Op kantoor verrichtte ik mechanisch het opgedragen plichtmatige werk en de rest van mijn tijd bracht ik door met boeken en muziek. Omdat mijn werk een saaie, plichtmatige bezigheid was, besloot ik de rest van de tijd zo goed mogelijk te benutten om zo nog iets van het leven te maken. Ik ging na kantoortijd ook nooit met collega's van kantoor iets drinken. Niet uit verlegenheid of omdat ik asociaal ben en ik mijn eigen tijd zo veel mezelf wilde houden, maar ...
De twaalf jaar vanaf dat ik ging studeren tot aan mijn dertigste leefde ik in wanhoop en eenzaamheid.
....
Ik at alleen, wandelde alleen, ging alleen zwemmen en ging alleen naar een concert of een film. Ik voelde me niet speciaal triest of bitter. Ik sloeg de tijd stuk met het bedenken van manieren om het goed te maken. Wat zou he tmooi zijn als dat zou kunnen. Maar ik deed geen enkele daadwerkelijke poging. Je was was tenslotte al uit mijn leven verdwenen. Ik begon in mezelf te praten en 's avonds dronk ik in mijn eentje.














