Mijn moeder - mijn moederkloek
Laatst kwam ik, met het gracieuze tempo van een door de tijd gegeselde, licht voorovergebogen grijsaard — zeg maar gerust ‘oude wijze ziel’ als je de eufemismen verkiest — nog eens op het lokaal kerkhof. Daar waar mijn moeder, mijn rots in de branding, tussen andere groten van onze kunst-gemeente rust. “Wat een gezelschap,” denk ik soms. “En toch moest mijn moeder daar ook bij liggen, wat een ironie.” Alsof zij, de koningin van de pot-au-feu, met hen het intellectuele tafelgesprek zou voeren. Ach, mijn moeder zou het nog kunnen ook, tussen de soep en de patatten door.
Nog steeds denk ik vaak aan het verlies. Niet dat ik het verlies niet een beetje gewend ben, hoor. Ik bedoel, ik ben tegenwoordig ook al mijn eigen autosleutels kwijt binnen het uur. Maar dat gemis, dat gevoel dat diep in de nacht opkomt als ik in mijn dromen rondloop door de kamers van vroeger — dát rouwt. Regelmatig. Het is alsof mijn gedachten dansen op het kerkhof van mijn herinneringen, en daar de grafzerken omarmen als vrienden die ze te lang niet hebben gezien. Wat mis ik toch die tijd toen mijn moederkloek er nog was voor mij, me onder haar vleugels nam en ik even veilig was voor de wind van de wereld. Een soort nostalgie, zo kleverig dat je er haast je schoenen in verliest.
En o, wat mis ik nog steeds mijn mama. Je weet wel, die vrouw die niet alleen mijn brood smeerde maar ook mijn ego, en dat zonder veel commentaar — behalve dan wanneer ze vond dat ik mijn haar moest kammen. "Je bent toch geen zwerver," zei ze dan, alsof ik op weg was naar een sollicitatie als stadsbedelaar. Als ik erover nadenk wat een gat haar afwezigheid heeft geslagen, verdwijnen alle andere zorgen als sneeuw voor de zon. Ze lijken plotseling zo futiel, alsof ik me druk maak over de kleur van het servet terwijl het huis in brand staat.
Haar leven was mooi. Ze heeft goed geleefd, ze heeft zeer lang geleefd, en voor iemand die zich ooit afvroeg of "die Dom Pérignon eigenlijk wel zo speciaal is" had ze behoorlijk chique momenten.
Maar haar einde… nee, haar 'einde' was niet zo fraai, ze heeft afgezien, véél afgezien! Dank je wel, Corona, voor dat hoofdstuk van afstand en koude regels. Niet eens meer een hand op haar hand, geen laatste kus op haar voorhoofd. Nee, we waren instant gescheiden, mijn moeder en ik. Niet door continenten, maar door een wetgevingsmuur dikker dan menig Berlijnse constructie ooit was. Verboden. Weigeringen. Hoe absurd ook. En dan te bedenken dat ze ooit zei: "De enige wet die ik volg, is mijn instinct." Tja, dat instinkt had ook niet tegen een pandemie opgekund door de beslissingen van bepaalde politici uit Brussel.
Toch probeer ik het goede te herinneren, het mooie aan haar. Want hoe kan ik anders? Want een moeder, ja, een moeder blijft een moeder. Al groeit ze uit tot een herinnering, ze blijft de spil waar alles om draait, ook al zijn de wielen al lang doorgerold naar een ander leven. En een mama, ach, een mama is voor altijd een mama. Haar afwezigheid is als een ontbrekende noot in de symfonie van mijn dagen, maar wat een melodie heeft ze nagelaten!










