Ze kan net de zon zien, een witte vlek boven het wateroppervlak. Met haar vingers en tenen probeert ze zich vast te klauwen in het zand. Ze blaast de resterende lucht uit haar longen, wil zo graag onder de golven blijven. Niet bovenkomen nu, niet bovenkomen. Ze hoort het ratelende geluid weer. In haar hoofd ontploffen sterretjes, ze moet ademhalen.








