Al snel viel de stormregen met bakken naar beneden. Het spetterde met geweld op de vijver en deed de hele oppervlakte bruisen. De eendenkroosblaadjes stuiterden in het rond. Anke zwom er onder heen. Ze voelde er niets van. Buiten was het de hel, maar hier was de storm maar een verre echo. Ze bleef droog, al was ze al nat. Het was net zoals door een dakraam kijken wanneer het regent. Zalig. Anke hing stil en bleef kijken.
Met haar superkrachten zou ze de wereld nooit redden. Maar dat was niet erg. Ze had wel al keer op keer haar eigen wereldje gered met haar krachten. De echte wereld moest ze niet redden. Haar eigen leven vond ze al druk genoeg. En dat was oké. Als ik superkrachten had zou ik ook de wereld niet redden. Ik zou nog steeds proberen mijn diploma te halen, en nog steeds proberen het meisje van mijn dromen te versieren. Niets zou veranderen. Anke en ik begrijpen elkaar op die manier.
Het duurde nog een paar uren voor de regenstorm ophield. Dan zwom Anke rustig terug naar de oever, daar waar ze een vis geworden was. Ze wist dat een deel van haar daar nog was en dat het op haar wachtte. Haar menselijkheid, haar zorgen, haar leven. Ze vond het niet erg om terug te zwemmen na een paar uur rust in de vijver. Maar zoals altijd hoopte ze stiekem wel dat de oever verlaten zou zijn wanneer ze terugkeerde. Dat haar menselijkheid was weg gewandeld terwijl zij aan het zwemmen was. Dat het haar eigen leven was gaan leiden zonder haar. Dan kon zij nooit meer uit deze vijver en mocht ze er voor altijd een vis blijven.
In 2019 worstelde ik met een stressprobleem. Het vermogen om los te koppelen van het leven en van de wereld - om te ontsnappen - was waar ik over droomde. In deze tekst deed ik dat luidop. Ik ben er beter in geworden. De wereld overweldigt me nog steeds, maar mijn leven is ondertussen in mijn eigen handen. Ik ben nog steeds dol op vissen en kan uren lang naar ze staan staren in een aquarium, maar ik hoef niet meer zelf een vis te zijn. Ik ben blij met mijn menselijkheid, zelfs met de pijnlijke kantjes. Vandaag apprecieer ik dat er een heilige wijsheid zit in ons onvermogen om te ontsnappen. Ik besef dat als ik altijd had kunnen vluchten toen ik het wou, dat ik vandaag niet dezelfde man zou zijn. Ik zou nooit een beter mens geworden zijn door te ontsnappen. Ik werd wie ik ben door daar te blijven, te volharden en te vechten. En door daar te zijn, was ik er ook voor anderen.
Ik schreef fantasieverhalen om samen met de lezers te kunnen ontsnappen. Ik schrijf vandaag nog steeds fantasieverhalen, maar nu stel ik dat escapisme vaker in vraag. Ik geloof er niet meer in. Ik geloof niet meer dat boeken ons kunnen helpen ontsnappen en ik geloof ook niet dat dat de bedoeling is. Het is niet de bedoeling dat wij verdwijnen, ons stilhouden en ons verstoppen op de achtergrond van het leven. Omdat het leven ons te moe maakt of omdat iemand ons het zwijgen oplegt. Het is tragisch. Ik geloof nu dat telkens als er iemand van ons ontsnapt - op welke manier dan ook - dat die persoon dan gemist wordt. Of we het nu beseffen of niet. Wat als elk kwaal in de wereld er is omdat de juiste persoon die het zou kunnen oplossen, toevallig ontbreekt? Wat als wij enkel eenzaam zijn omdat we onszelf gaan verstoppen, en niet meer durven over de luide levenschaos heen te roepen? Van elkaar weglopen in plaats van naar elkaar toe.
Wie zal het zeggen?
Wat als ik daar nu toevallig langs wandelde? In het bos achter Anke's huis. Toen ze op weg was naar de vijver. Wat als ze me daar plots tegenkwam. Een rare man, in het bos, op zijn knieën want hij was net van plan om in een spin te veranderen en weg te kruipen onder de bladeren en takjes van de bosgrond toen hij plots betrapt werd. En eerst schrokken we. En dan begonnen we te praten. En langzaam aan beseften we dat we allebei ergens van wegliepen. We praten er over en vinden zo onze rust. Dan zeggen we dag. Ik kruip naar huis en besluit om op een andere dag spin te zijn. Anke besluit hetzelfde. We blijven vrienden. Een nieuwe connectie. Nieuwe gedachten voor onze hoofden. Rust die we met ons meenemen, die bij ons is en waarvoor we niet moeten weglopen. Misschien zou het een lange vriendschap worden die jarenlang meegaat. Misschien maakt Anke daarna snel nog een nieuwe vriendschap met iemand anders en dan nog één en nog één. Misschien gaat ze geen rust meer zoeken door weg te lopen van mensen, maar juist door naar mensen toe te gaan en met hen te praten. Misschien begin ik verhalen te schrijven die mensen niet helpen ontsnappen, maar die hen bijblijven. Verhalen die blijven hangen in het hoofd van mensen en hen sterker maakt. Verhalen die hen niet weghalen van de wereld, maar die hen terugsturen met meer moed, meer inzicht en meer wapens.
Maar natuurlijk ik zou nog steeds af en toe een spinnetje zijn. En Anke wordt minstens twee maal per week terug een vis want dat is veel te cool om niet te doen.
Er is iets met stromend water. Natuurlijk stromend water.
Hoe het zachtjes uit de lucht valt boven de bergtoppen, of hoe het ijs er smelt en stilletjes naar beneden sijpelt.
Hoe dat de druppels dan samen vloeien en tezamen de helling af glijden.
Hoe stroompjes samen komen en groter worden.
Hoe het kabbelt over stenen en in al haar macht langs rotsen ruist. Hoe het water spat en buldert over de berghelling.
Hoe het zich van afgronden werpt en damp de lucht in gooit om regenbogen te tekenen boven de mooiste watervallen.
Hoe het door bossen stroomt langs bomen en wortels. Van trapjes en onder boomstammen en bruggetjes.
Het is het geluid denk ik. Het ruisen van het water, en de melodieën van de natuur er rond. De wind die waait en de vogels en krekels die zingen, terwijl de stroom hen begeleidt. Het is prachtig. Het troost mijn woelige geest.
Ik kan er eindeloos naar luisteren. Als ik weet dat er ergens stromend water is, wil ik er direct naartoe. Ik wil me er naast zetten met een boek, of met een tekenblok of gewoon zonder iets zodat ik lustig kan dromen aan de oever. Als ik verliefd zou zijn dan zou ik mijn liefste willen meenemen naar het water. En dan gewoon luisteren. Af en toe eens kijken naar de vormen die het water aanneemt. Hoe het kolkt, golft en springt. De spatten maken me zo blij.
En ik weet dat het water verder zal stromen. Tot het vertraagt en dan sloom door het landschap begint te meanderen als een slapende reus. Alsof het zelf ook zichzelf gekalmeerd heeft.
En dan eindelijk de zee in. Waar het water zalig tegen de stranden en de rotsen kan klotsen. Waar het stormen en regenwolken kan vormen.
Er is iets met stromend water. Of er is iets met mij.
Handen
Ik heb mooie handen, blijkbaar. Dat hebben verschillende meisjes me al gezegd op verschillende momenten. Dat vind ik altijd raar. Waarom keek je naar mijn handen? (mijn ogen zijn hierboven).
En soms denk ik dat ze het zeggen uit medelijden. Ik zou het leuker vinden als ik grote, ruwe handen had. Handen waarmee ik elk mechanisme kan open forceren. Waarmee ik projectielen kan vangen wanneer ze op me af vliegen. Handen die helpen tillen, duwen en trekken. Handen die harde vuisten kunnen zijn. Handen waarmee ik iemand stevig kan vastpakken. Echte mannenhanden.
Zo'n handen heb ik niet. Ik bezeer die wormpjes van vingers telkens wanneer ik iets open pruts. Als iemand iets naar me gooit, grijp ik er naast. Of sla ik het per ongeluk weg. Als ik iets zwaar optil, kreunen mijn polsen en voel ik dat mijn handen willen ontsnappen. Mijn handen zijn klein, zacht en kwetsbaar. Zo kwetsbaar dat mijn knokels vaak rood zijn. Korsten en scheuren op mijn huid, gemaakt door de koude winterlucht. Alsof mijn handjes te fragiel zijn om nog maar buiten te komen.
Maar het is niet altijd slecht. Mijn broer heeft grote handen. Ik herinner me nog als kind hoe hij knoeide met een knutselwerk. Zijn constructie viel telkens opnieuw uit elkaar en hij geraakte zo gefrustreerd dat hij het met zijn vuisten kapot sloeg. En dan hielp ik hem door alles mooi terug recht te zetten, in elkaar te schuiven. Hij staarde me aan, stomverbaasd en jaloers dat ik het wel kon. Dan werd hij dubbel zo kwaad en sloeg hij het opnieuw plat.
Voorzichtig en zacht, zo zijn mijn handen. Gemaakt om te bouwen of te schilderen. Om te wijzen, maar niet om te krabben. Niet om te slaan maar hoogstens om zachtjes te drukken. Mee te tokkelen met de muziek. Te tikken op dit toetsenbord. Ik kan niet stevig grijpen of hard knijpen maar ik kan wel goed wrijven, strelen of gewoon aanraken. Is dat mooi? Ik weet het zo niet. Waarom kijk je naar mijn handen en niet naar mijn ogen? Weet jij iets dat ik niet weet?
Men zegt wel eens dat de ziel in de ogen zit. Maar misschien ben ik net een beetje anders. Misschien zijn mijn ogen zielloos, heb ik de doodse blik van een haai of een insect. Misschien kijkt iedereen naar mijn handen, omdat mijn ziel daar is. Misschien ben ik zo zacht, creatief en kwetsbaar als mijn kleine kinderlijke grijpertjes.
Hoe kan ik anders verklaren dat na zo oud te worden, na zo veel gebroken harten en zo veel onschuld te verliezen; dat ik nog steeds droom - net als toen ik kind was - niet over kussen, niet over seks maar over iemand die, zachtjes, mijn hand vast houdt.
“Sommige paden zijn helemaal recht: Dat zijn degene die gemaakt zijn; Andere zijn bochtig: Die zijn uit zichzelf ontstaan. En die laatste zijn veel aangenamer, omdat je nooit van tevoren weet waar ze heen leiden. Ze zijn langzaam maar zeker uitgesleten door kinderen, door honden en door alle mensen die het niet kan schelen hoe wegen eigenlijk gemaakt moeten worden.”
— J. M. Barrie
Lach luid
Lach luid zodat iedereen je hoort
Fiets tegen de wind in
Zing mee met de muziek
Geef knuffels
Blijf rennen ook al zweet je
Knipoog naar meisjes
Wees de dag wanneer het nacht is
Wees de zomer wanneer het vriest
Laat je hart kloppen
Adem
Leef
Geniet
Lach luid zodat iedereen je hoort
En heb iedereen lief die mee lacht
De nachtlucht ruikt zoet
Fietsend onder de lentebloessems
Straatverlichting verlicht de straat
Zoals geadverteerd
Maar het verduistert de sterren
Dat zeggen ze er niet bij
Ik speur tevergeefs de lucht af
Zoekend naar dat hemelse licht
Liefdesliedjes in mijn koptelefoon
Ik vraag me af wie mijn geest kan sussen
Ik zing zachtjes mee
Niemand hoort mijn valse noten
De vogels zijn stil
Maar de kikkers zingen mee
Eindelijk de tweede versie afgewerkt. Ik heb het uitgeprint en op mijn zoldervloer gelegd (let niet op de rommel). Elk stapeltje is een hoofdstuk. 413 pagina's op A4. 134 duizend woorden.
Ik ben trots. En moe. Ik ga een legendarisch dutje doen.
En daarna aan versie 3 beginnen ;)
Harrison Wood Hsiang
Schrokken
Er zijn mensen die heel graag eten, en ik ben zeker niet één van die mensen. Ik heb een hekel aan eten. Aan de daad zelf en hoe onhandig het is. De tijdsverspilling. De vuile dierlijke noodzaak.
Ik was altijd mager als kind. In de spiegel keek ik naar een naakt geraamte. Ik kreeg nooit veel naar binnen maar ik werd opgevoed om altijd mijn bord leeg te eten. En er werd me geleerd, dat iedereen er moest blijven bij zitten terwijl ik dat deed. In de naam van gezelligheid. Ook al deed ik er uren over. Iedereen moest naar me blijven staren. Gefrustreerd en kwaad worden op me terwijl ik traag een portie van hun formaat probeerde naar binnen te stompen. Ik ben nooit een snelle eter geworden. Ik haatte het.
Ik kan niet tegen de gulzigheid. Mijn vader, een vette man, die zichzelf bediende met driedubbele porties en maar vrat en vrat terwijl de porties van de kinderen beperkt werden. Collega's die pizza eten en de korsten laten liggen. Zodat ze meer pizza kunnen eten, dat leggen ze mij uit alsof het een wetenschappelijke wondertechniek is. De korsten worden weggegooid. Halve borden worden weggegooid. En ik moet mee doen. Ik probeer hulpeloos door vies vlees te kauwen. Vlees van ooit levende mishandelde dieren, dat dan tussen mijn tanden blijft zitten en brandt aan mijn tandvlees alsof het niet al genoeg aan mijn ziel knaagt. Ik ben gedegouteerd. Het voelt alsof ik op een andere planeet zit. Alsof we geen mensen zijn maar Skeksis in The Dark Crystal.
Thuis had ik altijd een hekel aan de sociale interacties aan de eettafel. Een eettafel dient voor het uitlokken van ruzies en het verduren van geschreeuw. Ik eet het liefst alleen. Ver weg van eender welke tafel. Vaak rechtstaand, ijsberend of aan mijn computer terwijl ik werk of schrijf. Eerst nam ik droge sandwichen mee naar mijn werk, zodat ik ze zo snel en efficient mogelijk kon oppeuzelen. Pas toen ik de kritiek van mijn collega's beu was ben ik ze 's morgens beginnen te smeren. Ik snoep veel liever dan ik eet. Chocolade smaakt naar liefde. Vaak is ze mijn enigste liefde geweest. En dan is het mijn beurt om gulzig te zijn. Nu als ik in de spiegel kijk puilt er een dik chocoladebuikje uit dat magere skelet. Lang leve suiker.
Aan al dat eten kan niemand ontsnappen. Want het is niet zomaar eten. Het is ook cultuur. Vlamingen kunnen soms heel pretentieus doen over hun Vlaamse cultuur. Als je doorvraagt wat die cultuur dan is, hebben ze geen antwoorden. Het enigste waar iedereen het mee overeens is, is het Vlaamse fritkot. Er bestaat geen Vlaming zonder fritkot. Dat is onze cultuur. Eten. Wat zielig.
Het is buiten mij gerekend, natuurlijk. Ik ga nooit naar een fritkot. De laatste keer dat ik in een fritkot binnenstapte was in 2016. Het was toen de tweede keer van mijn hele leven. Het lag er vol met rommel dat ik niet kende. Vlees, althans dat beweerden ze. Ik wist niet wat ik er mee moest aanvangen. Ik vroeg aan de man in het fritkot wat hij wou dat ik bestelde. De man was verbaasd. Hij kon niet goed met die rollen-ommekeer overweg. Dat is nu eenmaal de autistische ervaring. Het is toen goulash geworden. Vraag me niet hoe we daar geraakt zijn.
Ik heb me zo lang afgevraagd waarom. Waarom vinden mensen eten leuk? Waarom is eten cultuur? Waarom zijn wij trots op fritkoten?
Vandaag had ik een ingeving. Want ik zat te dromen, overdag. Ik dacht terug aan de eerste keer dat ik pokebowl at. Dat was samen met mijn zus in Brussel. We liepen samen door de stad, door parken en langs grote golvend gebouwen. We lachten dat je er een Tony Hawk zou kunnen doen. We verkenden het natuurhistorisch museum en de lego winkel. En we aten pokebowl. Mijn zus bestelde het verkeerde en ik lachte haar uit.
Niet zo lang geleden heb ik een halve kip opgegeten in een restaurant. Bizar veel vlees. Maar niet slecht en ik at het terwijl mijn moeder voor me naar me lachte. Ik weet nog hoe we daarna gedeprimeerd naar zwartwit beelden van de tweede wereldoorlog keken in een tentoonstelling. En hoe we achteraf op het MAS stonden in de kou en ik wees: "kijk. Daar werk ik nu"
Die laatste keer dat ik naar een fritkot ging? Toen was ik ook niet alleen. We waren drie studenten in costuum om later die dag ons eindwerk te presenteren. Een grafisch designer, een zeveraar van een verkoper en de autist die ze nodig hadden voor de back end van hun app. Samen aan het lachen en het schrokken terwijl de eindwerkjury uitliep zoals elk jaar. Winderige dag. Dat bakje met overschot modder ("goulash") dat op de pick nic tafel bleef staan na ik gegeten had. Iedereen was verbaasd dat ik niets op mijn witte hemd gemorst had. Dan kwam de wind plots op. Dat bakje vol vuil steeg op en vloog mijn richting uit. Vast beraden om mijn costuum te vernietigen en ons een punt van ons eindwerk te kosten. Maar ik sprong. Ik dook. Ik ontweek het bakje. Ik werd niet geraakt. Het was een legendarisch moment. Een legendarische dag.
Als ik terug denk aan eten, denk ik niet aan het eten. Ik denk aan de mensen. Ik denk aan mijn broer, mijn zus, mijn ouders, mijn vrienden en mijn collega's. Ik denk niet aan de ruzies of de stress. De smaak van die kip. Van die frieten. Van die pokébowl. De smaak van het leven. Het zit in mijn brein als lijm tussen mijn herinneringen. Elke simpele geur of smaak kan mij terug gooien door tijd en ruimte, naar die momenten waarop ik luid aan het lachen was samen met de mensen waarvan ik hou.
Misschien houden Vlamingen niet zo zeer van eten, maar van elkaar.