Tweeling
Eeneiige tweeling zijn is vooral mooi, maar het heeft ook iets noodlottigs. De kans was vrij groot dat mijn broer en ik destijds tegelijk op de wereld zouden komen- de kans daarentegen dat we de wereld tegelijk zullen verlaten vrij klein. Tja, dat klinkt zwaarder dan dat het voelt, maar toch.
Het is ook vaak tegenstrijdig, tweeling zijn. Zo hunker je ernaar om als uniek individu gezien te worden, en dan toch ben je teleurgesteld als niet jij- maar je broer wordt uitgenodigd voor een feestje. Je verkondigt dat de vergelijking tussen je tweelingbroer en jezelf irrelevant is, maar zelf leg je prestaties bewust en onbewust langs de lat van je broer.
Mijn broer en ik hebben de afgelopen 29 jaar vergelijkbare interesses gehad. Muziek, voetbal, bier, vrouwen, familie en vrienden. En dat is net zo doorsnee als dat het klinkt. Maar mijn broer gedraagt zich de laatste tijd anders. Alsof hij een memo heeft gelezen die ik niet eens gekregen heb. Hij spreekt bovendien een soort taal die ik niet altijd volg en hij draagt ook vaak strakke kleding. Hij praat over focus, over suffer zones en haarspeldbochten. Over modder, segmenten en rolweerstand. Over waaiers, over op de kant gooien en uit het wiel schieten.Â
Het is even schakelen, om in zijn termen te blijven. Het is schakelen om hem een interesse, nee, passie te zien hebben die jij niet in dezelfde mate deelt. Onwennig is dat, soms. Waar ik altijd zei dat we twee individuen zijn, zie ik het nu ook. Logisch natuurlijk, we worden ouder en de koers van onze levens verandert.
Het is de ochtend na een avondje NAC en ik ben bij hem blijven logeren. Ik sta op, rond een uurtje of negen, na te veel bier en te weinig slaap. Als NAC-supporter leer je de spaarzame driepunters maximaal uit te buiten. Mijn hoofd doet pijn en mijn lichaam is vermoeid. Hetzelfde moet gelden voor mijn broer. Ik loop de trap af en hoor gerommel in een kamer op de eerste verdieping. Het is mijn broer. Compleet in lycra. "Ga jij nu fietsen?", vraag ik ontzet. "Ja, tuurlijk", zegt hij resoluut. Ik meen opwinding in zijn stem te horen.Â
Na het ontbijt stappen we samen naar buiten. Hij met de fiets, ik met de autosleutel. We zeggen elkaar gedag. Ik kijk hem nog even na wanneer hij vooruit schiet met zijn fiets. Ik hoor het geluid van banden op asfalt. Zoef, zoef, zoef. De renner, één met zijn fiets, als waren het tweelingbroers.






