In iedereen herkend
Je draagt een leren jas, een rugzak, en schoudertas en trekt hem strak
Je ogen zijn blauw, groen en bruin zoals je sjaal, je broek, je trui
Je draagt een hoed, luistert muziek, bindt je haar vast en breekt het elastiek
Je steekt de straat over, groet de chauffeur, stapt van de fiets en sluit de deur
Je rijdt van west naar oost en van oost naar west, je neem de langste route, maar vergeet de weg
Je stopt voor rood, drukt op een knop, droomt weg bij groen, stapt de weg op
Je pakt een hand, kust een mond, mist de tram, aait een hond
Je ziet me niet, je gaat op de stoeprand staan je haalt me in, je staart me aan,
Je loopt weer door, ik zweer dat ik je stem nog hoor
Ik zie je op plekken waar iedereen is, ik weet hoe zeer ik me vergis











