4HAVO: leren voor de toets (hfd. 2 van Na klar!)
De grammatica en de Redemittel (Nederlands-Duits) van hoofdstuk 2 van Na klar!
Hoe bepaal je welke naamval de juiste is?
Ontleden. Als je de zin ontleedt, weet je of het om een onderwerp (1e naamval), naamwoordelijk deel van het gezegde (1e naamval), bezit (2e naamval), meewerkend voorwerp (3e naamval) of lijdend voorwerp (4e naamval) gaat.
Voorzetsels. Jullie hebben de voorzetsels met de 3e en 4e naamval en de keuzevoorzetsels geleerd.
Werkwoorden. Bepaalde werkwoorden krijgen een bepaalde naamval. Het gaat o.a. om helfen, danken en gratulieren (3e naamval) en es gibt, fragen en bitten (4e naamval). Kijk bij de grammatica van hoofdstuk 2 van Na klar! welke werkwoorden je moet leren!
Vervoegingen van lidwoorden en persoonlijke voornaamwoorden
Als je weet welke naamval je moet kiezen, moet je nog weten hoe je de lidwoorden (de der-groep en ein-groep) en persoonlijke voornaamwoorden correct vervoegt. Hoe dat moet hebben we uitgebreid geoefend en het staat natuurlijk ook in Na klar! en op het schema van meneer Brinkman. Leer dat goed uit je hoofd!
Wil je nog een keer oefenen met bijvoorbeeld de naamvallen en/of de voorzetsels? Ga dan naar deze site:
www.duits.de/oefenen/grammatica
Een andere manier van oefenen is nog een keer de oefeningen uit het werkboek maken en nakijken met de antwoordbladen die ik heb uitgedeeld.