De lucht drukt op mijn slapen en het zuurstof gehalte daalt zodra ik door de automatische glazen deuren de hal binnen wandel. Ik begroet de man in uniform die de poortjes bewaakt met een knik, sluit achter aan in de rij, en wacht net als de rest geduldig op mijn beurt.
Daar aangekomen maak ik oogcontact, doe mijn tas open, en mompel vriendelijk de cijfers die mij de exclusieve toegang geven die ik nodig heb. 814267. De tijd van binnenkomst wordt op de minuut na nauwkeurig genoteerd. Evenals het aantal elektronische voorwerpen die ik bij mij draag.
Terwijl de bewaker mijn gegevens opschrijft fantaseer ik dat ik op een vliegveld ben. En dat deze procedure mij toegang verleent tot een vlucht van 9 uur met de bijbehorende kunstmatige ijle lucht. Een vlucht die mij door te tijd laat reizen naar een oord waar de zon mijn huid iedere dag van het jaar zachtjes kust, en de regen een welkome gast kan zijn. Ik wordt bruut uit mijn dagdroom verstoort door de volgende in de rij, en begeef mij naar de poortjes die vanuit zichzelf
uitnodigend open zwaaien. Na de poortjes loop ik direct naar een zijdeur, waar een versleten stalen wenteltrap naar de kleedkamer leidt.
Daar trek ik mijn rode tenue aan en hang een sleutelbos aan mijn broek die met elke stap die ik neem zachtjes mijn aankomst verklapt. Ik zet mijn masker op. Mijn tas en vrijheid laat ik achter in kluisje 125.
Voor ik al rinkelend terug de trap op wandel, laat ik mijn digitale vingerafdruk achter op een kastje aan de muur die opnieuw mijn aanwezigheid controleert. Ik wacht tot de digitale letters van goedkeuring op een klein schermpje te voorschijn springen. ‘Geaccepteerd’ prevelt de vierkante robot in stilte. In mijn gedachten heeft het ding een irritant klinkende stem. Ik draai mij om en loop terug de trap op naar de bovenverdieping, klap de deur open en stap een andere wereld in.
Eenmaal binnen kom ik in een stroomversnelling terecht. Overal om mij heen is beweging. Duizenden apparaten staan kris kras door elkaar uitgestald tussen typografische reclame borden met schreeuwende kreten. Het is druk. Vol. Muziek van drie verschillende artiesten vechten om de aandacht terwijl de decibel uit de high-tech speakers van meerdere afdelingen dreunen. De nieuwste video van Beyoncé, en de match Ajax-Vitesse spelen zich afwisselend af op 3 dozijn enorme beeldschermen die menig woonkamer muurtje voor een kwart zouden kunnen vullen. Tientallen mensen dolen rond op de uitgestalde paden, afwisselend de aandacht op hun smartphones en de prijskaartjes van artikelen in de schappen. Een enkeling pakt een apparaat op om het grondig te bestuderen terwijl een groep mensen in dezelfde rode kledij als mij met haviksogen wachten op het juiste moment om toe te slaan.
Ik recht mijn rug en baan mij een weg naar mijn afdeling. Het geheel voelt als een aquarium in een oceaan en ik, ik zwem tussen de andere vissen tussen de glazen muren. Het gebrek aan zuurstof doet ons allen naar adem happen. Op de afdeling begroet ik mijn team met een stevige handdruk. Ik ben de enige vrouw, en de komende 9 uren zullen de gesprekken onderwerpen aankaarten als techniek, vrouwen, gadgets en nog meer techniek. Hier en daar worden we onderbroken door mannen in blauwe overhemden met stijve stropdassen. Haaien. Wanneer een in aantocht is verspreidt onze kleine school binnen een seconde over de afdeling om ons te ontfermen over de genen die vrijwillig de paden bewandelen. Het doel is, hoe meer hoe beter. En met elk product dat ik verkoop, geef ik een stukje van mijn ziel gratis weg.
Ik voel hoe de straling van alle apparaten mijn lichaam perforeert en langzaam opbouwt tot een welgevormde migraine in mijn hoofd. Bij ieder moment dat voorbij gaat wordt mijn hoofd voller, mijn blik leger en mijn drang naar rust groter. De droogte in de lucht zorgt ervoor dat ik mijn labello liever in mijn neusgat steek dan op mijn gebarsten lippen smeer. En aan het eind van de dag tuur ik bijziend met geknepen ogen, om het kunstmatige licht wat zich via mijn ogen een weg door mijn schedel snijdt zo min mogelijk binnen te laten.
Verlossing komt door middel van een krakerige vrouwenstem op de intercom die de laatste 5 minuten aankondigt. Het is tijd. Tijd om mijn tenue in de wasmand te gooien en opnieuw aan te sluiten in de rij bij de poortjes waar mensen nu ongeduldig heen en weer schuifelen. Opnieuw mompel ik mijn nummer, open mijn tas en laat de inhoud controleren door de bewakers. Ik krijg groen licht, stap door de poortjes, duw de deur naar buiten open en vul mijn longen met een teug koele frisse avondlucht.
Het is donker. Ik doe mijn ogen dicht. 'Vandaag was de laatste keer.’ Denk ik hardop.
Ik blijf de woorden herhalen als een monnik die een mantra opdreunt terwijl ik richting het metro station loop en de verbaasde blikken van voorbijgangers negeer. 'Vandaag is de laatste keer.’
Men zegt dat een vis na een rondje zwemmen in zijn kom vergeet waar hij is, en hetzelfde rondje eindeloos kan maken zonder zich de herhaling te beseffen. Maar deze vis vergeet niets.
En terwijl vandaag in morgen verandert herhaalt het proces zich. Langzaam. Slopend.
Tot ik mij iets besef wat ik diep van binnen al wist. Dat mijn gevangenschap evenveel een illusie blijkt te zijn als mijn vrijheid. Een nieuwe morgen verandert in een vandaag. En ik, ik ben nog steeds een vis, tussen de vissen. Met nieuwe muren, grenzen, en beperkingen.
Alleen heeft ook deze vis heeft haar vleugels ontdekt, en zijn glazen wanden geen obstakels meer voor mij.