My dog died two days ago. Since I can’t handle my emotions and don’t show them when I’m around my family or friends, I decided to write a little bit. Sometimes it’s the only way for me to express myself. It’s written in my own language (Dutch), so it’s easier for me to write.
Lief, mooi, schattig kleintje. Ik weet nog dat mam mij vertelde dat we een hondje zouden krijgen. Na eeuwenlang gezeur accepteerde mijn vader eindelijk het feit dat de rest van zijn gezin wél toe was aan een huisdier en gingen we op zoek naar een geschikte fokker. Ik zou bijna 8 worden toen we naar je gingen kijken. Al meteen mocht ik de man niet die jou uiteindelijk aan ons zou verkopen. Hij praatte over jou, je broertjes en je zusjes alsof jullie handelswaar waren. Ergens was dat natuurlijk ook zo, maar je was een levend iets. Iets waar je met zorg en liefde mee om moest gaan. Je ouders mochten we niet van die man zien. ‘Te veel stress’ was het excuus. Dat was al meteen een giga red flag, maar hey, zoiets realiseerde ik me natuurlijk op dat moment niet. Ik was immers over de wolken vanwege het feit dat ik dan eindelijk een hondje zou krijgen. Daar zat je, ineengedoken in de hoek van de afgesloten speelruimte. Je broertjes en zusjes waren enthousiast ons te zien. Ze likten onze handen en sprongen dolblij op tegen de kartonnen scheiding tussen ons. Ik had het oog op je zusje; een gezonde, lichtgebruinde jack russell. Ze klom bovenop de rest en deed zo gek, waardoor ik haar het liefst wilde. Mijn moeder zag dit anders. Al meteen keken mijn ouders alleen maar naar jou, maar niet omdat je je zusje probeerde te evenaren. Nee, je zat daar te rillen van de angst. Je was een stuk kleiner dan de rest van je familie en je ogen puilden uit je kleine kopje. Doodsbang was je, niet alleen voor ons, maar voor alles om je heen. De man zei dat hij jou wilde gebruiken om mee te fokken, aangezien toch niemand jou wilde hebben vanwege je uitstraling en karakter. Mijn ouders besloten op dat moment meteen dat jij met ons mee zou gaan. En wat ben ik blij dat ze dat hebben gedaan.
Je hapte naar de hand van de man toen hij je optilde uit de speelruimte. Ook jankte je, volgens mij van de angst. Je was zo bang, het doet me nog steeds pijn als ik daar aan terug denk. Je kreeg een chip in je nek en mijn ouders wikkelden je in een warme deken. Nog steeds was je bang. We namen je mee de auto in en kochten op de weg terug alles wat we voor jou nodig hadden. Eenmaal thuis besloten we je de naam Chip te geven. Waarom weet ik nog steeds niet, maar goed, de naam is er. Al vanaf het begin dat we je hadden was je angstig, maar hoe meer dagen je bij ons was, des te meer je je mannetje ging staan. Je werd speelser, kwam bij ons liggen, liet je aaien en je leek gelukkig te zijn met ons als je gezinnetje. Ik was dolgelukkig. Enthousiast vertelde ik op school alles over je. Als ik thuis kwam wilde ik alleen maar met je spelen en spelen. Je was zo geliefd door ons. Zo geliefd.
Twaalf jaar lang was je een soms nog angstige, maar rustige en vooral lieve hond. Je was gezond, gelukkig. Ik merkte in de laatste paar maanden dat je wat ouder aan het worden was, wat natuurlijk niet gek is. Je kopje werd wat grijzer, de wandelingen korter en je dutjes langer. Maar je was gezond. Totdat ik een avond in bed lag en een weerzinwekkend gejank uit de keuken hoorde komen. Het klonk gek genoeg als vuurwerk. Vuurpijlen om precies te zijn, die een voor een werden afgeschoten. Ik wist niet wat ik hoorde. Ik rende de trap af, samen met mijn ouders. Daar lag je in je mandje, snel te hijgen. Je lichaam was slap en je lag versuft in je eigen plas die je had laten lopen. Dat beeld vergeet ik nooit meer. Die nacht hebben we je bij ons gehouden, gewoon ter controle. De dag erna ging het vreemd genoeg goed met je. Je liep gewoon rond, je at en je sliep normaal. Raar. In de twee maanden erna merkten we dat je aan het aftakelen was. Je was plotseling doof geworden en begon soms op een vreemde manier te hoesten. Na een bezoekje aan de dierenarts bleek je een ernstige hartziekte te hebben. Je kreeg zware medicatie en je moest speciaal voer eten. Lichamelijke inspanning was uit den boze. In het verloop van de maand hierna ging het steeds slechter met je. Je leek soms flauw te vallen, je wilde niet meer van je nieuwe voer eten en je wilde niet meer naar buiten. De zaterdag van twee weken geleden kreeg je weer een hartaanval. Mijn moeder belde me hierover op en ze zei dat het echt niet meer zo langer kon. Ik zei dat het wel goed zou komen, maar stiekem wist ik beter. Het ging zo snel slecht met je. Vorige vrijdag vond mijn moeder je in je mand. Je had je ontlasting laten lopen, je kraste met je tandjes over de keukenvloer en je had vreselijke stuiptrekkingen. We besloten dat dit echt niet meer verder kon. Je was een geest van de hond die je ooit geweest was. Zaterdagochtend, heel vroeg, heb ik je in een deken gewikkeld en op mijn buik gelegd. Je sliep veel, en soms maakte ik je wakker om iets te eten of te drinken. Om 10 uur kwam mijn moeder thuis en nadat ook mijn vader gearriveerd was, was het tijd om afscheid te nemen. Vluchtig pakte mijn moeder je van mij over. Nee, dacht ik. Dit gaat me te snel! Ik kuste je stevig op je lieve zachte hoofdje en mijn ouders vertrokken met jou in een deken gewikkeld naar de dierenarts. Ik huil er nog steeds om. Het ging me allemaal veel te snel. Ik had je nog dagen willen vasthouden, knuffelen, zeggen dat alles goed zou komen. Je zachtjes willen aaien, met je gekke flaporen spelen. Gewoon bij je zijn.
Twee uur later kwamen mijn ouders met je levenloze lijfje thuis. Als een baby hield mijn moeder je vast. Het leek net of je sliep. Zo mooi was je. Die dag hebben we je dicht bij ons begraven, zodat je nog steeds een beetje bij ons bent en zou blijven. Zo snel. Lieve Chip, het ging me allemaal veel te snel.
Het spijt me dat ik je niet beter kon maken. We missen je zo erg. Je aanwezigheid, je gekwispel, dat lieve schattige kopje van je. Ik hou van jou, kleintje. Je zal altijd in mijn hartje blijven en ik denk met onbeschrijfelijk veel liefde aan je.