De zinloosheid van de voetballerswoede
Zelf heb ik jaren gevoetbald. Nu zelfs nog, al is het op een bedenkelijk niveau. Cafévoetbal.
Ik kreeg mijn opleiding bij KV Kortrijk. Veel jeugdig talent, nog meer enthousiaste ouders. Waarden en normen kregen we op de club in zekere zin wel mee. Op tijd komen, propere voetbalschoenen, allemaal in trainingstenue op wedstrijddagen. We waren beleefd, gaven de scheidsrechter een hand als we onze noppen toonden. We zeiden alstublieft en dankjewel.
Op het veld veranderde alles.
Op het veld telden alleen de punten. Later werden dat de punten en de centen. We trainden tijdens de week, maar keken uit naar de zondag. Zeven dagen in teken van 90 minuten. Het moment dat we samen het veld opliepen, toen gebeurde het. De vriendelijkheid verdween van onze gezichten. Gejoel ruimde plaats voor blikken van opperste concentratie. Geen grapjes meer. Ook niet in vierde provinciale.
Alleen bij het groeten van de supporters vielen we nog even uit onze rol. Al hield het gezwaai naar de tribunes ook enige stoerheid in. Een gecontroleerde geste.
Vanaf het fluitsignaal waren we krijgers. Soldaten onder leiding van een luitenant langs de zijlijn. Er werd naar elkaar geroepen. Er vielen verwijten en andere onleuke woorden. Vooral als het minder ging. Wie niet kan incasseren, moet geen voetballer worden.
Net als een normaal mens verdraagt een voetballer geen onrecht. Zeker niet als een arbitrair zwart mannetje hem dat onrecht aandoet. Het is een pipo, een smeerlap, een klootzak, bij iedere foute beslissing die hij neemt. Want wij trainen en wroeten, wij gaan iedere zondag tot het uiterste. Wie is die onnozelaar dan om onze punten en centen af te nemen?
Ergens is het wel te begrijpen, die voetballerswoede. De haat tegenover het zwarte kereltje. Als uiting van frustratie en onmacht. In het heetst van de strijd is een voetballer geen mens meer. Een brok testosteron en adrenaline, dat wel. Manmoedig. Wat natuurlijk geen excuus is om agressief gedrag en fysiek geweld goed te praten.
Zelf reageer ik nog nauwelijks op miskleunen van de wedstrijdleiding. Hoogstens schud ik van “nee”, sporadisch gevolgd door een stille “man, man, man”. Als er iets is dat ik doorheen alle wedstrijden heb geleerd, is het dit:
– Een scheidsrechter komt bijna nooit terug op zijn beslissing. “Bedankt dat je me uitscheldt, daardoor besef ik dat het inderdaad geen penalty en rode kaart was. Doelman kom maar terug op het veld, de strafschop gaat niet door.”
– Een scheidsrechter zal niet beter fluiten nadat de spelers hem de huid hebben vol gescholden. Het tegenovergestelde gebeurt wekelijks.
– Een ploeg zal niet beter voetballen doordat de spelers elkaar en de scheidsrechter verwijten.
– Alle gele en rode kaarten die het gevolg zijn van protest kosten de ploeg meer punten en centen dan de foute interpretaties van de scheidsrechter.
– Wie op een laag niveau voetbalt, moet geen Collina als referee verwachten.
– Protest haalt het ritme uit een wedstrijd, wat het mooie voetbal niet ten goede komt.
Moeten voetballers dan iedere foutieve beslissing van de arbitrage zomaar slikken? Nee.
Maar er zijn grenzen in het uiten van protest, frustratie en woede. Een scheidsrechter kan sowieso nooit voor beide partijen goed doen. Het is een mens van vlees en bloed, met kwaliteiten en gebreken. Gebreken waar we begrip voor moeten hebben, zoals onze vriendinnen en vrouwen begrip hebben voor die van ons. Daarom kan ik het scheidsrechtersprotest in het provinciale voetbal wel begrijpen.
Toch is het volgens mij vooral een persoonlijkheidskwestie bij de spelers. Van een crapuulke met een kort lontje maak je geen braaf schooljongetje dat knikt en luistert. Veel zoden aan de dijk zal het protest dus niet brengen.
In het cafévoetbal krijgt een scheidsrechter het trouwens nog veel harder te verduren.