Aqua Utopia|海の底で記憶を紡ぐ
The Bowery Presents
wallacepolsom
official daine visual archive
almost home
Today's Document
$LAYYYTER
Game of Thrones Daily
Keni

bliss lane
untitled
No title available
Lint Roller? I Barely Know Her

izzy's playlists!
art blog(derogatory)
taylor price

gracie abrams
trying on a metaphor

Andulka
"I'm Dorothy Gale from Kansas"
seen from Poland
seen from Iceland

seen from Russia
seen from United Kingdom

seen from Sweden

seen from Türkiye

seen from Italy
seen from United States
seen from Mexico

seen from United States

seen from Canada

seen from Germany
seen from Bangladesh

seen from Germany

seen from Netherlands

seen from Mexico

seen from Russia

seen from United States

seen from Austria
seen from Spain
@wildvangen-blog
altijd gouden bergen
altijd gouden bergen
beloofde je mij niet.
soldaten die hun vingertoppen verliezen voor een moederland,
arbeiders in grijze stofjassen eten witbrood in afgemeten pauzes,
boeren met hun klompen in de aardbeien en de eksterogen op hun voeten.
Ik wist wel waar te zitten, zacht kussen, de leuning niet op mijn lengte gemaakt,
ik knikte voor de soldaten, de boeren. Ik wist heus
er moeten bergen verzet voor het goud gedolven, en vergeet nooit om je heen
te ruiken wie het brood maakt.
Als jij, zei hij- begin eens met iets kleins. Iets met zaden, planten, kiemen, niet
smoren, wel voeden. En altijd blijven lachen.
Ik zocht een berg op, bouwde er een hut tegenaan en wachtte
alle kleuren tegen de glooiing, tot ik meende dat ik iets gezien had
in de verte, iets dat op een aanloop leek.
Het had geen paard, geen jas, leek noch uit de stad, noch van het land,
het diende zich aan met helblauwe ogen. Onvolgroeid, ook ik, maar precies
zoals ik hoopte. Als er af en toe maar wat zonlicht was.
Om de bergen te beschijnen wanneer we ze gegraven hadden.
Jij had een kleur van trots.
nieuwe status quo
je fluistert we gaan een eindje lopen een paar stappen in miezerig vallen van kleine verbroken dromen
trage passen in het landschap dat onder onze voeten verdort eindigheid begint waar wij gewandeld hebben wat nog niet bruin gekleurd was, laten we achter en over de lange weg terug kunnen wij niet meer praten
geen gedachten meer hebben, niet meer fantaseren niet meer lachend en met grote gebaren de geschiedenis herhalen en zo af en toe een beetje herschrijven naar jouw of mijn hand
alleen maar alleen voor ons kijken
-er staan koeien in de wei en de weerman zei dat het een zomerse dag is-
of af en toe eens naar elkaar hopen dat jij me nog één keer kan toefluisteren dat we een eindje gaan lopen en of dat misschien iets langzamer kan
Huub
De telefoon gaat. Het is iemand van de bank. Ik had eerder vandaag zelf gebeld, maar het was onmogelijk om direct de juiste persoon aan de lijn te krijgen, dat kan helaas niet, meneer, daar kunnen we niet aan beginnen, ik zou wel teruggebeld worden. Ik ben blij dat onze bank zich aan de afspraken houdt. U spreekt met meneer Blonk, zeg ik en ook de juiste persoon van de bank stelt zich voor. Meneer De Vries, afdeling Particulieren. Ik vertel ik hem de reden van mijn eerdere telefoontje die dag. Ik belde u om het volgende, zo begin ik, ik zou graag een gezamenlijke rekening willen opheffen. Sinds ons trouwen delen mijn vrouw en ik bij uw bank een rekening. Altijd met volle tevredenheid, zeg ik er nog bij. Dat is fijn om te horen, meneer Blonk. Hij vraagt me waarom ik dan toch besluit om de rekening op te heffen. Hebben wij u dan toch teleurgesteld? Wij hebben onze rekeninghouders hoog zitten, meneer Blonk. Nee, niet teleurgesteld en ja, wij voelden ons altijd bijzonder welkom bij uw bank. Ik vermoed dat ik voor meneer De Vries alleen een klantnummer ben en ik vraag me af of hij wel degelijk de juiste persoon is. Ik ben blij dat u belt, misschien kunnen we samen het probleem oplossen, meneer Blonk. Dat denk ik niet. Mijn vrouw is tien jaar geleden overleden. Het valt even stil aan de andere kant van de lijn, en ik stel mij voor dat meneer De Vries mijn 'probleem' incasseert en zoekt naar de juiste woorden om dit gesprek weer te vervolgen. In plaats daarvan hoor ik door de telefoon snelle aanslagen op een toetsenbord. Tijdens het getik kijk ik maar wat door het raam naar buiten, maar net op dit moment is de straat leeg. Meneer Blonk? Ja, daar bent u weer. Mijn deelneming, zegt hij. Zijn deelneming dus, en waarschijnlijk heeft hij ondertussen al onze gegevens op het beeldscherm voor zich opgeroepen. Mijn vrouw is tien jaar geleden overleden, herhaal ik, terwijl ik zeker weet dat hij het goed verstaan heeft en ik ga verder. Ik kwam er onlangs toevallig achter dat deze rekening nog op ons beider namen staat, dat is mij al die tijd niet opgevallen. Ik hoor weer dat getik. Meneer Blonk? U kunt uw gezamenlijke rekening alleen maar opzeggen, als- Als wat, denk ik, als wat? Ik heb toch de vrijheid om iets te beëindigen, een verzekering, een abonnement, daar is juist zo veel om te doen, tegenwoordig. En ga me nu niet vertellen dat ik een rekening voor het leven heb, want u weet net zo goed als ik, dat dat niet zo is- dat dénk ik dus, ik wil graag weten wat meneer De Vries te zeggen heeft. Ik zie hier in de voorwaarden dat ik twee handtekeningen nodig heb, zegt hij, alleen dan kan een gezamenlijke rekening beëindigd worden. Wat? Protocol, zegt hij. Wat? zeg ik nog een keer, protocol of niet, zijn eis lijkt mij onredelijk. Uw eis lijkt me onredelijk, zeg ik hem, protocol, zegt hij weer. Ik neem aan dat u niet bedoelt dat ik zelf twee handtekeningen kan komen zetten. Nee, dat kan niet, ik heb van beide rekeninghouders een handtekening nodig. Een handtekening van mijn vrouw is helaas al tien jaar niet mogelijk meer, zeg ik. Ik zie hier in de voorwaarden voor opzegging- Als meneer De Vries nu even niet naar zijn beeldscherm zou kijken en naar mij zou luisteren, zou het minder pijnlijk worden. Wat wil hij dat ik doe, dat kan ik helaas niet voor u bepalen, meneer Blonk, hij is niet meer de juiste persoon voor dit gesprek, hij is vastgelopen in zijn systeem. Uw vrouw moet tekenen, meneer. Hoort u wat u zegt? Ik kan u helaas geen andere mogelijkheid bieden. Mijn vrouw kan helaas niet meer tekenen, het moet, het kan niet meer, het moet, het kán niet meer! Maar de voorwaarden-, hij begrijpt me niet, denk ik. Mijn vrouw is dóód, meneer. Zonder haar handtekening kan ik helaas uw betaalrekening niet beëindigen. Ik begrijp het ook niet meer en ineens zie ik een fragment dat ik lang niet meer zo helder voor ogen had. We zitten op een terras, we zijn op vakantie, een straatmuzikant speelt onverwacht mooie muziek, wij hebben wijn en olijven en de schemer scherpt de contouren aan. Ik wil voor altijd bij je blijven, zei ze. Dat mag, zei ik. Graag zelfs. En daarna vroeg ik of ze met mij wilde trouwen. Voor altijd, zei ze daarop, voor altijd. Meneer Blonk? hoor ik nog, maar ik leg de hoorn op de haak. Voor het raam fietsen twee jonge mensen voorbij, hand in hand. De zon komt even achter de wolken vandaan.
Diederik en ik
Ik heb geen zin meer in mijn koffie. Sinds drie weken drink ik 'm zonder suiker, maar de bitterheid slaat nu ineens toe, alsof het mijn eerste zonder is. Of erger nog, alsof ik vergeten ben de suiker in de koffie te doen en ik het onverwachts ontdek als ik de eerste slok neem. Boven de gootsteen hangt een verjaardagskalender, Diederik is morgen jarig. Als ik het vertrouwen nog had in de postbezorging, zou ik hem een kaartje kunnen sturen. Een verjaardagskaart met lieve groeten en een update van mijn leven. Waar was hij gebleven? Hij moet nog net hebben meegemaakt dat ik besloot om te verhuizen, maar de daadwerkelijke verhuizing heeft hij niet gezien. Niet geholpen ook. Zelfs geen kaartje naar mijn nieuwe adres dat hij makkelijk had kunnen achterhalen. Al onze vierentwintig gemeenschappelijke vrienden én hij hadden het kunnen lezen op mijn Facebook-pagina, zo trots was ik. Toen. Die verhuizing was bij nader inzien niet wat ik ervan verwacht had. De liefde die ik achterna was gereisd, was kort na mijn aankomst weer vertrokken. De grote stad bezorgde me geen grotere kans op een baan en nieuwe vrienden maken ná je dertigste is haast onmogelijk als je kinderloos bent en niet van handwerken houdt. En daarom, alleen daarom had ik een abonnement afgesloten op Netflix. Ik kan natuurlijk best een kaartje sturen, het hoeft niet per se een verjaardagskaart te zijn. Een neutraal kaartje met een bos zonnebloemen erop, zijn lievelings. Dat maakt het dan geen neutraal kaartje, maar een kaartje speciaal voor hem uitgezocht, betaald, geschreven. In mijn agenda van vier jaar geleden zoek ik zijn adres, en ik vind het niet eens zo vreemd dat ik zelfs zijn postcode nog weet. Diederik is het type van zo weinig mogelijk verandering, althans, dat wás hij. Die eigenschap is van alle eigenschappen misschien wel het moeilijkst te veranderen. Hij zal nog wel steeds wonen waar hij al woonde toen ik hem leerde kennen. Ik was zeventien, hij vijfentwintig. Ik ging studeren, hij was al toe aan een ander beroep. Ik was vol idealen, hij probeerde de zin weer te vinden. En toch klopten we samen. Hij leerde me de Romantiek kennen, Liszt en Chopin, Goethe en Keats, Turner en Goya. Wij meenden elke avond met te veel wijn en meedirigerend met één van zijn eerste CD's die hij in zijn bezit had, dat we in de verkeerde tijd geboren waren, dat we toch zéker honderdvijftig jaar eerder hadden moeten leven, de wereld en vooral onszelf toen hadden moeten ontdekken en dan hadden we nooit hoeven stilstaan bij ons verkeerde geboortejaar. Diederik en ik. Ik pak mijn fietssleutels en mijn portemonnee. De regen onderga ik gelaten terwijl ik naar de boekwinkel fiets, zijn adres heb ik op de achterkant van een loos bonnetje geschreven, maar wel in mijn mooiste handschrift. Dikke druppels glijden langs mijn wangen naar mijn kin en als ik nu zou huilen, zou niemand het zien. Maar ik huil niet. Ik zoek zonnebloemen in het kaartenrek, de enige zonnebloemen zijn van Van Gogh en die vind ik te tragisch. Ik pak uit een ander rek een kaart met een olifant, waar ik verder geen symbolische waarde aan toeschrijf, reken de kaart samen met een postzegel af, en schrijf op het verlengstuk van de toonbank het adres op de kaart in evenzo mooie letters als ik eerder op het bonnetje had geschreven. En dan het lege linkervak. Lieve Diederik? Hoi Diederik? Beste Diederik? Ik weet het niet. Ik zou je graag over alles willen schrijven, een briefroman beginnen, ik zou je het liefste mijn uitzicht elke dag willen tekenen. Ik zou je graag willen zeggen hoeveel avonden ik je mis, hoeveel glazen wijn, hoeveel symfonieën, hoeveel heldere hemels vol sterren, maar alles wat ik bedenk, schiet er ironisch genoeg net naast. Ik zou willen dat ik je kon vertellen dat ik mijn eigen leven heb, een gelukt leven, een trots leven, ik zou je zó graag willen zeggen dat ik gevonden heb wat wij zochten, dat ik gepakt heb wat wij kwijtraakten, dat ik de geheimen heb ontrafeld, ontcijferd, álle geheimen, maar vooral het geheim van mijn, noem het identiteit, van mijn samenstelling. Maar ik sta in een boekwinkel en jouw verjaardagskaart is al lang volgeschreven. Het mollige kassameisje wacht op de klant die achter mij in de rij stond en nu zoekt naar passend geld om zijn tijdschrift af te rekenen. Ze kijkt ondertussen naar mij en ik voel me opgejaagd door haar blik. Mijn voornemen zakt naast mijn moed in mijn schoenen, ik heb geen idee hoe ik de radiostilte met dit kaartje kan opheffen. Ik geef het kassameisje een blik met iets wat op een zelfverzekerde glimlach moet lijken, en stop de kaart in mijn jaszak. Ik roep nog iets over een brievenbus in mijn straat en verlaat de boekwinkel. De regen is nog niet opgehouden. Mensen lopen met hun kraag omhoog en met trefzekere pas door de winkelstraat. Niemand slentert in dit weer, je zou er ongelukkig van worden. Recht op je doel af, en als je er niets te zoeken hebt, dan ben je er niet. Dan zit je achter dubbel glas met de televisie aan, en tijdens de reclame schrijf je op Facebook dat de herfst dit jaar te vroeg begonnen is. En daarna maak je met een voorverpakte koffiepad iets dat oprechte reclamemakers een 'warme drank met koffiesmaak' zouden moeten noemen. Ergens is iets fout gegaan. Ik ben honderdvijftig jaar te laat geboren. Als ik thuiskom en de kaart uit mijn jaszak haal, is de inkt doorgelopen. Het rechtervlak is een onleesbare blauwe vlek geworden. Het adres is verwaterd. Het linkervlak is leeg. Er zou nog van alles kunnen gebeuren.
Laatste spullen - dialoog
hij zit in een café, alleen aan een tafel, wacht
zij komt binnen, zoekt, ziet hem, loopt met enige vertraging op hem af
hij Ha-
zij Ha-
hij Je bent op tijd.
zij Begin je nu gelijk-
hij Wil je nog iets drinken?
zij Nee. Ik heb geen dorst.
hij Hier is je tas- Je spullen. Hier zijn je spullen. geeft haar een plastic boodschappentas met inhoud
zij kijkt in de tas, rommelt wat Heb je ook dat theepotje-
hij Welk theepotje?
zij Dat met die Chinese tekens.
hij Nee. Waar stond die dan?
zij Op de afzuigkap.
hij Oh. Nee, die heb ik niet- Heb je die wel eens gebruikt?
zij Dat maakt toch niets uit? Hij is van mij.
hij Ja, niet van mij.
zij Nee, niet van jou.
hij Ik heb verder alles in de tas gestopt.
zij Goed. Dan ga ik maar.
hij Wat zal ik met het theepotje doen?
zij Wil je dat ik 'm kom halen? Ik kan morgen na m'n werk-
hij Werk je nu ook op vrijdag?
zij Ja. Tijdelijk.
hij Oh.
zij Even tot de zomer.
hij Oh.
zij Om de piek weg te werken.
hij Dat lijkt me vrij zinloos.
zij Gelukkig heb jij daar geen zak over te vinden.
hij Laat maar.
zij Wat, laat maar?
hij Vergeet maar wat ik zei.
zij Ik moet- wijst op het raam
hij Ja, natuurlijk. Wil je niet nog iets drinken? Om het af te sluiten?
zij Harold zit in de auto.
hij Harold.
zij Zit in de auto. We gaan even langs mijn ouders.
hij Langs jouw ouders.
zij Even dag zeggen.
hij Oh.
zij Ik was al bang dat je me zou blijven napraten.
hij Nee.
zij Nee.
hij Dan moet je maar gaan.
zij Ja, dan ga ik maar.
hij En dat theepotje?
zij Staat het in de weg?
hij Nee, natuurlijk niet. Het staat op de afzuigkap.
zij Dat komt dan wel.
hij Ja. Dat komt dan wel.
zij Volgende week misschien. Ik bel je wel. af
hij Is goed. Bel me maar.
zij in de deuropening Oja, Maarten?
hij Ja?
zij Bel mij maar niet meer.
hij Nee?
zij Nee. echt af
Wesley
"Met mij- Waarom pak jij verdomme je telefoon niet op. Ik bel je godsamme drie keer, dat zie je toch? Dan zal het wel niet iets onbelangrijks zijn, of wel? Maar je zal het wel te druk hebben- Dat hoef ik allemaal niet te weten- Ik belde je; kan jij Cheyenn morgen even geld meegeven voor dat schoolreisje? Die juf komt vandaag naar me toe, dat het vandaag betaald had moeten worden, maar dat had jij me ook wel even kunnen zeggen. Sta ik daar voor lul- Dus ik heb even gezegd dat jij het morgen mee zou geven. Ik drop Cheyenn zo bij je, maar ik heb geen tijd om het er dan over te hebben- Moet gelijk door naar een klus. En ik ga dat geld niet aan Cheyenn meegeven, zij hoeft daar niet de dupe van te zijn- Maar die juf verwacht dus morgen wel dat geld, dat je het weet. En ik heb geen zin in gezeik, dus betaal het maar gewoon. Godsamme, dit is wel heel onhandig praten zo, bel me even terug als je dit hoort, dan weet ik zeker dat het goed komt, morgen met dat geld. Waar ben je trouwens, ik rijd hier zo weg, dus ik ben over een kwartier bij je met Cheyenn en ik heb geen zin dat zij moet wachten voor een dichte deur, en dat ik dan moet wachten, dus stop maar waar je mee bezig bent, en bel me even. En vertel me trouwens ook maar niet wat je doet, want daar zit ik helemaal niet op te wachten, en ook niet met wie, als Cheyenn het verdomme maar niet merkt. Als het maar niet die vader is van- Hoe heet dat kind, zit bij Cheyenn in de klas- Waar die moeder net dood van is. Jij maakt daar geen misbruik van, hoor je. Het is al erg genoeg dat die vrouw net dood is. Die hadden namelijk wél een goede relatie, die vrouw had helemaal niet dood mogen gaan. Zij konden wel gewoon normaal met elkaar omgaan. Maar goed- ik ga dus zo rijden, dus ik verwacht wel dat je er bent, want ik heb Cheyenn zo in de auto, en dan ga ik niet bellen, want de vorige keer had ik ook al zo'n kutwout op m'n bumper, en ik vind het niet zo'n goed voorbeeld als Cheyenn de hele tijd gezeik meemaakt. Dus als jij morgen even dat geld betaalt voor dat schoolreisje, staan we weer quitte. En neem je telefoon op als ik bel. Ik bel niet voor mezelf, ja."
Matteo
Terwijl ik aan je denk, lig ik in bad. Of: ik lig in een te heet bad en ik denk aan je. Ik denk aan jou, ik denk aan jou en ik denk aan jou. Ik probeer niet niet niet niet aan jou te denken, maar het mislukt. Als ik niet aan je denk, denk ik dat ik niet aan je denk, denk ik omgekeerd wél aan je. Ik denk wel. Wel wel wel. Aan jou. Ik denk aan hoe je hier niet achter mij in het bad zit, niet aan jouw borsten in mijn rug, niet aan jouw benen om de mijne, niet hoe jouw handen de eilandjes schuim tot een groter eiland bij elkaar drijven. Ik denk aan hoe je niet mijn oor bestudeert en zegt dat je zo dadelijk met een pincet de haren uit mijn oor gaat trekken. Ik denk aan zondagochtendbroodjes die jij niet in mijn oven doet en hoe jij dan niet lachend zegt dat ik ze er vandaag wel op tijd uit moet halen. Ik vermoed dat ze vandaag zullen verbranden. Ik denk dat het zondag is, maar ik ben niet zeker, omdat jij niet in mijn bed ligt. Jij bent gisteren niet een klein beetje aangeschoten naast mijn bagagedrager gesprongen, zodat ik niet hoefde te stoppen om jou van de grond te helpen. Ik heb gisteren niet eens mijn huis verlaten om jou te zien. Ik denk aan de blikjes lauw bier die we niet gisteren bij de snackbar hebben gehaald, omdat jij niet naast mijn fiets viel. Ik denk niet aan die keer dat jij op mijn dakterras meezong met de muziek van de buren en dat ik zei dat je vals zong, en dat jij zei dat het heel dapper is om in de open lucht heel hard en heel vals te zingen. En dat we toen ook lauw bier dronken en nog één en nog één en nog één en dat we ze toen niet bij de snackbar hadden gekocht, maar dat mijn koelkast toen gewoon kapot was. Als ik mijn hoofd onder water houd, tikt de verwarmingsketel harder, alle geluiden tikken harder, mijn gedachten tikken vooral harder. Welaanjou nietaanjou welaanjou nietaanjou welaanjou terwijl ik mijn adem inhoud. Hoeveel jou kan ik niet ademen? Jou. Jou. Eilandjes schuim drijven boven me door de onderstroom van mijn handen. Het water is kouder. Jij wilde niet elke dag met mij. Jij wilde niet elke dag met mij. Jij wilde niet meer met mij. Ik wil niet zonder jou, elke dag niet zonder jou. Niet meer aan jou denken niet meer aan jou denken niet meer aan jou niet meer.
Onno
Ik heb champagne gekocht: Cuvée de Prestige. Ik vind, dat hoort bij zo'n avond. Of als je iets te vieren hebt. Ons huisje geboekt, tas gepakt, auto gestart en bij aankomst ontvangen door de Achterhoekse buurvrouw die me ook dit jaar weer op het hart drukt toch zeker vanavond wel de open haard aan te steken, omdat het dan pas echt gezellig wordt in het huisje. En ik moet ook niet vergeten om morgenmiddag even langs te wippen voor de traditionele kniepertjes. En of mevrouw later komt. Dan kan ze haar eigen auto op het grasveldje zetten. Geen probleem. Fijne oudjaarsavond, tot ziens, en de borg wordt weer gewoon contant teruggegeven bij vertrek. En toen zat ik op de bank. Zette de televisie aan. Liep een rondje door het huis. Ik maakte het bed op. Ik zette koffie en de boodschappen in de koelkast. Ik zette de televisie uit. Ik loste het cryptogram uit de krant op, las de strips op dezelfde pagina zonder er om te lachen. Ik zette de televisie weer aan, ging er voor zitten zonder er naar te kijken. De conferencier haalde zijn applaus. De klok tikt en telt af. Ik wil de champagne met jou drinken. Je had naast me kunnen staan, trots misschien wel, omdat ik langzaam het ijzer terugdraaide, de kurk ontijzerde, de fles ontkurkte, precies op de eerste van de twaalf klokslagen. Jij zou eindelijk ABBA opzetten en de opwinding die je al de hele avond niet kon verbergen onmiddellijk en uit volle borst inzetten, en ik schonk met vaste hand de flûtes vol bubbels. Wat zouden we vanavond hebben gedaan? Eerst kussen, dan proosten, dan drinken? Of zouden we niet kussen, alleen maar heel lang kijken naar elkaar. Zouden we al afscheid aan het nemen zijn? Vorig jaar was er een onbezorgd nieuw begin, vorig jaar was er om twaalf uur niets anders om aan te denken dan een voorspoedig en gelukkig nieuw jaar. Vorig jaar is nu voorbij. Jij haalde het niet, de klokslagen van dit jaar. Op de eerste klokslag heb ik de fles terug in de koelkast gezet. Ik kan het niet alleen drinken, ik weet niets te vieren. Nu buitelen buiten de vuurwerkregens met rood en groen en lichtblauw over elkaar heen. Af en toe gilt er een keukenmeid, harde donderpotten die de spoken verdrijven, het zoemt en het fluit en voor het eerst sinds de afgelopen twee maanden hoor ik de oorverdovende stilte even niet. Het knetteren, het gesis, de knallen volgen op de kleuren die hoog boven het weiland uit elkaar spatten. Je zou het mooi gevonden hebben, net als elk jaar. 'Prachtig!' zou je roepen. 'Kijk daar. En daar. En daar.' En we zouden straks een wensballon beschrijven met de dikke, zwarte stift, en ik zou opschrijven dat ik wenste dat je beter zou worden. Jij zou iets opschrijven over wereldvrede of dierenliefde. En nadat we de ballon meegegeven hadden aan de dikke, mistige wind, zou jij waarschijnlijk spijt hebben, omdat je je opeens herinnerde dat je gelezen had dat vogels stikken als ze in zo'n wensballon verstrikt raken. Dan heb ik nu toch in ieder geval de vogels weten te redden. ABBA zou nog een keer van jou moeten zingen en ik zou nog een keer inschenken. Daarna, vanaf de bank, onder de oranje-gestreepte deken, zouden we door het raam naar de contouren van de kale bomen langs het weiland kijken. We zouden weer zeggen dat we later, als we oud genoeg waren, als alles achter de rug was, dat we dan toch écht naar deze kant van het land moesten verhuizen. We zouden wachten met gaan slapen tot de kleurenregen opgehouden was. Ik zou je in de tussentijd vragen wat je het liefste wilde en jij zou het antwoord geven dat je me altijd geeft, gaf. Dat dít moment was wat jij het liefste wilde. 'Dat telt niet,' zou ik weer zeggen, 'je moet iets kiezen wat je niet hebt.' Heel veel antwoorden zou ik afkeuren, omdat je alles al had, en ik zou dit jaar wachten op één antwoord, dat je niet, nooit meer, zou geven. Nu. De stilte tussen de knallen wil maar niet komen, hoeft nog niet te komen. De vuurpijlen knetteren de intervallen van de knallen vol, en voor het eerst hoor ik mijn eigen ademhaling. Verademing. Het vuurwerk kondigt een andere stilte aan. Muziek is ook de rust tussen de tonen. Die rust wordt meer dan alle woorden ooit gevallen, meer dan alle aanrakingen. Jouw hand over mijn wang, mijn nek, mijn schouder. Mijn hand over jouw zij, jouw heup, jouw dij. Niemand heeft jouw handen meer, jouw gekriebel, jouw geaai is gestopt. Je wilde niet dat het zou stoppen, maar je hield het niet meer tegen, het hoorde erbij. Je had niet veel pijn, zei je. De rusten worden langer. Als het zo dadelijk helemaal stil is, de mist is opgetrokken, als de rood-groen-lichtblauwe regen opgehouden is met vallen, pak ik de champagne uit de koelkast. Als straks de stilte is bedaard, zal ik het ijzer terugdraaien. Ik zal de kurk ontijzeren, de fles ontkurken, zo stil mogelijk. Ik zal iets vieren. Ik zal de stilte vieren. De stilte van jouw handen. Jouw nooit-meer handen. Jouw handen. Nooit meer.
Werner
De duif in de tuin heeft geen kans om te ontbinden. De zwarte vogels, de raven gieren zwaluwen kraaien, de afvaleters hebben honger. Ik hoef ze niet te voeren, al een tijdje vliegen ze af en aan en af en aan en ze nemen hun handlangers én rivalen mee. Happen bebloed vlees. Grijze, kleverige veren als hun afval. Ik zie de ingewanden naar buiten ploppen, opgezwollen, verstijfde stukken duif. Ik zie de twee cypers van hiernaast met bravoure en jagersinstinct onder de heg, maar de raven gieren zwaluwen kraaien, ze vormen een zwerm, ontoegankelijk en vijandelijk. Het is hún duif. De duif viel uit de lucht, naast me. Het was geen boodschap, geen teken. Gewoon een dode duif. Plof. Alleen een doffe plof, op de tegels. Vlak daarna de koffie en de mok op de tegels. Een stilleven. Kapotgevallen niet meer te maken lijmen helen. Een geknakte vleugel naast een half kopje. Een zwarte plas trekt de grijze stenen in. Nog voor ik in de keuken ben om mezelf opnieuw een koffie te maken –het was de eerste geweest deze ochtend-, nieuwe mok water op het vuur het filter kan nog wel een keer, nog voor ik mijn stoffer en blik en een gekreukte plastic tas heb gepakt, hoor ik al het geklapper van die kannibalen, vanuit de hoogte een prooi gevonden. Een uitzonderlijk geweld op mijn terras, tussen de bloeiende lupines paars als een doodsbed. De lijkenlucht blijft buiten.
Kartels
Eén mes ligt verkeerd. De kartels van het mes moeten naar het bord toe, nu liggen de kartels naar rechts, naar de verkeerde kant. Als ze dit zou zien, ze zou denken dat ik niet weet hoe het hoort. Ik weet hoe het hoort, het andere mes heb ik wel juist naast het bord gelegd, maar zij zou denken dat juist dat mes per ongeluk zo lag. Het kon toeval zijn, zou ze vast denken, er zijn maar twee manieren om een mes naast een bord te leggen. Naar links of naar rechts. Ik heb tijd over. Als ik het mes nu vast omdraai, dan is het maar gedaan. De oven gaat over negenendertig minuten piepen, precies zeven minuten nadat ze zal zijn binnengekomen. Zeven minuten om een jas uit te doen, elkaar te begroeten met een kus of alleen met een hand, dat lukt, dat heb ik gerepeteerd. Vijf keer, om niets aan het toeval over te laten. Dat maakt nu dus nog tweeëndertig minuten reservetijd voordat de bel gaat. Min nu de tijd om het mes om te draaien, de onderkant van het mes weer gelijk te leggen met de lepel. En dan meteen maar even de vork controleren. Er zit een vouw in het damast. Precies onder haar wijnglas zit er een vouw in het damast, die vouw moet eruit. Ik moet die vouw eruit trekken, ik moet heel voorzichtig, zodat niets verplaatst, die vouw eruit trekken. Als het glas breekt, kan alles opnieuw. Het glas kan wel even op het aanrecht staan, voor de zekerheid, dat het niet valt. Het is niet eens een onopvallende vouw, het is een dikke vouw, hoe kan ik die vouw over het hoofd hebben gezien? En waarom is het zo'n hardnekkige vouw? Ik heb tijd over, ik zou een pannetje water kunnen koken, de onderkant over de vouw kunnen halen, en zo de vouw eruit kunnen strijken. Niet meer dan één pannetje water en het probleem lost op. Nu ik wacht op het water, gaat de tijd sneller. Gek, hoe de tijd langzamer gaat als je wacht op een bericht. Of op iemand. De tijd moet nu kiezen. Sneller vanwege het water, of langzamer vanwege haar. En nog voor het water kookt, kijk ik alweer naar de film die ik sinds haar reactie op mijn advertentie onophoudelijk afspeel. De bel en binnenkomst, de jas, de kus –of de hand, hoewel ik haar inschat als een kusser-, de deur die ik haar openhoud- De muziek. Ik vergeet de muziek. Ik moet de muziek nu al aanzetten, anders denkt ze dat ik de muziek alleen maar voor haar heb aangezet. Als ik de muziek nu al start, begint over vierentwintig minuten de tweede symfonie, dan lijkt het niet zo bedacht. Bovendien kan ik haar dan vragen welke muziek ze wil horen, en dan zegt ze dat ze iets bijzonders wil, en dan ruil ik de piano van Liszt in voor de strijkers van Bartók en dan past de muziek bij de goulash die nu nog in de römertopf gaar stooft, maar die we dan net opgegeten hebben. En dan zegt ze dat de koffie wel kan wachten, dat ze eerst wil dansen, en ik vraag haar dan, bij wijze van grap, met wie ze wil dansen, en ze lacht naar me en dan zucht ze dat ze met mij wil dansen, en dan vleit ze zich tegen me aan en dan dansen we. En de strijkers in de luidsprekers begeleiden ons langzaam maar zeker naar een crescendo en op dat moment weet ik zeker dat ik morgenochtend verse broodjes voor haar zal halen. Het water borrelt en spat en ik moet de mouwen van mijn trui maar gebruiken als pannenlap. Het water klotst als ik een stap zet, dus is moet vloeiend sluipen naar de eettafel, en ik heb gewonnen van het klotsen als ik de pan op de vouw zet. Niet één druppel over de rand. Een paar tellen, even kijken, bijna weg. Even kijken. Nu écht bijna weg. Misschien gaat heen en weer schuiven sneller, maar het zou zonde zijn als nu, juist nu ik er bijna ben, het water over de rand ontsnapt en ik alles opnieuw moet dekken. En de tijd begint te dringen. En zou ze eigenlijk wel wijn drinken? En ik moet niet vergeten het wijnglas van het aanrecht terug te zetten op de tafel rechtsboven haar bord, waar het nu nog warm is, maar wat al lang is afgekoeld als we tegenover elkaar zitten en ik de wijn inschenk. En het bestek moet ik ook weer recht leggen, en let op dat het mes met de kartels naar het bord ligt. Nu moet de vouw toch wel verdwenen zijn? En waarom piept de oven zo? De bel is toch nog niet gegaan?
Spiralen
Wit. Vier muren zijn wit. Het plafond en devloer, de kozijnen van de deur zijn wit. De deur wit, de scharnieren in de deurwit, het frame van het bed is wit. Prikkelloos. Ik lag nèt onder het bed om te kijken naar verstopte kleuren, maar zelfs de spiraalbodem was wit. Als ik mijn hoofd dan snel heen en weer bewoog, dansten de spiralen, alleen dán leek er grijs doorheen te komen. Ik schudde net zo lang tot ik mijn evenwicht verloor. Alles viel. Ik viel vooral. Ik spreidde mijn benen en armen en sloeg ze om het bed, mijn voeten en handen als haken over het matras. Het bed was onbeweeglijk, dat is mijn zekerheid. Onwrikbare bouten hebben de poten in het beton gedraaid. Het bed stond stil en ik hing aan de onderkant en viel. Toen ik stilgevallen was, hield ik mijn adem in, zomaar, omdat ik niets anders te doen had. Ik raakte de tel kwijt en begon weer opnieuw met mijn adem inhouden. Ik begon een paar keer opnieuw, maar ik vergat steeds hoe vaak het niet gelukt was. Het leek alsof iets in mijn hoofd probeerde te voorkomen dat ik conclusies kon trekken uit getallenreeksen, door het maken van reeksen te verstoren. Het verontrustte, dit was een spelletje, geen onderzoek, geen poging om tot een gevoel te komen. Maar juist deze verontrusting verstoorde mijn nadenken over het oproepen van dat gevoel, en daardoor ging ik nadenken over andere dingen. Nadenken is moeilijk in het wit. Het ontbreken van contrast werkt door in je gedachten, ze verliezen diepte. Het laatste wat ik net écht dacht, was dat ik te veel mijn best deed om de afzondering te benoemen. Ik gaf namen. Zwijgen. Kilte. Onvriendelijk. Het waren geen namen voor de echte gevoelens, ik had namen gegeven aan gedachtes over die gevoelens. Dáárvoor had ik gedacht dat afzondering pijn deed, en daar weer voor besloot ik dat afzondering geen eenzaamheid was. Eigenlijk had ik toen moeten stoppen met het onderzoek. Eenzaam. Ik had ooit gedacht dat ik de eenzaamheid kon onderzoeken, maar ik kon me niet meer herinneren dat ik opgetogen was geweest over het idee om mezelf te laten insluiten. Ik deed mijn best om mijn kleurrijke leven terug te halen. Ik had een vriendin met lang haar, met een onregelmatig leven als fotografe, maar ik was vergeten welke kleur haar lippen, haar haar, haar ogen hadden. Ik wist dat ik een boekenkast naast mijn bureau had staan, maar de kleuren van de boekruggen zag ik niet meer voor me. Mijn toetsenbord en de rand van mijn beeldscherm waren zwart, ik wíst het, maar ik wist niet meer hoe zwart eruitzag. De deur was gesloten, op mijn eigen verzoek. Ik verzoek nu dat de deur open gaat, en ik naar buiten mag. Onderzoek afgerond, geen bevredigende resultaten. Wit ontregelt te veel, of leidt in ieder geval af van waar het werkelijk om gaat. Wilt u alstublieft de deur openmaken? Mijn vuisten klinken dof op de deur. Dof gebons. Ik bons al tijdloos lang op de deur. Ik voel het kozijn, volg het kozijn, en krijg door dat ik al die tijd naast de deur mijn vuisten beurs heb geslagen. De deur klinkt doffer, dik ijzer absorbeert elke trilling, maar verkoelt mijn handen. Wie heeft me een kat gegeven? Dat krijsen is te hard, dat moet zachter. Krijs zachter, alsjeblieft, krijs zachter, krijs niet. Stilte. Even maar, dan weer dat gekrijs. Ik kijk om me heen, maar zie niets anders dan mijn naakte bovenlichaam dat schokkerig beweegt, verkrampte schouders en een felrode of zalmroze lap uit mijn mond hangen en ik krijs niet meer, maar ik schreeuw. Ik schreeuw alle stilte weg, verslik me in taai slijm, lig kokhalzend op de grond, en alles valt weer naar beneden en ik heb niets meer om mij aan vast te houden. De geur van ijzer, waarvan ik zeker heb geweten dat het niet mijn geur was, maar van andere mensen vóór mij op deze vloer. De rode vlek op het wit van het laboratorium, wat nu vloer is, en wat langzaam ronddraait om het plafond een muur te laten zijn, díe rode vlek is het mooiste dat ik ooit gezien heb. En ik sluit mijn ogen. En ik voel hoe een extreme koude de stilte doorbreekt en het is vreselijk koud, niet zomaar koud, maar alles bevriest, en ik kan mijn armen niet meer bewegen als ze gekruist over mijn borst liggen, en ik hoor stemmen, en ik zweef. Ik zweef! Ik heb niet eerder zo gevlogen, en een stem fluistert, maar het klinkt als een sirene, en ik voel hoe de warmte mij overmeestert. En ik weet niets meer, behalve dat ik morgen niets meer zal denken.