“It’s getting a bit freaky, guys.” I tell my friends, interrupting their conversation.
My lower lip starts to feel numb. We’re listening to music but I can’t understand anything from the lyrics. My gaze is focused on the cover of the album that’s shown on the tv and I feel like my eyes will get stuck to the screen forever if I don’t move.
I try to focus on my friend’s conversation but that is just as difficult. The furniture starts to pulsate in the background. Sometimes I zone out and have to remind myself to focus. Only then I remember where I am. This is not good.
I’m thinking a couch and a movie with you
only me reading a book, drinking tea,
sharing chocolate you don’t like, petting the cat
who is making noise besides me
I’m thinking you with me and the warmth,
the room heated for one
now and then a conversation,
alone I’m also lots of fun
I’m thinking me and my cat sleeping
on your lap, we laugh because finally
I’m alone in my house but my head
there’s nowhere else we should be
I’m thinking me and no one else
and you I wish you
just one pair of eyes that I can close,
if you come by then I’ll come too
Anxiety is what I felt when I held a baby in my arms when I was 8 years old. I visioned my arms turning into jelly, dropping the little girl on the floor, but I faced my fear. I sat on the couch with my neighbor’s daughter, only a couple days old, letting her heavy head rest on my arm.
On the other side of the massive couch were her grandparents, silently staring at me, their faces barely moving. Probably to make sure I wouldn’t drop her right into hell. Instantly, I gave the baby back to her father.
After that, I didn’t hold a baby for years, I said no on every occasion. I convinced myself I didn’t like babies, when I was actually terrified I’d hurt them.
Op mijn werk, voor mijn kat, als vrijwilliger. Ik ben vervangbaar op allerlei fronten. Er is altijd wel iemand te vinden die ergens beter in is dan ik. Beter organiseren, beter aandacht geven, beter mijn huis schoonmaken, planten water geven.
Gelukkig maar, anders was er nooit tijd voor zelfontplooiing, op vlakken waarop ik weer als vervanger kan dienen voor anderen. Gelukkig maar, want anders zou ik me overal verantwoordelijk voor voelen, durfde ik nooit meer iets achter te laten, zou ik me uit de naad werken en kon ik nergens ontslag nemen. Bovendien zou ik nergens aan de bak komen, omdat iedereen dan net zo onvervangbaar zou zijn als ik.
De secularisering van maatschappijen zou funest kunnen zijn voor de planeet. Ik ben niet religieus, en weet ook niet genoeg van religies af om grote conclusies te trekken over de rol van religie en het omgaan met de planeet, maar dat de planeet onder secularisatie lijdt, geloof ik wel.
Onlangs las ik een artikel van een collega over wat de islam haar heeft geleerd over duurzaamheid. Zij schrijft:
De mens wordt als dienaar van God geacht verantwoordelijk om te gaan met mens, dier en natuur. Verschillende teksten in de islamitische bronnen vragen de mens goed te zijn voor de wereld om hem heen.
Ook in de Bijbel zijn er genoeg aanwijzingen te vinden over hoe we met de aarde om zouden moeten gaan. Een voorbeeld:
‘Hierbij sluit Ik een verbond met jullie en met je nakomelingen, en met alle levende wezens die bij jullie zijn: vogels, vee en wilde dieren, met alles wat uit de ark is gekomen, alle dieren op aarde’. Gen. 9:9-10
En nog een voorbeeld uit het boeddhisme:
‘Een basisbeginsel van het boeddhisme luidt: andere levende wezens niet schaden, maar helpen. Dat ligt in één lijn met wat duurzaamheid oorspronkelijk betekende: moeder aarde, de wereld, niet slechter achterlaten dan je haar hebt aangetroffen.’
Bron: Herman Damveld
Religies vertellen ons dat we de verantwoordelijkheid hebben om voor de planeet te zorgen. Als je dit meekrijgt van je ouders of je familie, geef je dit weer door aan je eigen omgeving, je vrienden, je kinderen. Religies zorgen voor verbinding, op allerlei niveaus: ik moet denken aan de maaltijden die voor daklozen worden geregeld door de Protestantse Kerk in Amsterdam.
Als kind zat ik urenlang achter mijn bureautje A4-tjes vol te schrijven met verhalen. Het papier waarop ik schreef leek uit de Eerste Wereldoorlog te stammen, horizontaal, een beetje gelig, dun papier, met donkerbruine lijntjes. Ook was er een tijd dat ik mijn eigen taal wilde verzinnen, maar toen ik bedacht dat een taal veel complexer is dan woorden alleen en ik ook een grammatica enzinstructuur moest verzinnen, gaf ik het op. Op school schreef ik lange verhalen en gedichten zoals een 8-jarige die maakt, die op mijn verzoek zelfs werden voorgelezen door de juf of meester. Ik was trots op mezelf, dat ze altijd toestemden, en dacht niet eens na over wat de klas ervan vond.
Op mijn 16e publiceerde ik een gedichtenboekje in eigen beheer, maar ik was niet meer zo trots als eerst. Iedereen kan dat in principe doen, zo lang je maar 30 man vindt die je boek willen kopen. Ook hou je er praktisch niks aan over. Mijn familie was wel trots, ik werd zelfs geïnterviewd door de lokale krant, maar in stilte wuifde ik het gevoel weg. Ik deed mee aan gedichtenwedstrijden maar won nooit, alleen een ‘eervolle vermelding’. Die wilde ik niet in mijn zak steken.
Ik bleef schrijven, maar doordat steeds meer mensen er toegang tot hadden, via internet waar ik het op Tumblr zette, kwam er ook kritiek. Of geen reactie. Het aantal volgers op mijn Tumblr-account groeide en ik werd deel van een generatie Tumblr-dichters. Ik telde de hartjes op mijn berichten maar vond dat ik er nooit genoeg kreeg. Ik schreef me nog eens in voor een gedichtenwedstrijd maar ik kreeg de tip om nog wat meer te oefenen. De frequentie van mijn berichten werd steeds lager. Ik schreef nog wel, maar verschool het veilig in mapjes op mijn computer.
Een paar jaar later werd mijn moeder steeds zieker. Ik begon weer pagina’s te vullen, schreef herinneringen op, dingen die ik nog tegen haar wilde zeggen, schaamtevolle gedachten. Hoe kut mijn moeder hetvond dat ze dood zou gaan. Ik schreef alles op en hoe meer ik schreef, hoe meer ik terug kon lezen. Ik was trots op mezelf, dat ik de tijd nam het allemaal op te schrijven, zodat ik mijn moeder op haar echts kon herinneren.
Na haar dood werd ik gevraagd om een rouwboek te schrijven met twee anderen. En werd ik gevraagd om voor een website te bloggen. Ik plaatste mijn teksten weer op Tumblr, kreeg complimentjes, bouwde een website. Ik wist dat ik nooit meer moest stoppen.
Vorige week deed ik een belofte aan mezelf. Dat ik tijd vullen niet meer als tijd doden zou beschouwen, zoals ijsscheppen of broodjes verkopen. Ik deed de belofte dat ik mijn tijd zal gaan vullen met dingen waar ik goed in ben, en beter in wil worden. Ik deed de belofte dat ik elke week een blog zal schrijven, en me niet zal laten beïnvloeden door de hoeveelheid hartjes, likes of zelfs kritiek.
I wasn’t being very nice to you today. I didn’t believe in you and wouldn’t let you finish when you told me what you really wanted. I believed you weren’t ready yet, it seemed too ambitious. I didn’t try to encourage you, instead, I told you you were not good enough.
Er stapt een jongen resoluut de ijswinkel binnen. ‘Mag ik wat ijs proeven?’ vraagt hij meteen. Er scharen zich wat jongens achter hem van dezelfde leeftijd, ze blijven net buiten de ijssalon staan. ‘Ga je dan ook een ijsje kopen?’ vraag ik hem. Zijn houding verraadt meteen al dat hij absoluut niet van plan is geld uit te gaan geven in deze tent. ‘Ik moet toch eerst weten welke ik lekker vind voordat ik een ijsje koop, daarom wil ik eerst proeven.’
‘Je kunt niet alleen proeven als je niets gaat kopen.' zeg ik streng. Hij pakt een plastic lepeltje uit het glazen bakje op de vitrine en zegt: ‘Ik wil die eh… aardbeiensorbet proeven.’ Hij wijst met het lepeltje door het glas naar het ijs. Ik luister niet naar hem en kijk zijn vrienden aan die hem met niet al te veel inspanning de winkel uit proberen te krijgen. Ze richten zich tot mij. ‘Hij heeft geen geld, mevrouw.’ De jongen voelt zich betrapt en scheldt zijn vrienden uit. Dan gooit hij het lepeltje met een flinke zwaai door de ijssalon en loopt zogenaamd kwaad de winkel uit. Nog geen tel later komt hij terug, zijn entourage volgt.
‘Waarom mag ik niet proeven?’ vraagt hij terwijl hij weer nonchalant over de vitrine gaat hangen. ‘Is het omdat ik getint ben?' Ik lach hardop om zijn opmerking. Nee, jongen, het is niet omdat je getint bent of omdat je zo'n grote mond hebt. Het is omdat je hele houding bij je eerste stap in deze winkel al uitstraalde dat je geen ijs zou gaan kopen. ‘Ja, vast,’ zeg ik nog steeds lachend. Zijn vrienden raken ongeduldig en zeggen dat hij normaal moet doen.
‘Ik wil een klein lepeltje proeven, waarom mag dat niet!?’
‘Je kunt een bolletje afrekenen en dan mag je alles proeven wat je wil.’ Ik besluit hem verder geen aandacht te geven en richt mijn blik weer op mijn boek. Een van de jongens komt bij hem staan en probeert hem nu mee te trekken.
‘Waar slaat dat op, ik ga toch niet alles proeven,’ zegt hij meer tegen zijn vriend dan tegen mij ‘Dan kan ik net zo goed alles kopen. Oké, dan neem ik deze wel mee.' Hij tilt de glazen vaas met de lepeltjes op en draait zijn lichaam richting de deur. Hij heeft hier een hoop lol in, probeert hoe ver hij kan gaan. Dan glimlacht hij en zet de vaas weer terug 'nee grapje'. Ik moet lachen zodra ik zie dat zijn act breekt.
‘Waarom stuur je hem niet weg?' vraagt een andere vriend. Ik heb geen last van hem, hij mag hier prima nog een half uur staan zeuren, er is geen enkele andere klant en ik ben er voorlopig ook nog wel. Uiteindelijk vertrekken de jongens met hun vriend schuifelend achter ze aan. Zijn staart vastgeklemd tussen zijn benen.
Er zit ergens weer iets vast en ik kan er geen goede woorden voor vinden. De meest accurate omschrijving is misschien wel dat het er geen woorden voor zijn, omdat er ook geen logica achter zit. Een vriendin komt een koffer ophalen maar ik voel me niet sociaal genoeg om eten te koken voor ons tweeën, ik heb er gewoon de energie niet voor. Ergens halverwege de dag is er een irritant zoemend beest mijn borstkas binnengeslopen, waar het af en toe stil gaat zitten. Meestal probeert het zich een weg naar buiten te banen maar ik kom er maar niet achter waar het gezoem vandaan komt. Het is net een stukje appel dat tussen je kies is blijven zitten en je het met je tong ertussenuit probeert te krijgen, net zo lang tot je tong verlamd is. Je weet ook wel dat je beter kunt wachten tot het er vanzelf uitvalt, maar de aandrang is te groot, het vliesje is te irritant, je móet ertegen vechten.
Zo ver ik kan voorspellen, is mijn humeur te danken aan mijn hormoonhuishouding. Mijn lichaam is op dit moment een mini-versie aan het worden van een zwangere vrouw. Een maand geleden voelde ik me extreem schuldig omdat ik een kiwi aan het opeten was, en ik er verantwoordelijk voor zou zijn dat die kiwi straks niet meer zou bestaan.
Het gevoel komt nergens vandaan en is nergens op gebaseerd. Het verspreidt een wolk van zinloosheid en nutteloosheid. Dat alles wat ik doe niet is wat ik zou moeten doen. Ik ben gewoon even niet op mijn plek in mezelf, maar wat mijn gedachten proberen te doen is dat te koppelen aan iets tastbaars: de plek waar ik ben, of de personen die in de buurt zijn. Niets klopt, en dat ligt niet aan de omgeving, maar aan mij. Het is alleen veel makkelijker om niet het probleem bij mezelf te zoeken, maar bij iets anders. Alsof dat een tijdelijke oplossing geeft. Het enige wat er gebeurt is dat ik daadwerkelijk ga twijfelen aan de dingen die ik doe. Het laatste wat ik dus moet doen is op zulke momenten besluiten nemen. Er komt veel te veel gevoel bij kijken, en te weinig ratio.
Het voordeel van dat gevoel is dat sommige dingen veel intenser zijn dan normaal. De muziek waarnaar ik luister komt niet alleen mijn gehoorgang binnen, maar baant zich een weg door mijn lichaam en prikkelt mijn borstkas, net zoals dat insect, maar dan op een goede manier. En dan kan ik weer even de waarde zien van de machteloosheid die over me heen komt, met genoeg om op papier te zetten.
Mijn ogen zijn gesloten op het moment dat de yogalerares ons opdraagt naar de geluiden om ons heen te luisteren. Het voelt als een opdracht, geen verzoek. Ze formuleert het als: ‘Ik wil dat je nu je aandacht vestigt op de geluiden om je heen’, maar misschien komt die toon uit de letterlijke vertaling van het Nederlands naar het Engels. Ik doe wat ze vraagt. Haar volgende verzoek is dat we doen alsof de geluiden die we horen uit onszelf komen. Ik voel mijn oren van vorm veranderen tot ze allebei net zo groot zijn als een helft van de kamer en ze als grote lappen stof de andere deelnemers bedekken. Ik heb dombo’s oren gekregen, en ik kan er niets mee. Ik kan er niet beter mee horen, maar ze lijken te dienen als een soort afzuigkap voor alle trillingen in en om de kamer. Elk geluid verwerk ik direct, zonder er vragen bij te stellen. Ik hoor het niet per se, het is er gewoon, en het verdwijnt weer.
Dan komt er een gedachte bij me op. Het gevoel hoe bizar het is dat we altijd van iemand anders deel willen uitmaken. Dat we zelf niet goed genoeg zijn, we niet compleet zijn, terwijl er niets completer is dan dat ik zelf in mijn eigen lichaam ben. Waarom hebben we zo hard een ander nodig? Wie leert ons dat er iets ontbreekt en we al van jongs af aan op zoek moeten naar een wederhelft? We lezen het in boeken, zien het in films, en horen het van de mensen om ons heen die het niet ontkennen, omdat ze er zelf ook altijd naar op zoek zijn geweest, en het meestal denken te hebben gevonden. We leren in eerste instantie op zoek te gaan naar iemand die ons aanvult, zonder erbij stil te staan dat we dat zelf wel eens zouden kunnen zijn.
Vlak voor het einde van de les, als we op onze rug liggen en ik bijna in slaap val, verdwijnt het beeld van het rechterdeel van mijn lichaam. Het is niet gevoelloos, maar de kaart van mijn lichaam die zich bevindt in mijn hersenen is niet meer compleet. Voor mijn gevoel besta ik alleen nog aan de linkerkant van mijn lichaam. En toch voel ik me nog steeds hetzelfde. Ook al zou er een fysiek deel van mij wegvallen, dat zou me geen ander persoon maken. Terwijl ik hier bij stil sta, wordt de kaart weer compleet. Ik begin kort te dromen.
Ik besluit de zolder op te ruimen omdat ik niet tegen het probleem aan wil lopen dat ik op een dag ga verhuizen en in een rotvaart alles moet gaan uitzoeken, weggooien en eigenlijk niet weet wat ik met al die spullen moet. Het fijne van af en toe een opruimsessie houden is dat ik op mijn gemak alle dozen door kan spitten, oude rapporten kan doorlezen, een beetje grinniken om het cv van mijn vader, en kan glimlachen om het verlovingskaartje van mijn opa en oma uit 1945.
Mijn moeder stond er om bekend dat ze veel bewaarde, en ik probeer precies dat niet van haar over te nemen. Dus gooi ik bij elke opruimsessie weer meer weg. Er zit niet echt een systeem in, behalve dat fotoboeken sowieso in de dozen blijven zitten. Verjaardagskaarten gaan direct de oud-papierbak in. Tot ik bij de condoleancekaarten kom, en de verjaardagskaarten van mijn vaders laatste verjaardag, toen hij al ziek was. De sterktekaarten voor mijn moeder, de kaartjes die aan de begrafenisboeketten zaten. Stapels en stapels spit ik door en met een bijna schaamteloze nonchalance gooi ik ze één voor één in een doos.
Er zijn namen van families die steeds weer voorbijkomen; mensen die ik alleen maar ken van de kaarten die ze altijd naar mijn ouders sturen; een vrouw die altijd haar eigen kaarten maakt, prachtig versierd, geen wonder dat mijn moeder deze bewaard heeft. Op alle andere kaarten staan vooral bloemen, bloemen met een hangende kop, bloemen die ik sinds een jaar pas bij naam kan noemen, bloemen die vergezeld gaan van een goedbedoelde tekst maar waar ik eigenlijk een beetje van ga zuchten. Dan stuit ik op een kaart met een vrouw op een fiets die een grote verzameling gekleurde ballonnen achter haar aan sleept. Ik weet nog dat mijn moeder bij ontvangst zich afvroeg wie er nou zo’n vrolijke kaart stuurde, terwijl alle andere kaarten niet erg wisselden wat het kleurspectrum betreft. Ik stuurde deze kaart met de tekst: ‘Ik vond dit een heel toepasselijke zomaar-een-kaart bij dit mooie weer. Geniet ervan, ik kom gauw weer langs’.
Vermoedelijk zijn meer dan driekwart van de kaarten die door mijn handen gaan via Hallmark verstuurd en ik heb een beetje een vreemde gedachte: hoe meer zieke mensen en hoe meer mensen er overlijden, hoe beter hun business het doet.
Dan kom ik een map tegen met nog meer kaarten. Kaarten die we hebben ontvangen toen we in 2003 (!) zijn verhuisd. Een stuk of 30 kaarten verdwijnen in de papierbak. Ja mam, je bewaarde echt wel veel. En waarschijnlijk had je niet verwacht dat ik op mijn eigen zolder deze kaarten door zou spitten, 16 jaar later, en ze dan pas weg zou gooien (of al?). Maar ik vind het ergens leuk om te doen, alsof ik nog een klusje voor haar doe en even alle namen weer lees van de mensen die toen belangrijk waren in het leven van mijn ouders.
Ik houd een doos over vol met kaarten, vier kaarten houd ik apart. Niet vanwege de inhoud, maar omdat de voorkant me zo aanspreekt: een man op een fiets, een kaart met gedroogde bloemen, een korenbloem en een kaart met zingevende tekst waar ik jaren eerder niks mee had gekund.
Ik denk aan alle mensen die zich hebben verzameld in die doos en vraag me af of ze nog wel eens aan mij denken, maar ook hoeveel ervan al zijn overleden. Ik zou wel contact willen zoeken, maar ik heb geen zin om honderd keer hetzelfde gesprek te gaan voeren. Ik wil eigenlijk gewoon aan al deze mensen laten weten dat het goed gaat, dat ik blij ben met al hun fijne woorden over de leuke mensen die mijn ouders waren, maar dat ik nu eindelijk al die kaarten weg ga doen. Het ruimt namelijk wel lekker op.
Het bordje met deze tekst vond ik aan de gevel van een sleutelmaker op een drukke kruising in Amsterdam. Bij het maken van dit bordje had iemand waarschijnlijk behoorlijk de pest erin gehad dat er elke dag weer fietsen klakkeloos tegen het raam waren neergezet, waardoor niet meer te lezen viel hoe opmerkelijk snel deze vakman was in het uitvoeren van zijn werk.
Ik stel me voor dat de eigenaar die daar al meer dan 40 jaar zijn zaak heeft, en waarschijnlijk nog wel langer, in eerste instantie geen enkel bordje had hangen. Tot hij zich realiseerde dat Amsterdam een fietsstad is, en elke plek een geschikte plek is om een fiets neer te zetten, dus ook tegen zijn pui. Daar besloot hij wat aan te doen: er kwam een bordje met ‘Fietsen worden verwijderd’, naar voorbeeld van andere winkeleigenaren of huiseigenaren die het zat waren dat er zomaar fietsen tegen hun gevel werden geparkeerd.
Er verschijnt een kruin van een jonge knul in het trapgat. Hij draagt een rode jas met witte letters op zijn rechterborst. Ik zucht hoorbaar. “Nou, je had duidelijk iemand anders verwacht”, hoor ik vanuit het trappenhuis. Zenuwachtig begint hij zijn verhaal als hij bij mijn voordeur staat. De introductie kan ik niet helemaal volgen en ik vermoed dat hij zelf de draad ook al snel kwijt is, maar hij weet toch mijn aandacht te trekken. Vooral omdat zijn woorden me herinneren aan zaken die ik eerder in de krant heb gelezen en ik me de slechte leefomstandigheden van anderen de laatste jaren meer aantrek. Ik vertel dat ik al aan twee organisaties doneer en vraag of hij een flyer bij zich heeft, zodat ik er nog eens over na kan denken. “Nee, dat doen we tegenwoordig niet meer”, is zijn antwoord, terwijl hij een iPad uit zijn rugzak tovert. Oké, weet je wat, ik doe het wel. Deels omdat ik hem niet zo’n typische opdringerige verkoper vind en vooral omdat ik hem niet zo zenuwachtig naar de volgende deurbel wil laten vertrekken. Hij kijkt licht verbaasd, maar tevreden. Ik vul mijn gegevens in, schud zijn hand en hij vertrekt.
De volgende dag word ik op mijn werk gebeld door een privénummer, na drie keer hebben ze me te pakken. De vrouw aan de andere kant van de lijn heet me van harte welkom als donateur en wil me een paar vragen stellen.
“U heeft gesproken met Timo gisteren, klopt dat?”
“Dat klopt.”
“Hoe heeft u het gesprek met Timo ervaren?”
“Prima.”
“En wat voor cijfer zou u Timo geven?’ Er ontsnapt een verontwaardigd geluid uit mijn keel.
“Een cijfer? Dat weet ik niet hoor.”
“Nou, dan slaan we die vraag gewoon over!” zegt ze snel. Fijn, anders was het waarschijnlijk een lang gesprek geworden. Ze noemt nog wat algemene informatie en hangt op.
De rest van de dag denk ik na over de vraag die ze me had gesteld. Waarom ze mij vroeg Timo een cijfer te geven, begreep ik wel, maar wat kun je doen met zo’n cijfer? Wat zou zij, of Timo, weten als ik had gezegd dat ik Timo een 7 gaf?
“En waarom geef je Timo een 7?”
“Nou, het was een aardige knul, maar zijn verhaal was een beetje warrig en hij was een beetje zenuwachtig.”
“Bedankt, dan zal ik dat aan Timo terugkoppelen.” Vervolgens krijgt Timo van zijn baas te horen dat hij minder nerveus moet zijn en nog wat moet werken aan zijn verhaal. Dat helpt vast bij zijn zenuwen.
Sterren en smileys
Cijfers werden ooit alleen maar gegeven op proefwerken. Tot restaurants om recensies gingen vragen en ook klanten van Zalando werden gevraagd hun laatste aankoop te beoordelen in de vorm van sterren. Laatst bestelde ik iets van 6 euro bij een onderdelensite en ontving ik een volledige enquête over mijn ervaring met het bedrijf. Op basis van vier klikbare plastic wieltjes voor de vaatwasser. De klantenservice van bloomon vraagt klanten feedback te geven op de bloemen in de vorm van drie smileys: sip, neutraal of blij. Het Parool probeert potentiële abonnees te overtuigen van de kwaliteit van de krant door het drukken van een cijfer op een schaal van 1 tot 10, én 4,25 van de 5 sterren in te kleuren op hun wervingspost. De vijfde ster is bizar nauwkeurig ingekleurd.
We worden gevraagd enquêtes te beoordelen: ‘hoe leuk vond je het om deze enquête in te vullen?’ waar alle vragen al op een schaal van 1 tot 5 ingedeeld zijn, want dat rekent lekker makkelijk. Organisaties vragen om een beoordeling: ‘hoe groot is de kans dat je ons aanbeveelt bij vrienden?’ en nu worden we dus ook gevraagd mensen te beoordelen. Met één cijfer. We hebben het voor elkaar gekregen om complete ervaringen, persoonlijkheden en vragen waarop het antwoord ‘ja’, ‘weet niet’ of ‘nee’ is te reduceren tot een oppervlakkig concept.
Veranderlijkheid van getallen
Wat is een cijfer meer dan een momentopname? Als iemand mij vraagt of ik een persoon een cijfer wil geven, kan ik dat alleen maar doen op basis van een eerste indruk. Ik weet niet wat de goede of slechte kwaliteiten zijn van die persoon, en hoe hij in andere situaties is. Hoe hij op mij gereageerd zou hebben als ik niet iemand anders in het trappenhuis had verwacht. Wanneer Timo in de stromende regen had aangebeld en ik midden in een goeie film zat, had ik Timo misschien beoordeeld met een 4. Als ik net behoefte had om mezelf van wat goede karma te voorzien en Timo die dag al twee donateurs had gevonden, kreeg Timo met zijn goede humeur van mij een dikke 9. “Een gemiddelde vertelt je niets”, hoor ik mijn statistiekleraar zeggen, ook mijn cijfer voor Timo zou slechts een gemiddelde zijn van meer aspecten. Geen wonder dat bloomon om opheldering vraagt nadat je een ontevreden smiley hebt aangeklikt.
Behalve dat cijfers situatieafhankelijk zijn, worden ze door verschillende mensen ook anders geïnterpreteerd. Hebben sommige mensen het gevoel bij een 6 een voldoende te hebben gehaald, vinden anderen zichzelf een mislukking, omdat het geen 8 is. Wil ik Timo met zo’n gevoel opzadelen, zonder uit te leggen wat zijn cijfer voor mij betekent? Bovendien staan Nederlanders erom bekend bijna nooit het hoogst mogelijke cijfer te geven. Ook al hebben zij een topervaring gehad waar niets aan mankeerde, blijft de beoordeling alsnog op een 9 steken. Wil je die dan in je zak steken?
Hoe ik de vrouw aan de telefoon zou beoordelen? Een 6,8. Of ik dat wil toelichten? Nou, ik weet het niet, het is maar een gemiddelde.
Konden we maar een zintuig uitzetten zoals we onze ogen dicht kunnen doen. Er zit een onmeetbaar moment tussen het moment dat elke lichtval bij je naar binnen komt, en het moment dat alles aan je voorbijgaat. En je hoeft er amper iets voor te doen. Soms ben je je niet eens bewust van het feit dat je knippert, omdat je hersenen het meest waarschijnlijke beeld alvast voor je invullen voordat je je ogen open doet, iets wat je eerst ook al zag. Zijn horrorfilms daarom zo eng?
Zo zou ik ook mijn oren dicht willen doen. Even doof voor al het geroezemoes, de piepjes, de tikjes, de belletjes. Zet alles maar even uit. Maar als ik mijn oren dicht duw, hoor ik nog steeds te veel. Er is geen enkele manier om tijdelijk zo doof te kunnen zijn zoals je blind kunt zijn. Tenzij je een geluiddichte kamer tot je beschikking hebt. Als ik naar concerten ga, vergeet ik altijd oordopjes. De gele sponzen die je bij de bar kunt halen, blijven niet in mijn oor zitten. Halverwege het concert is het volume zo opgehoogd dat ik niet anders kan dan mijn oren dicht te doen. En dan hoor ik opeens alles: de bassist die de zanger ondersteunt, de zanger die de gitarist versterkt, en de drum verschuift naar de achtergrond. Waar hij hoort. Als het nummer is afgelopen verplaatst iedereen zijn handen en maakt een nog luider kabaal, ik doe mee uit gewoonte, liever had ik ze op mijn oren gehouden. Maar wie doet nou zijn oren dicht tijdens een concert? Iedereen zou het eens moeten proberen.
Ik schrik op van een dichtvallende voordeur; onweer; laag overvliegende vliegtuigen; het luchtalarm; een voorbijrijdende ambulance met sirenes; mensen met een luide stem. Het enige geluid dat ik kan verdragen is het geluid van een centrifugerende wasmachine, maar dan vooral het ritme dat me in slaap wiegt als ik in de andere kamer lig.
Op kantoor heeft bijna iedereen een koptelefoon die omgevingsgeluid filtert. Geen geluiddichte kamer, maar wel af van bellende collega’s en storende radiozenders. Ik denk dat ik inmiddels bovenaan de lijst sta van meest verbruikte batterijen. Soms vergeet ik dat ik de koptelefoon heb, tot alle kanalen bijna mijn hoofd laten ontploffen. Ik wil me op één ding concentreren, maar er komen overal signalen vandaan en het zijn er zo veel dat ik nergens meer op kan letten. Dan zet ik mijn koptelefoon op, maar ook dan hoor ik het nog. Dus zet ik muziek aan. Nog een stoorzender, maar het is niet anders.
Tijdens de lunch is het spitsuur. Iedereen begeeft zich naar dezelfde ruimte, kleiner dan het kantoor zelf. De radio staat nog steeds aan, iedereen raakt in gesprek, de tafelvoetbaltafel wordt intensief gebruikt. Soms ga ik later lunchen om na de drukte te komen, maar dat werkt averechts, want meestal kom ik precies in de drukte binnen en dan had ik nog liever een duik in een ijskoud zwembad genomen. Ik kijk uit het raam en vraag me af of ik in de regen naar buiten zal gaan, zelfs kou en nattigheid lijkt me aantrekkelijker dan deze stortvloed aan geluid. Aan het eind van de dag zit ik vol en weet ik niet meer hoe ik mijn hoofd kan legen.
Ik weet niet wanneer ik zo gevoelig ben geworden voor geluid. En geur. Dat zelfs de loodgieter mij niet gelooft als ik zeg dat ik gas in de keuken ruik. En ik van plek wissel in de tram omdat een deodorantlucht mijn neus penetreert. Soms knijp ik daarom ook mijn neus dicht, draag ik geen luchtjes en ben ik niet blij met mijn impulsieve aankoop van geurstokjes. Alles moet met mate, op een afstand of gefilterd. Kon ik ook maar knipperen met mijn neus.
‘A goodbye song, for now.’ Een zachte melodie vult de kamer om 6 uur ’s morgens. Hij moet zijn vrienden ophalen. Ik zoen hem zachtjes, om hem niet te laten merken dat mijn lippen trillen. Dan omhels ik hem, de gitaar tussen ons in. Als we elkaar loslaten ziet hij mijn tranen. ‘Wat voel je?’ Alles, zeg ik. Het gevoel dat al zijn vragen van de vorige avond bij me heeft opgeroepen, dat ik liever op een andere plek zou willen zijn, en waarom ik daar nog niet ben. Het gebaar van de cadeautjes die hij me heeft gegeven. Het gevoel van zijn hand op mijn voorhoofd zonder dat ik door heb dat hij naar me kijkt, tot ik mijn ogen open doe. Zijn diepe ademhaling als hij in slaap valt, en hoe blij het me maakt dat hij eindelijk kan slapen na al zijn drukke dagen. De rust die hij in huis heeft gebracht. Ik ben niet verdrietig omdat ik hem zal missen, of omdat ik me nooit eerder zo op mijn gemak heb gevoeld bij iemand. Ik huil niet om iets wat voorbij zal zijn, of om iets dat maar zo kort mocht duren. Ik huil om iets dat er nog steeds is. Iets dat zich op dat moment onder mijn huid bevindt en spelden prikt in mijn zenuwen. Alles wat er op dat moment is, alles wat ik hoor, alles wat ik zie. Ik voel alles.