Laatste spullen - dialoog
hij zit in een café, alleen aan een tafel, wacht
zij komt binnen, zoekt, ziet hem, loopt met enige vertraging op hem af
hij Ha-
zij Ha-
hij Je bent op tijd.
zij Begin je nu gelijk-
hij Wil je nog iets drinken?
zij Nee. Ik heb geen dorst.
hij Hier is je tas- Je spullen. Hier zijn je spullen. geeft haar een plastic boodschappentas met inhoud
zij kijkt in de tas, rommelt wat Heb je ook dat theepotje-
hij Welk theepotje?
zij Dat met die Chinese tekens.
hij Nee. Waar stond die dan?
zij Op de afzuigkap.
hij Oh. Nee, die heb ik niet- Heb je die wel eens gebruikt?
zij Dat maakt toch niets uit? Hij is van mij.
hij Ja, niet van mij.
zij Nee, niet van jou.
hij Ik heb verder alles in de tas gestopt.
zij Goed. Dan ga ik maar.
hij Wat zal ik met het theepotje doen?
zij Wil je dat ik 'm kom halen? Ik kan morgen na m'n werk-
hij Werk je nu ook op vrijdag?
zij Ja. Tijdelijk.
hij Oh.
zij Even tot de zomer.
hij Oh.
zij Om de piek weg te werken.
hij Dat lijkt me vrij zinloos.
zij Gelukkig heb jij daar geen zak over te vinden.
hij Laat maar.
zij Wat, laat maar?
hij Vergeet maar wat ik zei.
zij Ik moet- wijst op het raam
hij Ja, natuurlijk. Wil je niet nog iets drinken? Om het af te sluiten?
zij Harold zit in de auto.
hij Harold.
zij Zit in de auto. We gaan even langs mijn ouders.
hij Langs jouw ouders.
zij Even dag zeggen.
hij Oh.
zij Ik was al bang dat je me zou blijven napraten.
hij Nee.
zij Nee.
hij Dan moet je maar gaan.
zij Ja, dan ga ik maar.
hij En dat theepotje?
zij Staat het in de weg?
hij Nee, natuurlijk niet. Het staat op de afzuigkap.
zij Dat komt dan wel.
hij Ja. Dat komt dan wel.
zij Volgende week misschien. Ik bel je wel. af
hij Is goed. Bel me maar.
zij in de deuropening Oja, Maarten?
hij Ja?
zij Bel mij maar niet meer.
hij Nee?
zij Nee. echt af



















