Uitgeput en buitenadem, strompelde ik door wat leek op een buitenaards bos. Ik keek constant achterom maar ik zag niemand en ik hoorde geen motorgeluiden. De vreemde voertuigen en hun bestuurders waren me dus niet gevolgd. Ik vroeg me af of ze me ooit hadden achtervolgd, of dat het allemaal maar mijn angstige verbeelding was geweest. Ze zouden me toch zeker gezien moeten hebben toen ik op hen afliep? Ik was niet verstopt, ik maakte lawaai en ik was het enigste ding dat bewoog op een grote zandvlakte. Waarom waren ze me niet gevolgd? Of waarom hadden ze me niet gezien?
In dit vreemde bos voelde ik me verdwaald. Ik ging helemaal nergens naartoe en elke stap die ik zette was een stap verder deze rare plek in. Als ik een stap terug zette dan voelde dat exact hetzelfde aan. Eigenlijk wou ik gewoon van alles om me heen weg lopen en wou ik weer iets vertrouwd tegenkomen. Maar ik vond niets dat ik herkende dus er was niets om naartoe te gaan. De wrakstukken van het ruimteschip waren de enigste dingen geweest op deze wereld die ik een beetje begreep. Nu was ik verloren gelopen in dit rare landschap. Nu ja, ik was niet echt verloren. Ik wist waar ik vandaan was gekomen en ik wist dus min of meer mijn weg terug naar het strand. Maar werkelijk was ik op het strand even verdwaald geweest als hier. In dit vreemde oord was ik overal verdwaald en hoorde ik nergens thuis. Ik wist niet of ik de goede richting uit liep of dat ik steeds meer verloren liep. Ik liep gewoon.
Hoe was ik op deze planeet terecht gekomen? Het was zo absurd. Ik had nog nooit in een raket of ruimteschip gezeten. Ik was geen astronaut. Ik wist niets van deze planeet af. Dit was niet Mars, Jupiter, Uranus of een andere planeet waarover ik vroeger op school geleerd had. Bestond deze planeet wel? Soms keek ik om me heen en dacht ik dat ik droomde. Niets leek echt. Alles was net iets te kleurrijk en net iets te vreemd om echt te zijn.
Vreemde planten in vreemde kleuren torenden boven me uit. Het bladerdak was oranje. Ik stapte over wat gevallen bladeren heen. Verbaasd stopte ik en bukte ik me om een blad op te rapen. Ik voelde er aan. Het was niet echt een blad. Meer een grote brede veer. Zoals de veren van vogels. Alleen voelde het koud aan, zoals een blad. Hoe kunnen planten aan fotosynthese doen als hun bladeren oranje zijn? Vroeg ik me af. Misschien waren het niet eens planten. De stammen van de 'bomen' varieerden veel van kleur. Wit. Grijs. Beige. Bruin. Niets donkerkleurig. Ook de bodem van het bos: De 'aarde' was hier niet zo donker als de aarde er zou uitzien op ... Aarde. Het was hoogstens een donkerbeige tint. Op de bodem van het bos groeiden er ook struikachtige dingen in allerlei vormen en formaten, en met gelijkaardige oranje bladeren. Maar ook dingen die niet op planten leken groeiden hier. Wat waren het? Paddenstoelen? Koralen? Ik vond exemplaren in alle mogelijke kleuren. Felrood. Felblauw. Geel. Soms waren ze bolvormig en soms hadden ze vertakkingen en leken ze bijna op vreemde cactussen zonder stekels. De vreemdste plant(?) die ik zag was iets dat leek op een gekke blauwe blubber dat over stukken bodem van het bos lag en her en der de boomstammen op kroop. Het was alsof iemand grote klodders van blauwe kauwgom in het bos had rondgehangen. Uit nieuwsgierigheid had ik er aan gevoeld maar het was helemaal niet zoals blubber. Het voelde sponsachtig aan. Sponsmos, dacht ik. Natuurlijk.
Blauw spons-kauwgom-mos.
Ik voelde me heel ongemakkelijk in het kleurrijke bos. Voor een lange tijd wist ik niet waarom maar plots kwam het in me op. Het was er te stil. Af en toe dacht ik iets te horen. Dan stopte ik met stappen en luisterde ik. Soms bleek dat er een stil geluid klonk van ergens anders in het bos, ver van me af. Een geluid dat snel genoeg weer weg stierf. Het waren niet altijd dezelfde geluiden, maar ik wist nooit wat het was. Voor mij waren ze allemaal even vreemd. Vele vaker echter stopte ik met stappen en hoorde ik helemaal niets meer. Het geluid was dan van mijn eigen voetstappen gekomen want dat was hoe stil het bos was. Geen wind in de takken. Geen insectengezoem. Geen vogels. Ik zou gehuild hebben van geluk als ik gewoon een simpel musje kon horen tsjilpen. Maar hier waren geen vogels. Ik wandelde voor een lange tijd door het bos zonder enig idee te hebben van waar ik mee bezig was. Geleidelijk aan kalmeerde ik ook wat. Het bos was zo stil en er gebeurde zo weinig dat ik er langzaam van overtuigd werd dat ik er alleen in rondliep. Dat was een rustgevende gedachte. Al was het helemaal verkeerd.
Op een zeker moment terwijl ik door het bos wandelde, zag ik iets vreemd op een boom groeien. Het was zo vreemd dat ik stopte en er geïntrigeerd naar staarde. De plant was zo raar dat ik mij er ongemakkelijk bij voelde. Het was blauw zoals het sponsmos en het... het... Had die plant nu ... ?
Was dat een ledemaat?
Plots bewoog de plant. Eerst een beetje. Het bewoog zijn arm. Ik verschoot, schreeuwde en deinsde achteruit. Toen schoot het ding in beweging. Het sprong van de boom af en ik schreeuwde in paniek, bedekte mijn gezicht en dook weg. Het ding landde ergens ver uit mijn buurt. Ik hoorde het over de bosgrond draven en dan hoorde ik dat het geluid omhoog ging. Ik keerde mijn hoofd terwijl ik in foetushouding op de grond lag en ik zag ergens boven me takken bewegen. Het ding was in een andere boom geklommen. Ik zag flitsen van blauw door de bladeren bewegen. De bewegende takken verwijderden zich van me. Het buitenaardse ding was weg.
Toen ik het niet meer hoorde, barstte ik in tranen uit. Gedurende mijn verblijf op die vreemde planeet zou ik niet meer dan zes keer huilen. Voor hoe lang ik er gebleven ben, valt dat best wel mee. Geloof me. Dit was de eerste keer dat ik huilde en het is moeilijk uit te leggen waarom ik toen huilde. Misschien had ik tot dan toe ergens gedacht dat het misschien allemaal niet echt was, of dat het een soort van wrede grap kon zijn. Dat de hele wereld rondom me nep was. Maar toen ik voor het eerst een buitenaards wezen zag, voelde ik dat het echt was. Het kon niet anders. Naast de angst van het vreemde die me die eerste dag constant overmande, was het de realisatie dat ik echt vast zat in dit vreemde oord die me gek maakte. Ik lag daar en ik huilde.
Op een zeker moment kroop ik echter weer recht en wandelde ik angstig verder. Ik kon niet zomaar blijven liggen in dit vreemde bos waar de buitenaardse monsters overal konden schuilen. Ik probeerde niet te denken aan het wezen dat ik gezien had, hoe het er uitzag of wat het aan het doen was toen ik het vond. In plaats daarvan probeerde ik het juist te vergeten. Net zoals ik niet probeerde te denken aan hoe de bestuurders van de voertuigen er hadden uitgezien. Alsof dat mijn problemen zou oplossen. Deze keer voelde ik me nergens veilig bij. Bij elk takje dat kraakte onder mijn voeten, verschoot ik. Ik keek constant om me heen. Soms als ik dichtbij een vreemd geluid hoorde, riep ik terug zodat het geluid stopte. Zo hoopte ik de rare monsters van het bos van me weg te jagen, maar het deed me niet minder bang voelen omdat ik tegelijkertijd besefte dat een nieuwsgierig buitenaards wezen misschien juist op mijn geschreeuw zou afkomen.
Ik heb weinig herinneringen nog over van de rest van mijn eerste dag, maar ik weet nog goed dat de roze zon begon te zakken en het tot mijn schrik donker begon te worden. Ik herinner me dat ik probeerde te rennen om de duisternis voor te zijn, om niet in dat bos te hoeven zijn wanneer de duisternis viel, maar het had geen nut. De nacht kwam, mijn zicht verdween en de geluiden van het bos werden luider en kwamen steeds vaker dichterbij. De duisternis omsingelde me. Ik wist helemaal niet waar ik heen ging. Ik liep waarschijnlijk in cirkels. Ik schreeuwde. Ik schreeuwde naar alles dat ik hoorde bewegen.
Op een zeker moment liet ik me uitgeput vallen op de bosgrond. Ik duizelde. Ik hoorde hoe vreemde wezens in de duisternis langs me liepen. Ik zag schimmen van verwrongen creaturen om me heen staan. Ze kwamen dichterbij.
"Ga weg!" riep ik naar ze, waarbij ze wegstoven.
Maar ze kwamen terug.
"Ga weg!" schreeuwde ik wanhopig "Laat me met rust!"
Het is diep in die nacht terwijl ik het onbekende om me heen hoorde schuifelen in de absolute duisternis, dat ik ook voor mijn tweede keer huilde. Ik weet niet of iemand kan flauwvallen van angst, maar iets in die aard moet gebeurd zijn. Misschien was het omdat ik zo vermoeid was. De duisternis werd me te veel en plots was alles weg.
Alles was weg...
...
Er kwam iets anders in de plaats. Een vreemde droom. Eerst zag ik alleen maar zwart. Zelfs in mijn dromen had de duisternis voortgezet. En ook in deze droom lag ik op de grond. Maar hier lag ik op mijn rug terwijl de duisternis me tegen de bodem drukte. Nee, niet zomaar de duisternis. Er zat iets op mij. Twee bloedrode reptielenogen verschenen boven me. Ze staarden me aan. Ik begreep langzaamaan wat ik voelde. Een zwart wezen van pure duisternis was in mijn bijzijn. Ik zag de donkere schubben glimmen. Ik voelde het zware kronkelend lichaam dat bovenop mij lag. Ik zag een hals, een kop en een gespleten tong die naar buiten gleed. Het was een slang. Een grote zwarte slang die mij aankeek. Het leek alsof het naar mij grijnsde. Kan een slang lachen?
"Wordt wakker, Adam." sprak de slang.
Ik opende mijn ogen. De slang verdween en de duisternis trok weg.
Het licht was al aan het terugkomen. De geluiden waren weer zachter en verder weg. Ik lag alleen op de bodem van datzelfde vervloekte bos. Ik had waarschijnlijk voor een tijdje geslapen maar ik wist niet hoe lang. Meer dan een paar uur toch wel. Het was genoeg om de volgende dag te doen beginnen, maar niet genoeg voor mij om van mijn vermoeidheid af te geraken. Ik ging rechtop zitten en keek om me heen. Ik lag ergens in dat bos. Ik wist niet waar ik was, ik wist niet of dit dezelfde plek was waar ik in slaap was gevallen of niet en ik wist al zeker niet meer waar ik vandaan was gekomen. Maakte het nog iets uit?
Vermoeid stond ik op, zonder te weten hoe ik verder moest.
En zonder te weten hoe ik verder moest, ging ik verder. Grappig hoe dat gaat. Mijn gedachten waren weg, opgeslokt door de vermoeidheid. Het was alsof mijn hoofd helemaal leeg was. Maar in alle sufheid dacht ik nog even terug aan die vreemde droom voor ik hem weer zou vergeten.
De man zag er volledig menselijk uit, maar hij was alles behalve dat. Enkel een fluorescerende glim in zijn ogen gaf weg dat zijn ware gedaante anders was. De man droeg een formeel zakelijk pak, compleet met groene das en dure schoenen, maar zijn kledij was bedenkt met vettige plekken. Vlekken van onbekende chemische producten die in verschillende kleuren reflecteerden. Zoals schoonmaakproduct of motorolie. Hoewel zijn kledij vaak vuil was, verzorgde hij wel netjes zijn kapsel en gezichtsbeharing. Hij zag er uit als een jonge ondernemer. Knap met een enthousiaste glimlach, maar ook een erg nuchtere expressie. Hij zag er altijd uit alsof hij kennis van zaken had, en dat was ook zo. Hij was een uitstekende zakenman, zoals niemand anders dat was.
Ze noemden hem Langnek. Hijzelf had die naam ook geadopteerd. Zijn echte naam was onmogelijk uit te spreken met mensenlippen en een menselijke naam had hij niet. Op officiële documenten werd hij neergeschreven als “Mijnheer Langnek” of “De heer Langnek”. Soms werd er een voornaam verzonnen. “Sigmund Langnek” was populair maar ook Sven, Cedric en Siegfried werden gebruikt. Hij deed zaken met mensen. Mensen twijfelden vaak aan Langneks ware aard, maar Langnek wist hoe hij mensen kon doen zwijgen. Langnek creëerde veel winst voor anderen en het is voor zakenlui moeilijk om partners af te wijzen als de relaties zo lucratief zijn. Uiteindelijk wenden Langneks zakenpartners er wel aan en na een tijd letten ze zelfs niet meer op Langnek’s vreemde eisen, zijn vreemde gedaante, hoe hij altijd overal opdook op toevallig het juiste moment en hoe na verloop van tijd veel van Langneks andere partners verdwenen.
Vanuit de afgelegen cellen die diep in de vreemdste psychiatrische instellingen lagen, schreeuwden verwarde mensen over hoe Langnek de duivel was. Hij was uit de aarde gekropen, of uit de lucht gevallen. Hij was als een slang. Hij was een slang. Langnek had mensen ontvoerd. Langnek had vreemde wapens rond gesmokkeld. Langnek had vlak voor hun neus een andere mens opgeslokt. Langnek had hen voorgesteld aan buitenaardse wezens. Langnek spookte door hun hoofd, verscheen in hun dromen. Langnek. Met hun beperkte verstand probeerden psychiaters te begrijpen waar Mijnheer Langnek vandaan kwam, waarom deze waanvoorstelling bij zoveel verschillende patiënten voorkwam en waarom deze figuur zoveel verschillende rollen uitvoerde. Zij geloofden natuurlijk dat Langnek niet bestond. Ooit had iemand wel opgezocht of er een zekere “Sigmund Langnek” in het land woonde, of dat er iemand met die naam überhaupt ergens op aarde woonde. Maar “Langnek” was geen echte naam. Ze doorzochten boeken, films, verhalen op zoek naar het fictieve personage waarop de waanvoorstelling zou gebaseerd zijn maar ze vonden niets dat overeen kwam met de in detail beschreven Heer Langnek die zo vaak in de verbeelding van de patiënten opdook. De patiënten bleven schreeuwen.
Diep in de nacht zwierven hallucinante schaduwen over vuilnisbelten over heel de wereld. In de ochtend kwam Mijnheer Langnek met zijn koffertje op een groot bedrijf afgestapt. Per toeval kwam hij in een vergadering terecht. Daar spraken ze over hoe het imago van het bedrijf begon achteruit te gaan. Op het goede moment sprak Mr. Langnek plots:
“Spijtig genoeg wordt er ten gevolge van de activiteiten van dit bedrijf te veel afval uitgestoten. Gelukkig is mijn firma gespecialiseerd in de afbraak van afval. Ik kan meer dan tachtig procent van uw afval doen verdwijnen. Ik betaal u er zelfs voor.”
Ze keken Langnek verbaasd aan, alsof ze hem net opmerkten.
“Gegroet.” Zei Langnek met een glimlach. “U kan me Meneer Langnek noemen.”
Ik danste. Ik danste een ongemakkelijke en gefrustreerde dans, want dat leek zowat de enige manier te zijn waarop ik het ruimtepak kon uitdoen.
"Een dansje" is dan ook de enigste manier waarop ik het kan beschrijven. Het moet een enorm gedoe geweest zijn om het pak in de eerste plaats aan te doen. In en uit dat ding geraken was duidelijk niet de prioriteit geweest van de ontwerpers van het ruimtepak. Wat wel hun prioriteit was geweest, was om er voor te zorgen dat het een astronaut in leven hield terwijl alle gruwelijke en dodelijke krachten van de lege ruimte probeerden de astronaut op te blazen, te verstikken, te bevriezen en dood te stralen. Daar was het eigenlijk heel goed in. Het was zo ontworpen dat zelfs de meest fundamentele krachten van het universum het niet van de astronaut konden lostrekken. Ten gevolge kreeg ik het zelf ook niet van mijn eigen lichaam losgetrokken. Het zat dan ook heel ingewikkeld in elkaar. Schuifknopjes, ritsen en zelfs schroeven op de meest onwaarschijnlijke plaatsen en meer lagen dan een ... goed gedicht. Ik probeerde het eerst rechtstaand van me af te prutsen. Dan probeerde ik het te doen terwijl ik op mijn rug lag. Dan heb ik in mijn frustratie wat rond gerold. Met die tactiek kreeg ik na een lange tijd iets van me los gekoppeld. Een grote doos met wat bedrading en buisjes die aan mijn rug had gehangen. Ik had geen idee wat het was maar ik had een beetje gehoopt dat de rest van het pak zou volgenals ik het van me los kreeg. Dat was echter niet het geval. Ik heb nog veel langer rond geploeterd in het zand voor dat ik de rest van het ruimtepak uit kreeg. Uiteindelijk lukte het me en lag ik daar uitgeput in niets meer dan - wat ik enkel kan beschrijven als - een ruimtepyjama. Een bezweette ruimtepyjama. Ik stonk verschrikkelijk.
Uitgeput lag ik in het zand. En ik bleef liggen. Na een tijdje begon ik voor het eerst het zand goed te bestuderen. Wit. Toen ik wat dichterbij keek merkte ik dat de korrels vooral doorschijnend waren. Enkel het geheel zag er wit uit. Een beetje zoals sneeuw, dacht ik. Ik keek verder naar het landschap dat mij omsingelde. Ik lag met mijn rug tegen een duin. Een duin zoals ik ze kende vanop aarde. Al was deze wat lager en boller dan wat ik kende en groeiden er geen planten op. Ik voelde ook geen wind, iets dat ik verwachtte te voelen op een strand. Daarbovenop was het een heel groot strand, waarmee ik niet bedoel dat het een lang stuk van kustlijn in nam. Ik bedoel dat als ik om me heen keek dat ik eigenlijk alleen maar zand, wat duinen en zee zag. De duinen waren niet prominent genoeg om te zeggen dat zij het strand afbakenden. Ze volgden ook de kustlijn niet maar waren in willekeurige hoopjes over de zandvlakte verspreid. Enkel op de horizon zag ik een verkleuring in het landschap gebeuren. Oranje. Niet echt de kleur die ik verwachtte. Daar stopte het strand en begon het binnenland pas echt. Zelfs toen de zee volledig teruggetrokken was had ik nog nooit zo'n uitgestrekt strand gezien dat zoveel ruimte tussen het binnenland en de zee liet.
De zee. De zee lag nu wat ver van me af en het was moeilijk om vanaf de duin te zien of de zee eigenlijk wel golven in zijn branding had. De zee leek zo stil. Het had wel wat golfjes in de verte maar het stelde werkelijk niet veel voor. Het leek wel meer op een meer dan een zee. Misschien was het wel een meer. Een heel groot meer. Dat bestaat toch? De kleur van het water was ook opmerkelijk. Blauw, maar een vreemd onnatuurlijk lichtblauw. Cyaan. Hoewel het ook de roze tinten van de lucht reflecteerde. Ik kwam tot het besef dat dat roze afkomstig was van de zon die over de zee hing. Die was wit en verblindend in het midden, maar de zonnestralen rondom waren onmiskenbaar roze. De hele horizon aan de zee kant was een explosie van roze en lichtblauw. Alsof ik me op de baby-planeet bevond.
Ik zou ook gedacht hebben dat een zee stonk naar zout, vis en misschien afval. Maar hier rook ik iets zoet. Ik rook al aan het zand maar daar kwam de geur niet vandaan. Hoewel het zand ook niet naar zand rook. Kwam het van de zee? Ik had moeite met dat te geloven maar anderzijds was het binnenland heel ver weg en leek het me alsof er niet genoeg wind was om de geuren van daar naar hier te dragen. Wat ik rook moest wel uit mijn directe omgeving komen.
Af en toe hoorde ik gekke geluiden. Kreten? Fluittonen? Een mix tussen de twee. Ik hoorde ze herhaaldelijk, in serie zelfs. Het deed me denken aan hoe men normaal meeuwen kon horen op een strand. Omdat ik de geluiden niet kende werd ik er automatisch bang van. Ik wist ook niet waar ze vandaan kwamen. Ze leken vanuit de zee te komen maar daar zag ik niets zwemmen of vliegen. Al was het moeilijk om de golven van het cyaan blauwe water goed te bestuderen vanaf hier.
Een knal klonk. Ik ging er van uit dat een deel van het ruimteschip - of wat er nog van over was - opnieuw ontploft was. Ik kroop moeizaam recht en wandelde naar de top van de duin om te kijken of dat het geval was. In de verte brandde de boel nog steeds en ik zag een rookwolk boven de wrakstukken de lucht in rijzen. Het was inderdaad een nieuwe ontploffing geweest. Ik voelde me uitgeput en wou alweer opnieuw gaan liggen. Maar dan zag ik iets bewegen. Voor de wrakstukken bewoog een groot zilverkleurig ding zich voort. Het reed. Het was een voertuig. Een auto! Ik kneep mijn ogen tot spleetjes. Ja! Het had een rare vorm maar het moest wel iets met wielen zijn want het reed rondom het ruimteschip net als een wagen dat zou doen. Misschien hoorde het voertuig bij het ruimteschip. Misschien zaten er overlevenden van de bemanning van het ruimteschip in. Misschien zaten er mensen in die net als mij geen idee hadden waar ze waren en hoe ze hier geraakt zijn. Of misschien waren er andere mensen die in dit vreemde oord leefden en kwamen ze kijken wat er gebeurd was. Misschien kwamen ze helpen! Het voertuig stopte bij wat wrakstukken. De portieren gingen open en ik zag mensen uitstappen.
Ik was zo blij om een teken van andere mensen te zien. Ik rende de duin af, waaide met mijn armen en schreeuwde naar de schimmen in de verte. Maar dan zag ik een tweede voertuig verschijnen. Door de manier waarop dat voertuig verscheen kwam er een gevoel van twijfel in me op en stopte ik met lopen. Als de voertuigen van mensen die hier leefden kwamen, dan had ik verwacht dat de voertuigen van uit het binnenland zouden komen. Dit tweede voertuig kwam echter rechtstreeks uit de zee gereden. Water viel er van af terwijl het over het strand reed naar het eerste voertuig. Het had niet gevaren. Het kwam van onder het water tevoorschijn. Het ding had gedoken. Een derde voertuig kwam zelfs nog met een sprongetje uit de branding gevlogen en spatte water omhoog. De twee natte dingen reden naar het eerste voertuig en ik merkte op dat het eerste voertuig ook een nat spoor in het zand had achter gelaten. Verward keek ik naar de voertuigen en naar de mensen die uitstapten. Langzaamaan besefte ik ook dat deze mensen niet echt uitstapten. Ze stapten niet. Nee. Ze lieten zich uit de voertuigen vallen. Daarna kropen ze verder over de grond als beesten. Ik voelde mijn hart kloppen. Plots zag ik ook duidelijker dat deze schimmen eigenaardig klein waren en vanop afstand hadden ze zelfs geen enkele menselijke vorm. Dit was vreemd. Dit was zo, zo vreemd dat mijn hersenen er niet goed mee om konden. En hun kleur: Groen? Blauw? Appelblauwzeegroen? De meest wereldschokkende gedachte die ik ooit in mijn leven heb gehad, boorde zich nu diep mijn hersenen in.
Dat zijn geen mensen, dacht ik geschokt. Dat zijn geen mensen. Dat zijn geen dieren. Dat is iets anders.
Binnenin mij ontstond een hevige angst die ik niet kan beschrijven. Plots wou ik geen aandacht meer trekken van de vreemde dingen en de vreemde machines. Plots wou ik wegrennen. Een instinctieve angst vertelde me dat ik moest vluchten van die onbekende wezens. Wat zouden die beesten wel niet met me doen als ze me opmerkten? Ik liep terug, sneller dan ik ooit dacht dat ik kon lopen. Ik was doodsbang dat ze mij al gezien hadden. Ik was bang dat ze achter me aan zouden kruipen. Of misschien zou zo'n voertuig me inhalen. Ik rende de duin over, weg van de zee, naar de oranje kleuren aan de horizon. Ik bleef lopen. Ik durfde niet achterom te kijken. Vreemde planten verschenen voor me, ik liep ze voorbij en ik bleef gaan. Tot als de planten me plots volledig omsingelden. Tot als ik plots ontwaakte uit mijn angst en besefte dat ik verdwaald was gelopen in een vreemd buitenaards bos.