Afb. 1 To float away with the passing clouds I
Afb. 2 To float away with the passing clouds II
Afb. 3 To float away with the passing clouds III
Afb. 4 Jan Fabre - een werk uit ‘De jaren van het uur blauw’
Afb. 5 Jan Fabre - tentoonstellingsoverzicht
__
Tijdens het maken van deze tekeningen werd ik gewezen op het werk van Jan Fabre. Hij heeft in de jaren ‘80 een serie tekeningen gemaakt onder de verzamelnaam ‘de jaren van het uur blauw’. De pentekeningen zijn verschillend van onderwerp maar zijn allemaal gemaakt met blauwe Bic-balpennen.
Blauw is een kleur die zowel binnen als buiten de kunst een rijke traditie aan associaties en betekenissen vertegenwoordigd. In de schilderkunst ligt er bijvoorbeeld een mooie verwijzing naar het atmosferisch perspectief, waarbij het gebruik van blauw een grote rol speelt. Hiermee kan een indruk van diepte in het schilderij worden gebracht. Het gaat daarbij om de effecten die afstand heeft op de kleuren in een landschap. Volgens Wikipedia zijn ‘deze effecten allen te herleiden tot verstrooiing. Bij grotere afstand is de luchtkolom tussen waarnemer en ver verwijderde voorwerpen erg lang, zodat licht van boven soms wordt verstrooid naar de waarnemer toe en licht afkomstig van het voorwerp zo wordt verstrooid dat de waarnemer daardoor niet meer bereikt wordt (Verstrooiing is een letterlijke vertaling van Dispersion, het fenomeen dat Seth Price inzet voor zijn onderzoek naar appropiatie.).
Voor Fabre verwijst deze kleur blauw naar het moment waarop de wereld ontwaakt. Dit is poëtisch maar draagt ook een kritiek in zich: ‘ik laat jou een beeld zien dat over ontwaken gaat, wordt nou eens wakker!’.
Door het tekenen met deze kleur verbind hij diverse onderwerpen en objecten aan de wereld van het blauwe uur. Sommige van zijn tekeningen lijken een ruimte op zichzelf te worden, waar je als toeschouwer in kunt verdwijnen. Dat je in een tekening kunt verdwijnen, zoals je in gedachten kunt verdwijnen, vind ik een heel interessant gegeven. Een plaats waar je kunt zijn, los van alle verwachtingen, externe prikkels en zonder plan of doel. De tekening verbeeld dus een ruimte en de kleur blauw zorgt voor een mysterieuze sfeer. Mysterieus in de zin van ongrijpbaar, niet meetbaar, immaterieel. Mijns inziens heb je dan geen ‘onderwerp’ meer nodig... maar het feit dat Fabre wel werkte met onderwerpen geeft aan dat de tekeningen ook verwijzen naar een betekenis die daarbuiten ligt.
De manier waarop zowel Fabre als ikzelf de pen hanteren heeft iets maniakaals in zich; een ‘ongecontroleerd’ krassen, een bijna agressieve handeling. Die handeling is een verovering op het papier of object, een eigen-maken ervan. Dit is eigenlijk ook wat er gebeurd als de de pen gebruikt waarvoor die bedoeld is: schrijven.
Schrijven kan een vorm zijn van het eigen maken van gedachten, die door het schrijven materiaal worden. Ook in het schrijven vind dus een materialisatie van de mentale ruimte plaats. De inkt is het resultaat van de handeling die uitgevoerd wordt.
Door die handeling wordt het karakter van de oppervlakte vormgegeven. Dat karakter is bepalend voor de interpretatie van de toeschouwer. In mijn werk verbeeld ik naar een rustig, introspectief karakter dat niet te negeren is en zowel een vijand als een vriend kan zijn. Zoals de zee bij hitte als welkome verkoeling kan dienen en met haar overstromingen rampen kan veroorzaken vormt een teveel aan introspectie ook een gevaar. In de tekening mag dit voelbaar zijn, daarom maak ik gebruik van krassen en lijnen (link). Tegelijkertijd brengt de veelheid van de krassen ook een meditatieve staat met zich mee, die een connectie legt op de rust en introspectie.
In de Bic-tekeningen van Fabre die aan de wanden, of in ieder geval ‘als tekening’ gepresenteerd worden zou je als toeschouwer kunnen ‘verdwijnen’. Dat dit mogelijk is heeft gedeeltelijk te maken met het formaat. Maar in een groot werk als Chateau Tivoli in Mechelen (foto), is het verdwijnen in het beeld juist niet aan de orde. Daar is de tekening een huid, een extra laag die iets verbergt.
De tekening als huid kan ingezet worden voor mijn eigen beelden, zoals dat gebeurd is bij de krijttekening in het atrium (link). Maar het ‘inpakken’ van een object of een gebouw is volgens mij inhoudelijk een heel ander gebaar, sowieso omdat het qua uiterlijk een sterke overeenkomst vertoond met het werk van Christo en Jeanne-Claude. Dat Fabre zich hiervan waarschijnlijk bewust was zie ik terug in het feit dat bekend is dat hij voor dit project samenwerkte met assistenten.
Hieruit concludeer ik dat het verdwijnen in een tekening alleen mogelijk is als deze herkenbaar is als tekening omdat daarin een soort onbepaaldheid aanwezig is die een object niet heeft.