Literatuurstudie
Dit onderzoek gaat dieper in op de vermoedelijke (huiselijke) fysieke kindermishandeling van kinderen tussen 4 en 12 jaar oud die binnengebracht worden via de spoeddienst van het ziekenhuis. We willen onderzoeken welke protocollen of procedures er bestaan in België en New Jersey en wat de rol van een sociaal werker hierin kan zijn. Om dit beter te begrijpen zullen we eerst stil staan bij wat kindermishandeling is, wat de gevolgen zijn en wat er reeds rond het thema bestaat qua wetten en procedures. Tenslotte zullen we ook even stilstaan bij de rol van de sociaal werker.
Wat is kindermishandeling in België?
Kindermishandeling is een brede term. Er kunnen verschillende betekenissen onder vallen. In dit onderzoek focussen we ons op de definitie van het vertrouwenscentrum voor kindermishandeling en op de definitie uit het onderzoeksrapport van het federaal kenniscentrum voor gezondheidszorg.
Het vertrouwenscentrum kindermishandeling omschrijft kindermishandeling als elke vorm van lichamelijk, emotioneel of seksueel geweld waar kinderen slachtoffer van zijn. Niet door ongeval, maar door daden of nalatigheden van ouders of andere personen. De gevolgen van kindermishandeling brengen de ontwikkeling van het kind ernstig in gevaar (VK, 2021).
Daarnaast verduidelijkt het federaal kenniscentrum kindermishandeling als volgt: “Kindermishandeling is een begrip dat in het Belgische Strafwetboek verschillende strafbare feiten omvat: verkrachting, aanranding van de eerbaarheid, aanzetten tot ontucht, slagen en verwondingen, vrouwelijke genitale verminking, foltering, onmenselijke behandeling, opzettelijk onthouden van voedsel en verzorging en het verlaten van een minderjarige. Psychologische mishandeling of verwaarlozing bij minderjarigen is niet expliciet als strafbaar feit opgenomen in het Strafwetboek” (KCE, 2016).
Binnen de hulpverleningssector wordt een ruimere definitie gehanteerd, namelijk die van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (artikel 19 IVRK) van de Verenigde Naties (20 november 1989). In België heeft dit verdrag ook een wettelijke kracht. Kindermishandeling wordt er als volgt omschreven: “Alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik.”
Kindermishandeling kent dus verschillende vormen. Er bestaat lichamelijke of fysieke mishandeling en verwaarlozing, psychische mishandeling en verwaarlozing en seksueel misbruik (VK, 2021).
In ons onderzoek houden staan we stil bij fysieke kindermishandeling en verwaarlozing. We spreken van lichamelijke of fysieke kindermishandeling, wanneer een volwassen persoon fysiek geweld pleegt op een kind of een jongere. Voorbeelden hiervan zijn: slaan, schoppen, bijten, het toebrengen van brand- of snijwonden, krabben, schudden, vergiftigen, … Dit geweld is verschillend van een ongeval. Daarnaast bestaat er ook lichamelijke verwaarlozing dit komt voor wanneer een volwassene een kind of jongere niet de nodige lichamelijke verzorging geeft. Dan is er geen, te weinig of verkeerde aandacht is voor kledij, voeding, slaap, veiligheid, medische verzorging, … (VK, 2021)
Wat is kindermishandeling in New Jersey?
Het begrip ‘kindermishandeling’ en de feiten die eraan verbonden worden kunnen in Amerika verschillen per staat. De federale omschrijving van kindermishandeling die overal van toepassing is in de Verenigde Staten luidt als volgt: “Elke actie of bewust niet-ondernomen actie van een ouder/voogd die resulteert in het overlijden, serieuze fysieke of emotionele schade, seksueel misbruik en uitbuiting, of die een onmiddellijk risico inhoudt op ernstige schade.” (CAPTA, 2010)
Dat is natuurlijk een heel ruime omschrijving, en elke staat vult deze verder aan in hun eigen wetgeving. Zo is de definitie voor ‘fysieke kindermishandeling’ die van toepassing is voor de staat New Jersey specifieker.
“Elk kind jonger dan 18 jaar waarvan hun ouders, voogden of andere personen met controle over het betreffende kind zich schuldig maakt aan één van de volgende feiten:
• Het opzettelijk verwonden of toestaan dat anderen het kind verwonden op een manier dat een aanzienlijk risico op overlijden, serieuze/langdurige misvorming, langdurige beperking van de fysieke/emotionele gezondheid of langdurig verlies/beperking van lichamelijke functies van organen inhoudt.
• Het creëren of toestaan dat er een aanzienlijk/aanhoudend risico op opzettelijke, fysieke verwonding van het kind gecreëerd wordt met de dood, serieuze/langdurige misvorming of langdurig verlies/beperking van de lichamelijke functies van een orgaan als gevolg.
• Het onredelijk schade of risico hierop aanbrengen, inbegrepen overdreven lijflijke straffen of andere straffen die even ernstig zijn volgens de rechtbank.
• Het buitenmatig lichamelijk in bedwang houden van een kind zonder dat deze een gedrag stelt dat schadelijk voor zichzelf, anderen of eigendommen is.” (NJ universal citation § 9:6-8.21, 2013)
Gevolgen van kindermishandeling.
Bij langdurige blootstelling aan mishandeling en toxic stress kunnen er vele gevolgen zijn. De gevolgen zijn vaak onderling verbonden, maar blijven niet beperkt tot één aspect van het leven van het mishandeld kind. Zo zijn er gevolgen op psychisch en fysiek vlak, maar ook het gedrag wordt mee beïnvloedt door wat er gebeurd is.
Fysieke gevolgen
Door de jarenlange geweldplegingen kunnen er zich veel verschillende letsels voordien die verder kunnen leiden tot blijvende beperkingen. Zo zijn veel voorkomende fysieke gevolgen diabetes, longziekten, ondervoeding, blindheid of zichtproblemen, fysieke handicap, ruggenletsels, hersenschade, hoge bloeddruk, migraines, slaapstoornissen, chronische darmklachten en hartproblemen. Natuurlijk blijven de gevolgen niet beperkt tot deze voorbeelden.(Widom, Czaja, Bentley, & Johnson, 2012; Monnat & Chandler, 2015; Afifi et al., 2016)
Psychische gevolgen
Een mishandeld kind kan op latere leeftijd een verhoog risico zijn om depressief te worden, die zich kan ontwikkelen in de adolescentie of de volwassene leeftijd. Ongeveer 25-33% van de mishandelde kinderen ontwikkelen een majeure depressie tegen hun 20ste verjaardag. (FOD Volksgezondheid, 2016)
Buiten depressie vertonen ze ook vaak hechtingsproblematieken, dwangstoornissen, angststoornissen, post traumatisch stress stoornis en andere psychiatrische aandoeningen. Het suïcidecijfer bij mensen die mishandeld waren als kind ligt ook veel hoger. (Choi, DiNitto, Marti, & Segal, 2017; Fuller-Thomson, Baird, Dhrodia, & Brennenstuhl, 2016, Doyle & Cicchetti, 2017; Sege et al., 2017)
Tenslotte kunnen deze slachtoffers eveneens tekenen vertonen van verstoorde motorische en cognitieve vaardigheden door de schade die ze opgelopen hebben als kind. Enkele voorbeelden hiervan zijn problemen met zelfbeheersing, geheugenproblemen, aandachtstoornissen, leerproblemen, enzoverder. ( (Kavanaugh, Dupont-Frechette, Jerskey, & Holler, 2016 & Bick & Nelson, 2016).
Gedragsmatige gevolgen
Slachtoffers van kindermishandeling zijn meer geneigd om een ongezonde, seksuele levensstijl te volgen aan de hand van meer seksuele partners, meer risicovolle gewoontes, vroegere seksuele rijpheid, enzoverder. (Thompson et al., 2017) Ze vertonen ook vaker delinquent of crimineel gedrag. ( (Herrenkohl, Jung, Lee, & Kim, 2017). Ze vallen sneller prooi aan verslavingen zoals alcohol, drugs dan mensen die geen geschiedenis van geweld kennen. (Choi, DiNitto, Marti, & Choi, 2017).
Tenslotte tonen studies ook aan dat ondanks de pijn, vernedering en geweld waaronder ze zelf als kind aan onderworpen werden, ze in hun volwassen leven deze cirkel vaker verderzetten met hun eigen kinderen, echtgenoten of andere uit de intieme kring tegenover volwassenen die uit een warmere omgeving komen. De slachtoffers worden dus als het ware de daders omdat misbruik hun aangeleerde manier van opvoeden of samenleven is vanuit hun eigen oorspronkelijk gezin. (Child Welfare Information Gateway, 2018; Yang, Font, Ketchum, & Kim, 2018)
Wat gebeurt er in België rond het thema?
Kindermishandeling is een erkend probleem in België, maar de omvang ervan is niet voldoende gekend. Het is ook een complex probleem waarvoor samenwerking nodig is tussen verschillende diensten.
De voorgaande jaren is het thema ‘kindermishandeling’ wel al aanbod gekomen op vlak van beleid en praktijk. Zo werd er op 30 maart 2010 het protocol van kindermishandeling Justitie-Welzijn ondertekend door de Vlaamse minister van Welzijn, volksgezondheid en Gezin en de minister van Justitie. In 2013 werd er door een werkgroep van huisartsen en CLB-artsen een richtlijn voor goede medische praktijkvoering opgesteld voor de aanpak van vermoeden van kindermishandeling. In 2016 werd er vanuit het Federaal kenniscentrum gezondheidszorg ook nog een onderzoek gedaan naar hoe de detectie van kindermishandeling verbeterd kan worden.
Protocol Kindermishandeling Justitie – Welzijn
Het protocol kindermishandeling kwam er in 2010 en zorgt ervoor dat er overleg is tussen de federale overheid en de Vlaamse gemeenschap over de aanpak van kindermishandeling. De vertrouwenscentra kindermishandeling en de referentiemagistraten kindermishandeling nemen hier een belangrijke rol in op. Op Vlaams niveau resulteerde dit in het Vlaams Forum Kindermishandeling. (Vlaamse Forum Kindermishandeling, 2011) In dit protocol is ook een stappenplan te vinden voor kwaliteitsvolle interventie bij het vermoeden van kindermishandeling. Dit werd opgemaakt voor alle actoren die met kindermishandeling te maken kunnen hebben, zowel justitiële als welzijnsactoren (Vandeurzen, J & De Clerck S, 2010).
Richtlijnen voor goede medische praktijkvoering en aanpak van vermoedelijke kindermishandeling
Het doel van deze aanbevelingen is het ondersteunen van (huis)artsen in het vroegtijdig opsporen van risicosituaties, het herkennen van situaties en weten welke stappen ondernomen kunnen worden. Het is in eerste plaats gericht aan huisartsen, maar is ook bedoeld om andere artsen zoals pediaters of spoedartsen te ondersteunen in het thema.
Het werd opgesteld om artsen te helpen een goede inschatting te maken en het opsporen van kindermishandeling beter te begeleiden. De richtlijnen werden opgesteld in het belang van het kind. Verschillende definities van mishandeling worden uitgelegd en ook worden er linken gelegd tussen bepaalde letsels en mogelijke vormen van kindermishandeling. Op die manier kunnen artsen een belangrijke rol spelen in het beschermen van de kinderen.
Vervolgens worden ook tips gegeven om over het onderwerp in gesprek te gaan. Het is niet eenvoudig om ouders te spreken over het thema wanneer vermoed wordt dat mishandeling binnen het gezin plaats vindt.
Tot slot wordt ook stil gestaan bij de diensten waarmee samengewerkt kan worden. Aangezien dit een complex probleem is, kunnen bepaalde diensten gecontacteerd worden. Er wordt melding gemaakt van de vertrouwenscentra kindermishandeling, het OCJ en Kind & Gezin. Ook wordt stilgestaan bij het beroepsgeheim en het uitwisselen van informatie met andere diensten. Dit is belangrijk om het kind te beschermen. Op die manier probeert men tot richtlijnen te komen waardoor er een goede samenwerking kan komen tussen verschillende diensten.
Onderzoek federaal kenniscentrum voor gezondheidszorg
Het federaal kenniscentrum voor gezondheidszorg heeft onderzoek gedaan via de literatuur en via bevragingen naar het huidig beleid rond kindermishandeling. Dit zijn de belangrijkste bevindingen wat betreft kindermishandeling in het algemeen, maar ook specifiek voor het beleid in ziekenhuizen.
Uit het onderzoek blijkt dat huisartsen, psychiaters en urgentieartsen een belangrijke rol kunnen spelen bij het vroegtijdig detecteren van kindermishandeling, maar dat er soms gebrek is aan expertise rond het thema. Dit wordt ook aangetoond aan de hand van cijfers waarbij gesteld wordt dat er maar een heel klein aantal meldingen komt vanuit de medische sector in vergelijking met de jeugdhulp. Er wordt ook aangegeven dat er in veel spoedafdelingen geen protocollen zijn voor de signalering van kindermishandeling en wordt er vaak ook niet juist geregistreerd.
Om artsen beter bij te staan in dit thema wordt het betrekken van forensische artsen gesuggereerd als mogelijke oplossing omdat zij meer knowhow hebben over het thema. Zij zouden hulp kunnen bieden bij het diagnosticeren van kindermishandeling. Ook bijscholing wordt gezien als een noodzaak om artsen voldoende bewust te laten zijn van het thema en zo ook juiste inschattingen te kunnen maken. De suggestie wordt gedaan om tot een screeninginstrument te komen die artsen kunnen gebruiken bij het omgaan met het vermoeden van kindermishandeling.
Vervolgens wordt het feit dat er geen meldplicht is besproken. De onderzoekers duiden daarom op de nood aan een stappenplan voor zorgverleners dat moet gevolgd worden bij een vermoeden van kindermishandeling. Daarbij is er ook nood aan communicatie en overleg tussen verschillende diensten om in het belang van het kind zo goed mogelijk samen te werken.
Gezondheidszorg en jeugdhulp zouden zo goed mogelijk samen moeten kunnen werken zodat er enerzijds noodzakelijke medische zorg kan verleend worden, maar daarnaast ook ingespeeld kan worden op de psychosociale noden. Een brede, systemische aanpak waarbij er ook voldoende middelen zijn, lijkt noodzakelijk om een antwoord te kunnen bieden op de complexe problematiek. Een family justice center wordt naar voor geschoven als een goede optie, dat is een plek waar zowel welzijn als justitie samen zitten om rond het thema te overleggen en casussen te bespreken.
Wat gebeurt er in Amerika en vooral New Jersey rond het thema?
20ste eeuw
Vanaf de 20e eeuw is er in Amerika sprake van diensten die het welzijn van kinderen behartigen. Vanaf de jaren ’30 kwamen verschillende wetten die ervoor zorgden dat kinderen beter beschermd werden. Zo was er de Social Security Act van 1935 die ingevoerd werd met daarin de Aid to Dependent Children (ADC) om alleenstaande moeders een inkomen te verschaffen zodat de geringe jobs niet naar kinderen gingen die noodgedwongen in de fabrieken moesten gaan werken. Dit staat niet onmiddellijk in verbinding met kindermishandeling maar het was wel een eerste opstap naar een natie die de kinderen wilde verzorgen in plaats van uitbuiten. (Wikipedia)
In 1974 werd de ‘child prevention and treatment act’ (CAPTA) ingevoerd, dat standaarden uitzette voor het voorkomen van mishandeling van kinderen. (Maschi & Leibowitz, 2018). Deze wetgeving wordt regelmatig herbekeken en aangepast om te voldoen aan de maatschappelijke veranderingen. CAPTA omvat richtlijnen omtrent de preventie, beoordeling, opsporen, vervolgen en behandelen van kindermishandeling op federaal vlak. Elke staat dient deze regels op te volgen en verder uit te werken. (CAPTA, 2019)
Amerikaanse onderzoeken
Amerika houdt per staat cijfers bij van kindermishandeling en geeft jaarlijks een rapport in waarin de belangrijkste statistieken terug te vinden zijn. Uit het rapport van 2019 blijkt dat vooral professionelen (68.6%) instaan voor het melden van gevallen van kindermishandeling. Leerkrachten melden hierbij het meest, gevolgd door politiediensten en medisch personeel. Medisch personeel wordt gezien als mandated reporter. Dit wil zeggen dat zij verplicht zijn volgens de wet om kindermishandeling te melden.
Onderzoek naar kindermishandeling is in Amerika uitgebreid aanwezig. Zo zijn verschillende boeken te vinden waarin mogelijke vormen van fysieke mishandeling beschreven worden. Vaak worden deze boeken geschreven specifiek voor gemandateerde professionelen die geacht worden kindermishandeling te melden en dus ook te weten wanneer er sprake is van kindermishandeling (Giardino A, Shaw L, Patricia M, Speck M & Giardino E, 2015)
Kinderziekenhuizen
In 2000 besloot het bestuur van NACHRI kindermishandeling te beschouwen als een prioritair maatschappelijk probleem en werkten ze aangepaste werkwijzen uit om de kwaliteit van de medische hulpverlening in deze gevallen te verbeteren, zowel als het herkennen en versterken van de rol die kinderziekenhuizen kunnen spelen in het identificeren en behandelen van vermoedelijke kindermishandelingsgevallen. Kinderziekenhuizen werken dan ook nauw samen met de andere medische instellingen waar kinderen behandeld kunnen worden. In 2006 werden deze richtlijnen van de NACHRI officiëel gepubliceerd onder de naam “Defining the Children’s Hospital role in Maltreatement.” Hierin worden 3 verschillende niveaus van het behandelen van vermoedelijke kindermishandeling beschreven, afhankelijk van de elementen aanwezig in het ziekenhuis, met name basishulp, gevorderde hulp of een expertisecentrum voor kindermishandeling. (NACHRI, 2016)
De basishulp omvat tenminste één arts met medische expertise, een administratieve hulp om te coördineren en een sociaal werker die een opleiding rond kindermishandeling genoten heeft.
De gevorderde hulp omvat een spoedafdeling, een traumacenter, een brandwondenafdeling en een academische afdeling. Het team verantwoordelijk voor de patiënten waar er een vermoeden van kindermishandeling bestaat wordt geleid door een gespecialiseerde pediater en heeft meer werknemers, zijn eigen administratie en management. Ze vergaderen regelmatig over de bestaande en nieuwe dossiers, en hebben ook contacten met andere instituten die zich bezighouden met kindermishandeling. Kinderen die opgenomen worden in andere ziekenhuizen met geen gespecialiseerde hulpverlening in kindermishandeling zullen bij vermoeden ook naar dit kinderziekenhuis verwezen en overgebracht worden.
Tenslotte hebben we nog het expertisecentrum die op nationaal vlak opereren. Zij hebben grote teams gespecialiseerd in kindermishandeling en zullen buiten de gewoonlijke artsen, administratieve krachten en sociaal werkers ook nog psychologen terplekke aanwezig hebben. Zij werken in onderlinge verbinding met andere regio’s, en werken geavanceerdere diagnoses en behandelingen uit.
De kinderziekenhuizen onderhouden een goede relatie met niet-gespecialiseerde ziekenhuizen. Zo kunnen hun kinderartsen die gespecialiseerd zijn in kindermishandeling ingeschakeld worden wanneer er vermoeden is van kindermishandeling op de spoeddienst van niet-gespecialiseerde ziekenhuizen. (NACHRI, 2016) Kinderziekenhuizen bedragen echter slechts 5 procent van de aangeboden zorginstellingen in de VS.
“Alle kinderziekenhuizen zien kindermishandeling en verwaarlozing. Het is een onvermijdelijk gezondheidsprobleem ongeacht of het ziekenhuis een gespecialiseerd kinderbeschermingsteam in dienst heeft of niet. Of er een mishandeld kind de spoeddienst binnenkomt of mishandeling vermoed wordt tijdens een huisbezoek, elk ziekenhuis heeft een onmiddellijke verantwoordelijkheid om direct zorg te verschaffen. De verantwoordelijkheid is zelfs groter al wetende dat veel van de opgenomen en ambulante patiënten van het kinderziekenhuis een verhoogd risico hebben op mishandeling. Dit geldt zeker voor kinderen met speciale noden of afkomstig uit een arm gezin.” (Eigen vertaling, CDC, 2011)
Andere ziekenhuizen
Aangezien de kinderziekenhuizen zo beperkt zijn, worden vele patiënten initieel binnengebracht via een regionaal ziekenhuis. Er bestaan bijkomende richtlijnen voor alle ziekenhuizen die zorg aan kinderen aanbieden. Zo dienen er gekende procedures opgelegd zijn bij opnames en ambulante verzorging van kinderen via de spoeddienst die voorzien in het identificeren van mogelijke kindermishandeling. Er moeten ook procedures voorzien zijn om de vermoedelijke kindermishandeling te rapporteren met een consultatie van een expert die een gegronde diagnose stelt en in de ondersteuning van de patiënt voorziet. Er moeten bijgevolg ook goed uitgewerkte procedures zijn om een expert aan te wijzen, die eveneens de wetten van de staat respecteert aangaande de aangifteplicht.
Een kinderarts met expertise in kindermishandeling dient steeds aangesteld te worden om de nodige bevindingen te doen. Er dient ook een interne ziekenhuismedewerker ter plaatse te komen die kennis heeft van alle richtlijnen en procedures om de constaterende arts te begeleiden en procedurefouten te vermijden. Verder dient er een sociaal werker aangesteld te worden om de administratie en communicatie te voorzien tussen diensten. En tenslotte is het een vereiste dat elke zorginstelling dat in contact komt met minderjarige patiënten constant bijgeschoold wordt in het herkennen en erkennen van kindermishandeling. (NACHRI, 2016)
De artsen die een vermoeden hebben van kindermishandeling dienen ook onmiddellijk de CP&P (Child Protection en Permancy) te verwittigen terwijl zij de andere stappen zetten. Zo heeft het de directeur van het ziekenhuis of eender welke arts dan het recht de ouders gedurende drie dagen te ontvoogden om het kind te beschermen. Zo wordt het kind niet onmiddellijk terug naar een mogelijk gevaarlijke omgeving gezonden en kan het CP&P de vermoedens onderzoeken. Als de vermoedens bevestigd worden zal er gezocht worden naar een alternatief binnen de verdere familie of een pleeggezin, terwijl de juridische kant verder uitgespit wordt om de daders te bestraffen. Als er geen kindermishandeling was, dan wordt het kind na drie dagen terug vrijgegeven aan de ouders of voogden. (nj.gov)
In New Jersey hebben niet enkel professionelen meldplicht. Alle burgers hebben eveneens meldplicht via het telefoonnummer 1-877 NJ ABUSE (1-877-652-2873) en kunnen vervolgd worden wanneer ze dit niet gedaan hebben. (State of New Jersey)
Sociaal werk in de Belgische ziekenhuizen
Bij het zoeken naar de rol van de sociaal werker in het ziekenhuis bij een geval van kindermishandeling, werd zeer weinig informatie gevonden. Om deze reden zijn we op zoek gegaan naar de rol van een sociaal werker in het ziekenhuis in het algemeen om dan later te kijken via de interviews hoe dit gekoppeld kan worden aan ons thema.
Sociaal werk in het ziekenhuis is een discipline die lange tijd onderbelicht is gebleven. Pas in 2010 werd een beroepsvereniging opgericht voor sociaal werk in het ziekenhuis. Deze heet Beroepsvereniging Sociaal Werkers Ziekenhuizen (BSWZ). Zij gaan ervan uit dat sociaal werk een effect heeft op de efficiëntie van de werking van een ziekenhuis en op de tevredenheid van patiënten. Dit zowel op het vlak van psychosociale begeleiding als op de perceptie van de medische zorg (BSWZ, 2010). Vanaf 2016 kwam er ook vanuit de federale overheidsdienst in samenwerking met het werkveld een beroepscode opgesteld voor sociaal werkers in het ziekenhuis en een gids opgemaakt voor ziekenhuizen om sociaal werk zo goed mogelijk te implementeren en de inhoud van sociaal werk in het ziekenhuis duidelijk te maken.
Hierin wordt uitgelegd dat de expertise van de sociaal werker in het ziekenhuis er vooral in bestaat om een verbindingsfiguur te zijn tussen de intra en de extramurale partners, tussen het formeel en het informeel netwerk. De bedoeling is dan steeds om een betere aansluiting te vinden tussen die organisaties en de hulpvrager. Verder beweegt de sociaalwerker tussen het ziekenhuis en de maatschappij in het kader van de hulpvrager. Dit is geen evidente rol omwille van de complexiteit van de sociale wetgeving want dat maakt moeilijk om de hulpvrager gemakkelijk hun weg te vinden naar bepaalde organisaties of hulpdiensten. Hier is het opdracht van de sociaal werker om te zorgen dat patiënten ook correct geïnformeerd worden over hun rechten en plichten. (FOD Volksgezondheid, 2016)
Het is belangrijk om aan te geven dat er in deze uitgaven vooral geduid wordt op de algemene taken van een sociaal werker in het ziekenhuis. Zo kan een sociaal werker ingeschakeld worden bij casussen waar er een sociaal onderzoek of psychosociale anamnese nodig is. Ook psychosociale hulpverlening, zorgcoördinatie en concrete hulp om de bestaansvoorwaarden van een patiënt te verbeteren wordt centraal gesteld. Ook preventie, belangenbehartiging en signalering worden als centrale taken naar voor geschoven. De link met kindermishandeling ontbreekt hier nog, maar bij een bepaalde casus zou er wel vanuit gegaan kunnen worden dat deze kerntaken van een sociaal werker ingezet kunnen worden om een geval van kindermishandeling zo goed mogelijk uit te klaren en continuïteit van zorg te garanderen.
Sociaal werk in de ziekenhuizen van New Jersey
In New Jersey zijn er mogelijk zowel interne als externe sociaal werkers actief bij het beoordelen van vermoedelijke kindermishandeling op de spoeddienst. Binnen het kinderziekenhuis zitten sociaal werkers in het gespecialiseerde team, terwijl men bij andere ziekenhuis vooral beroep doet op de sociaal werkers van het CP&P. Ook bij de kinderziekenhuizen wordt het CP&P ingelicht, maar wordt diegene die het dossier verder opvolgt ook bijgestaan door de sociaal werker van het ziekenhuis zelf.
De sociaal werkers binnen het kinderziekenhuis hebben een licentie en zijn gespecialiseerd in het omgaan met kindermishandeling.
Wanneer er basishulp verleend wordt in het kinderziekenhuis, richten ze zich op het detecteren, beoordelen en voorkomen van kindermishandeling. Verder lichten ze familie, omgeving en kinderen in over het concept en de situatie om hen daar verder in te begeleiden. Ze zullen tussenkomen bij het vermoeden van kindermishandeling en iedereen aan rechten en plichten herinneren. Ze kunnen helpen met het invullen van allerlei documenten en volgen van procedures. De sociaal werkers hebben een heel goede kennis van de wetten omtrent kindermishandeling en kunnen hierdoor ook diepgaande informatie verschaffen. Ze volgen gezinnen ook op om verdere mishandeling te vermijden. En tenslotte ondersteunen ze artsen en administratieve krachten terwijl ze samenwerken met andere diensten zoals de Kinderbescherming (CPS) en de politie.
Bij de gevorderde basishulp wordt dit nog verder uitgebreid. De sociaal werker zal hier ook meer permanentie hebben en gedurende een volledige crisis vereist zijn aanwezig te blijven. Ze dragen eveneens bij aan het opleiden en informeren van andere diensten en ziekenhuiswerknemers omtrent kindermishandeling zowel als de psychosociale, juridische en geestelijke gezondheidsaspecten van kindermishandeling. Verder dragen ze ook bij tot het ontwikkelen van een ontslagprocedure van het ziekenhuis dat de veiligheid en bescherming van het kind garandeert, en adviseren ze andere artsen en afdelingen waar nodig. Tenslotte wordt er ook op hun expertise beroep gedaan om te fungeren als expert-getuige op de rechtbank.
In een kinderziekenhuis dat fungeert als expertisecentrum zal de sociaal werker bovenop bovenvermelde taken ook nog beleidsmatige taken op zich nemen. Zo worden ze verantwoordelijk gesteld voor het correct in dienst nemen van sociaal werkers in de andere teams om de hulpverlening aan de hand van het aantal slachtoffers van kindermishandeling, te garanderen. De sociaal werker zal hier ook mee bijdragen tot het opstellen van procedures en reglementen, en het verbeteren van kwaliteit van de hulpverlening, enzoverder. (NACHRI, 2016)
De taken van de sociaal werker van het CP&P die het dossier beheert van de patiënt die vermoedelijk mishandeld werd, zijn toch iets anders en kunnen ook weer variëren naargelang de beoordeling van de spoedarts.
Als de arts of ziekenhuis zelf het eerste contact gelegd heeft zal de sociaal werker de ouders inlichten over de situatie met informatie over de ‘hold’-procedure waar zij gedurende 3 dagen hun kind niet mee mogen nemen naar huis en/of bezoeken aan de hand van een officieel document, CP&P formulier 14-47. Vervolgens gaan ze een werkveldonderzoek doen naar de omstandigheden waarin het kind leeft en de vermoedelijke kindermishandeling heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek omvat het ondervragen van de eerste hulpverlener, het kind, getuigen, anders artsen en verplegers, de mogelijke daders en alle andere partijen die mogelijk meer kennis hebben van de feiten. Vervolgens gaan ze medische verklaringen en andere medische documenten van het ziekenhuis verzamelen om een betere kijk te krijgen op de situatie. Aan de hand van al deze gegevens gaat de sociaal werker dan beslissen of er nog langer toezicht gehouden moet worden op het kind of deze terug naar huis kan. En of er al dan niet gerechtelijke stappen dienen ondernomen te worden.
Als de sociaal werker het kind niet naar huis wil sturen gaat het CP&P via de rechtbank tijdelijke voogdijschap aanvragen. Ondertussen zoekt de sociaal werker naar een alternatieve woonomgeving voor het kind tussen andere bloedverwanten of als dit niet mogelijk is, in een pleeggezin. (State of New Jersey)
Wanneer de arts geen contact gelegd heeft, maar iemand anders het CP&P ingeschakeld heeft, dan zal de sociaal werker ook geen medische verklaring ontvangen van de arts waar de vermoedelijke kindermishandeling op vermeldt staat. In dat geval volgt de sociaal werker een ander procedure om het kind te beschermen. Het voorlopig dossier wordt dan doorgestuurd na contact naar het ‘Regional Diagnostic and Treatment Center’ (RDTC). Deze regionale centra werden specifiek gecreëerd met als doel medische hulp te verschaffen en mentale gezondheid te evalueren van mishandelde kinderen. Zij hebben het meeste expertise in het beoordelen en behandelen van kindermishandeling en zullen hun bevinding na een medische afspraak dan ook overmaken aan de sociaal werker van het CP&P om verdere acties te bepalen. (State of New Jersey)

















