Uittreksel âMeditatieâ (Mieke Mosmuller, Occident, 2007)
De eerste stappen op het pad van meditatie brengen geen gelukzaligheid, maar een volledige, eerlijke confrontatie met het eigen wezen tot stand: geen zin om te mediteren, redenen vinden om maar niet te hoeven mediteren, angst voor wat er staat te gebeuren, twijfel of men het wel goed doet, twijfel of het wel ergens toe leidt, enz. âHet eerste wat men mag zien is niet de schoonheid van het Al, maar de onmacht van het eigen zelf ⊠De zich ontwikkelende kracht heeft als eerste opgave dit lager zelf onder ogen te zien en het om te vormen. Die omvorming is tegelijkertijd een opengaan van de poort naar het Al.â
âWe hebben met meditatie geen ander doel voor ogen dan ontwikkeling ⊠Alle verontschuldigingen om niet aan zichzelf te werken berusten op niet-wil. En de vrijheid ligt juist daar: te willen of niet te willen ⊠We moeten ⊠van een passieve dromende ziel een bewuste actieve ziel willen worden ⊠Meditatie is in aanvang een aangelegenheid van de wil.â
âEen ding roept in mij een voorstellng op: ik vorm haar strikt naar haar wezen, of ik vorm haar vanuit eigen ervaring, mening en behoefte.â
âJe kunt iets pas onderzoeken als je je op enige afstand bevindt. In het bewustzijn zit je echter midden erin, daarom is objectieve zelfkennis in eerste instantie werkelijk onmogelijk ⊠De eigenlijke mens, diegene die je werkelijk in zuiverheid bent, leeft bewust en actief in het zuivere denken ⊠Ze neemt de vorm aan van het niet kunnen verdragen van enige volmaaktheid van het âzelfâ âŠ, het is een voor het eerst opglanzen van een hoger Zelf ⊠De wilskracht stuurt je op, uit het verstand in de richting van het zuivere denken.â
Er zijn twee wegen om het zuivere, vrije, lichte denken te bereiken:
Het beoefenen van het zuivere denken in een zintuigvrij element. Men bestudeert, met gesloten ogen, een denkinhoud die geen enkele invloed van de zintuigen meer heeft.
Het beoefenen van het zuivere denken in de zintuigelijke waarneming. Men tracht zich al denkend te leven in wat in de waarneming gedacht wordt, nog voordat het oordeel (besluit) wordt gevormd. Het is een denkend constateren (objectief); geen concluderen (subjectief).
De innerlijke discipline die voor de tweede weg nodig is, wordt door middel van de eerste verworven. In theorie kan ook met de tweede weg worden begonnen, maar in de praktijk blijkt de denkkracht, de denkdiscipline, daarvoor te gering. Hoewel de eerste weg beslist de beste is, kun je het element van het zuivere denken ook bereiken door direct, zonder âstudieâ, met de hier gegeven meditatie (zie âDe Rozenkruis-meditatieâ) beginnen.
âStudie vraagt altijd een vorm van zelfoverwinning âŠâ: ik heb geen zin, het is zo moeilijk, ik moet er zo veel voor doen, e.d. âMaar de toename in zuiver innerlijke kracht is het geschenk, het âdiplomaââ: doorzettingsvermogen, zelfvertrouwen, kennis, nieuwe inzichten, zelfoverwinning, zelfwaardering enz.
Ad. Het beoefenen van het zuivere denken in een zintuigvrij element.
âZuiver denken vinden we overal, waar in algemene principes en begrippen wordt gedacht, zonder deze op de natuur, het leven, de wereld, jezelf te betrekken.â Hierbij kun je denken aan de (niet-toegepaste) wiskunde. In de axiomaâs en bewijsvoeringen hebben we direct toegang tot het denken in zuivere begrippen. In begrippen als bv. âcirkelâ heerst licht, orde en overeenstemming. Zo kun je ook een zuiver denken vinden in de algemene wetten van bv. de natuurkunde of de scheikunde. Zodra ze worden toegepast op een bepaalde specifieke situatie, verlaten we het zuivere denken.â
In de filosofie is ook een zuiver denken te vinden, echter, filosofie is niet zo door en door te vertrouwen als wis- en natuurkunde. âDe persoonlijke mening kan bepalend zijn, waardoor het denken uit het zuivere denken in het gewone denken omlaag valt.â
Ad. Het beoefenen van het zuivere denken in de zintuigelijke waarneming.
Als je in de natuur loopt houdt je jezelf daarvan gescheiden door je associatieve gedachteleven. Maar op het moment dat je naar een bloem kijkt, zonder denken, staart het je slechts aan. âJuist het beseffen van wat je waarneemt â al vorm je geen gedachten â is het denken in de waarneming âŠÂ Waarnemen en denken zijn hier één, natuur en âikâ zijn hier één ⊠de waarneming is gezuiverd tot een begeertevrij kleed ⊠Het gewone sympathie-antipathie oordeel is geweken ⊠Je raakt aan het wezen der dingen ⊠Het vatten van de idee in de werkelijkheid is de ware communie van de mens.â
âVerstand doodt alle gevoel, het moet dat ook, want het beroept zich op objectiviteit. Gevoel is het meest subjectieve wat er is, maar het meest rampzallige wat een mens kan gebeuren, is dat hij niet meer kan voelen ⊠Het gevoel wordt gestemd door zowel onze binnenwereld als ook door de buitenwereld ⊠In het eerste geval waardeer je alles naar je eigen maatstaf. In het tweede geval spreken de dingen hun waarde in je gevoel uit. Dat is de tweespalt in het voelen: egoĂŻsme en liefde ⊠Telkens is er die mogelijkheid van zelfzucht en onzelfzuchtigheid.â
Het voelen is onder te verdelen in:
Het voelen stemt het denken, het denken stemt het gevoel
Het voelen stemt het handelen, het handelen stemt het gevoel
Het gevoel kan zodanig ontwikkeld worden dat het zichzelf voelt (hierbij kun je denken aan het zogenaamde âfocussenâ van E. Gendlin)
1e trap: imaginatie (het gebruiken van de beeldvormende kracht)
De hier beschreven meditatie leidt tot een volledige omvorming van het kenvermogen (zie ook: âMetamorfose van voelen, denken en de wilâ aan het slot van dit uittreksel). Het gaat hierbij niet om het verkrijgen van méér kennis of een vergroting van het blikveld. Om verder te kunnen gaan in het waarnemen en denken dan het alledaagse (incl. de wetenschap/kunst) moet ons kenvermogen worden gekneed, plastisch worden, maar ook een totaal ander standpunt leren innemen. Daarom mediteren we en nemen we ons uitgangstpunt in het denken, in het voorstellen. Denkende meditatie is wat we beogen. De lichaamshouding is onbelangrijk, al blijkt een te ontspannen lichaam de actief denkende aandacht alleen maar te verzwakken.
In de meditatie wordt het fysieke lichaam als het ware vergeten door actief te gaan denken. Het denken is van nature het meest lichaamsvrije element; het willen en het voelen zijn te sterk met het lichamelijke leven verbonden. âAls je ⊠een denk-inhoud kiest, die niet aan het leven in het lichaam herinnert, wen je je aan een leven buiten het lichaam.â
De zin âde wijsheid leeft in het lichtâ (zie ad. 1 â hieronder) moet/kan niet met het gewone begrijpen worden beoordeeld en het beeld van de Rozenkruis-meditatie (zie ad. 2 â hieronder) heeft een betekenis die niet overeenstemt met het verstandelijke begrip dat bij dit beeld kan horen.
Ad 1. Bij de zin âde wijsheid leeft in het lichtâ kun je je afvragen:
Hier is het denken actief in het onderzoeken (mediteren). Het stopt als we conclusies trekken en antwoorden gaan geven als âjaâ en âneeâ; zonder meer. Veel gemakkelijker is het om aandachtig te blijven als je met je denken in beweging blijft. Dan begeef je je met je denken zo veel mogelijk in verschillende gedachten en voorstellingen rondom een gegeven meditatie-inhoud. DĂĄĂĄr gaat het om: het ontplooien van een volkomen aanwezige aandacht in een rond een zin als âde wijsheid leeft in het lichtâ. Even bestaat er niets anders meer dat het waard is om je aandacht te krijgen; even heb je voor de wereld, je lichaam en je herinneringen geen tijd. Uiteindelijk â en dat zul je wel merken â raak je uitgedacht en kom je stil te staan. Dan is er nog slechts een denkende stille aandacht voor de zin (schouwen).
We worden zowel vóór als tijdens het mediteren door allerlei zaken geprikkeld die uit onszelf afkomstig zijn â hierbij kun je denken aan verlangens als âik wil liever andere dingen doenâ, âik heb slaap/hongerâ â of de fysiek-zintuigelijke wereld â âik hoor âŠâ, âik ruik âŠâ, âik voel âŠâ. We worden hierdoor belaagd ⊠bestormd, en we moeten veel moeite doen om ons daaraan te ontworstelen. Gaandeweg wordt duidelijk dat de weg veel langer is dan we aanvankelijk dachten.
Ad 2. De Rozenkruis-meditatie.
In plaats van een zin, nemen we nu een zinnebeeld als meditatie-inhoud. Meditatie moet ons uit het fysieke, uit het zinnelijke bevrijden. Dat kan alleen als het gekozen beeld niet betekent wat het in de wereld betekent, maar iets anders. De rode kleur van een rode roos doet denken aan bloed. Maar het rozen-bloedrood is zuiver. Het is begeerteloos van zichzelf. Het bloed in ons lichaam is troebel; begeertevol. Het rozenbloed kan symbool staan voor zuiverheid en onzelfzuchtigheid want de plant wil niets van zichzelf en groeit en bloeit voor iedereen, ongacht zijn of haar interesse voor de bloem en wat men daarmee gaat doen.
Bij de Rozenkruis-meditatie komt het niet alleen aan op een in- en aanspannen van het voorstellingsleven, maar tevens op een zich laten bevruchten door het beeld in het gevoelsleven. Je zult merken dat als het nog allemaal nieuw voor je is, dat het misschien wat moeite kost, maar het wordt nog lastiger (en anders lastiger) als je het ook nog eens dag in dag uit blijft doen. Naast vechten tegen het aanstromende alledag-gedachtenleven, moet je ook nog vechten tegen de routine.
Uitleg van de Rozenkruis-meditatie:
1e trap: imaginatie (de beeldvormende kracht inzetten)
Stel je een rode roos voor en voel/neem waar dat de plant onderhevig is aan de wetten van de natuur; door zijn groene sap kan niets uit zichzelf. Dit maakt dat hij zuiver is. Rein.
Stel je een mens voor en voel/neem waar dat de mens onderhevig is aan zijn begeerten; door zijn rode sap wil hij van alles bereiken, verwezenlijken, hebben totdat hij naar hogere doelen begint te streven omdat hij gaat inzien dat zijn zelfzucht hem geen voldoening meer schenkt.
Stel je vervolgens een donker, houten kruis voor. Bij het zwarte hout probeer je te voelen dat je wilt dat je lagere krachten (uit)sterven.
Stel je voor dat uit het dode, zwarte hout van het kruis leven voortspruit. Er vormen zich zeven rode rozen om het snijpunt der kruisbalken. Je wordt zuiver.
Je neem denkkracht waar tussen je ogen/in je voorhoofd. Nu gaat de meditatie (activiteit) over in contemplatie (passiviteit). Je geeft je over aan de denkkracht, je doet moeite om je lichaam/ademhaling zelfstandig te laten functioneren
Je stopt je wil in de denkkracht, laat die toenemen/leven en tracht langzaam uit het brandpunt in de periferie te komen.
In de 1e trap (imaginatie) oefenen we ons in exacte verbeelding. We vormen onszelf om tot een zelfgemaakt beeld. Dit is geen werkelijkheid, maar wel een realiteit. De enige werkelijkheid daarin is de telkens toenemende innerlijke activiteit â in eerste instantie merkbaar als denkkracht, als concentratiepunt boven de neuswortel. Bij voortgezette oefening breidt deze stuwende kracht zich uit naar het strottenhoofd, het hart en de armen en handen. âJe hebt geen visioenen, geen bovenzinnelijke waarneming van gestalten of wezen. Er is slechts de bundeling van je eigen denk-energie, waarin je niets gewaarwordt dan je eigen gestuwde fantasiekracht âŠâ Dan komt de volgende trap in zicht: inspiratie.
2e trap: inspiratie (het waarnemen van de beeldvormde kracht)
Vond je jezelf op de imaginatie-trap innerlijk als een zelfgemaakt beeld, door jezelf gemaakt als denker, als voelend en als willend wezen. Op de 2e trap beleef je jezelf als een merkbare stuwende kracht. Je hele wezen wordt ermee opgevuld, gestuwd, waardoor je haar gewaar wordt.
Op de deze trap verlegt de aandacht zich van het innerlijk beeld naar de innerlijke kracht. Je blik verschuift één trap verder in de richting van de geest, zij het dat het nog steeds alleen de eigen geest is die je gewaarwordt.
âMediteren van de innerlijke kracht vraagt een veel grotere aandacht dan mediteren van een beeld.â Je ziet jezelf als wevend actief, zonder inhoud wevend aan een sluier, die het je onmogelijk maakt om een andere (geestelijke) inhoud waar te nemen dan jezelf in innerlijke activiteit. Langzaam komt er een golvend ritme in de kracht, een ander ritme dan de hartslag en de ademhaling. Het is een langzaam aanzwellen en weer afnemen van smart. Er is een tweedimensionale beweging. Je bent zelf op elk bewegend punt, op alle punten tegelijk in beweging, vormen en figuren bewegend die je niet zou kunnen tekenen, omdat je daar altijd van punt naar punt gaat. Hier ben je alle punten tegelijk in een veelvoud van bewegende vorm.
3e trap: intuĂŻtie (de herkenning van de beeldvormer)
Op de derde trap is alle inhoud in het denken â die nog herinnert aan het aardse leven â omgevormd in wervelende, sproeiende levenskracht. In bewegende vormen bespeur je de levende architectuur van je lichaam, zij het nog heel elementair. De stilte van je fysieke vorm is overgegaan in het leven van de beweging. Toch weet je: alles wat ik beleef ben ik nog altijd zelf. Ik moet wĂ©l actief blijven, wil ik in dit bovenzinnelijk element standhouden. Hier passief worden betekent: terugvallen in het gedachteleven van alledag.
Terwijl de beeldvormende kracht in volle werveling is, kan het gebeuren dat je aandacht zich plotseling verplaatst van de krachtontplooiing naar de ontplooier. Er is nog slechts de beeldvormende kracht die één en hetzelfde is met het denkende. De denkende, die nu ook actief niet kan denken, moet zo leren zich te laten denken.
De beeldvormende denker (1e trap) weefde een sluier: de actieve niet-denker trekt de sluier die de openbaring van zijn zelf is weg, trekt het weefsel los, wordt doorzichtig zonder te verdwijnen (2e trap). De immense diepe duisternis biedt de vorm voor de geestelijke wereld. Ze zwijgt en de geest begint te spreken, in beeld, woord en wezen (3e trap).
Daar waar de beeldvormende kracht ontspringt vind je de derde laag: de laag van de beeldvormer, van de denker. Een grootse, immense duisternis doet zich aan je voor. Je staat tegenover jezelf, tegenover je wezen. Je leeft in een diepte die aanvankelijk duister en toch door en door bekend is. In het gewone leven noem je die diepte âikâ, maar je hebt er geen idee van hoe onpeilbaar diep en duister dit âikâ is.
Op het punt waar we nu zijn, hebben we het kennen als aangrijpingspunt voor ontwikkeling naar de geest genomen en hebben we het kennen verruimd tot imaginatie, inspiratie en intuĂŻtie. In de intuĂŻtie vonden we ons wils-wezen, maar het is daar eigenlijk indifferent, het kan vrij kiezen voor goed of kwaad. Daarom is een intensieve morele ontwikkeling een noodzaak. Deze morele ontwikkeling vindt plaats via het 8-voudige pad, geschonken door Gautama Buddha. Daarnaast is er ook nog het 6-voudige pad dat aan de zuivere, levende ziel zelfbewustzijn en meesterschap over zichzelf schenkt. Dit pad is gebaseerd op de Christusimpuls. Buddha als leraar van de liefde en het medelijden; Christus als het wezen van liefde en medelijden zelf.
Zonder de vaardigheid in het 6-voudige pad lijkt de beoefening van het 8-voudige pad een onmogelijkheid.
Het 6-voudige pad is eenvoudig, maar moeilijk. Het vraagt dagelijks niet meer dan 5 min. tijd. Eenmaal dit pad opgegaan, zou je het nooit meer moeten verlaten.
Een gedachtengang in gang zetten: kies een voorwerp en vorm daar vervolgens in een tijdspanne van 5 min. allerlei gedachten over. Kies een eenvoudig door de mens gemaakt - niet kunstzinnig - voorwerp. Bedenk de fabricage, de herkomst van het materiaal, het nut, de gebruiksmogelijkheden, de varianten enz. Het beste is om er een maand mee bezig te zijn. Gaat deze oefening je goed af, dan ben je klaar voor de tweede.
Je iets voornemen en dat ook dĂłen: je neemt je 's morgens vroeg voor, om later op de dag, op een bepaald tijdstip, een zekere handeling te verrichten. Het moet een kleine handeling zijn,die geen andere zin heeft dan het in vrijheid verichten ervan. Hij moet nutteloos zijn en hoewel het net als in de vorige oefening steeds iets anders mag zijn geldt dat de levendigheid ervan nooit in een routine mag ontaarden.
Opletten dat je gemoed niet in uitersten doorschiet: in de eerste oefening ging het om controle van het denken, in de tweede om controle van de wil. Nu gaan we over tot de beheersing van het gevoel. Zonder de voorafgaande oefeningen te verslappen, probeer je nu de beide polen verdriet en vreugde te beheersen. Door beide polen, laat je je niet overweldigen. Juist in het in de hand hebben van intense gemoedsbewegingen ontstaat de gelijkmoedigheid.
Het positieve zien in het negatieve: in de vierde maand ga je bewust op zoek naar het positieve in elke situatie, in elk mens en ook in jezelf, zonder van het negatieve weg te kijken.
Voor alles open staan: je neemt je voor geen enkel voorbehoud te hebben, voor niets en voor niemand.
In jou komen al deze aspecten nu tot leven: in jou heerst de controle van/in het denken, de wil en het gemoed. Je staat gelijkmoedig in verbinding met de buitenwereld. Je ziet het positieve temidden van het negatieve ziet en staat open voor alles en iedereen.
Bij elke stap geldt dat er aan einde van de dag kort op gereflecteerd kan worden: heb ik het wel gedaan? hoe ging het? snap ik waar het om gaat? enz..
In het 8-voudige pad, gaat het om het vormen van:
De juiste mening: je leert pas luisteren naar andere mensen als je je eigen mening laat zwijgen; een zuiver denken is een denken dat is gezuiverd van onnodige ballast.
Het juiste besluit (oordeel): een conclusie van meningen.
Het juiste woord: hier is je aandacht is gericht op het spreken.
De juiste daad: het gaat nooit om de persoon of het ogenblik; je leert steeds meer oog krijgen voor het grote geheel.
Het juiste standpunt: dit laat zich vinden in een evenwicht van uitersten.
De juiste gewoonte: het gaat erom, dat je een verwerkelijking van het 8-voudige pad wordt.
De juiste herinnering: gebruik de herinnering niet om te bekritiseren of om te beleren; gebruik haar om er iets van te leren.
De juiste aanschouwing: ga bij jezelf te rade; reflecteer op het eigen gedrag.
Je lot leren dragen is één ding, je lot bewust scheppen iets anders. Dit laatste kun je doen door je:
denkbeelden te zuiveren (bv. van âEr bestaat geen god/reĂŻncarnatieâ enz. -> âEr bestaan goden/reĂŻncarnatieâ en âGod is een man met een baard die onzichtbaar op de wolken van de hemel naar de hemel kijktâ -> âGod is de absolute grond van het zijnâ)
aan het 6- en 8-voudige pad te houden
bezig te houden met het zuivere willen/voelen en denken
Onthoudt dat zaken als zelfzucht, ijdelheid, eerzucht en ontevredenheid je eigen ontwikkeling in de weg staan. Hier is geen sprake van zuiver willen/voelen/denken.
Het beoefenen van het zuivere denken in een zintuigvrij element (meditatie op het fundament van de vrijheid)
Er is één moment in elk mensen-innerlijk, waar je volkomen vrij bent: de initiatie van het denken. âBeproef jezelf: nergens, nooit zul je een activiteit vinden waarvan je zeker kunt zijn dat ze op vrije wil berust dan uitsluitend in de act van het in gang zetten van een gedachtengang, een denkproces ⊠Natuurlijk, als je een baan hebt waarin je creatief moet denken, is dat een soort dwang om te denken ⊠[maar] Hier gaat het om die uitzonderingsmomenten die je jezelf schenkt, waarin je eigen wil het denken in gang zet.â
Piekeren, dromerig denken, associëren ⊠dat is geen wilsinzet, geen denken.
âHet is gang zetten van het denken in vrijheid is zoals als opstaan uit je stoel en aan het werk gaan â maar volledig innerlijk.â Neem een stukje tekst, een zin, een woord en let telkens scherp op dat begin, op de overgang van passiviteit in activiteit, van niet-wil in wil, van niet-denken in wel-denken. Het vinden van dat punt is een grandioos moment, een gebeurtenis. Je vindt de vrijheid, het denken en de wil. âElke voorstelling van die gebeurtenis doet haar tekort ⊠het is een wedergeboorte uit geest, het is de geboorte van het ik, zoals het alleen maar te vinden is als het zich activeert. Dat vrijheidsmoment, het zich activerende ik, de eigenlijke mens, wordt onderwerp van meditatie. Daarop richt je je opmerkzaamheid, je concentratiekracht, maar ook je interesse en je overgave, je vermogen tot inzicht, ja alles wat je hebt. Meditatie met als onderwerp het moment van vrijheid wordt tot een daad, een act van bevrijding. Je rukt je los van alle objectgebondenheid en daarmee van de reĂ«le gebondenheid aan je lichaam, aan je lot ⊠Dit is het begin van exacte helderziendheid, van geesteswetenschap.â
âEr zijn niet âvele mogelijkheden om tot geesteswetenschap te komenâ. Er is er maar één en die is hier beschreven. Wel zijn er meerdere voorbereidingen tot dat punt, maar het âpuntâ kan niet worden overgeslagen.â
âWanneer je begint met het in gang zetten van het denken is het de ontplooide gedachte die de aandacht vraagt, niet de daad van het in gang zetten. De activiteit moet zelf zo intens en sterk worden, dat ze onder de aandacht kan komen en niet zelf een gedachte blijft.â
âOmdat het in gang zetten van het denken geheel in het gedachteleven zich afspeelt, en het gedachteleven zich afspeelt, en het gedachteleven alleen maar beeld is en geen substantie, treedt het in gang zetten van het denken in eerste instantie ook als beeld in het bewustzijn. Pas door intensieve oefening ⊠komt langzaam iets anders dan beeld in het bewustzijn. Je begint reĂ«el kracht te beleven, je hebt het beeld niet meer zo nodig om aandachtig en wakker in de meditatie te blijven ⊠In de meditatie wordt kracht zelf een beleefbaar verschijnsel. Je bent het zelf, het is je eigen zijn, je ik, je vrijheid van ontplooiing â nu niet meer als gedachte, maar als beleefbare kracht ⊠De beweging die het ik maakt kan vergeleken worden met de uitademing. Je geeft je kracht volledig aan de omgeving, je straalt, vanuit je middelpunt uit. Alleen adem je geen lucht, maar licht uit. Nu tracht je rust te vinden in die wereld van zelf gewild bewegend licht, bewegende kracht. Die wereld wordt nu zelf onderwerp van meditatie.â
Op de 2e trap trachten we het oordelende (besluitvormende), het denkende en voelende ik te vergeten. âDe wilsactiviteit is er nog steeds, zij voorziet het bewustzijn immers van de kracht om in een inhoudsvrije toestand wakker te blijven. De enige energie van het bewustzijn, die in de inspiratie wordt ingeademd, is wilsinzet van het ik, al ziet het valle inhoud-geven af. De wilsinzet moet nu ook nog worden âvergetenâ, terwijl we toch ten volle wakker blijven. ⊠Je bent dan vrij geworden van het ik van nu, zelfs vrij van het ik zoals het deze incarnatie heeft voorbereid en je hebt een innerlijke ruimte geschapen waarin het bewustzijn van vroegere incarnaties kan ontstaan ⊠Pas wanneer de realiteit van het ik van de vorige incarnatie in het bewustzijn begint binnen te treden â en dit is dus pas aan het eind van een lange, zeer intensieve oefenperiode â kun je de waarachtigheid ervan vertrouwen.â
Het beoefenen van het zuivere denken in de zintuigelijke waarneming (meditatie vanuit de Christusimpuls)
Het mediteren vanuit de Christusimpuls verloopt als volgt: we nemen met de zintuigen waar en voegen het denken daarbij.
1e trap (imaginatie): âWaarneming is a.h.w. inspiratie, denken expiratie. De waarneming krijgt betekenis door het denken. Nu kunnen we vervolgens onze blik, ons waarnemen ⊠naar binnen richten, namelijk op het niveau van het denken. Geen waarnemen van het gevoel, van de wil, maar van het denken ⊠Niet wat je denkt is dan van belang, maar hoe het denken gaat ⊠Aanschouwen van het denken, van de intelligentie als innerlijke bezig-zijn, is aanschouwen van datgenee in ons wat zich uit het lichaam als geest kan vrijmaken âŠÂ Het vinden van het begrip bij een waarneming wordt dan een innerlijk zoeken en vinden, het wordt een innerlijke communie.â
2e trap (inspiratie): âStil worden vóór het denken doet je in het lichaam onderduiken. Wakker worden in het actieve denken tilt je juist eruit. Het dan tot zwijgen brengen van het dneken maakt je bereid om door iets anders dan jezelf aangeraakt te worden.â
âEen zeer vruchtbare manier om dit niet-denken te oefenen (nogmaals: nadat het wel-denken tot grote activiteit is gebracht) is het actief maken van de waarneming, zonder gedachten ⊠Dan tracht je beweeglijkheid in die waarneming te brengen door in warmte van de kleuren en tonen, de sympathische en antipatische werking, te leven âŠÂ Dan kan dit zwijgende denkorganisme door een kwalitatieve verscheidenheid worden gegrepen. Het leert in beelden, in plaats van in begrippen te leven, terwijl het even helder en zuiver bewust blijft als bij het oplossen van een wiskundevraagstuk âŠÂ De waarneming begint in beelden te spreken en je vindt jezelf liefhebbend temidden van die levende beelden ⊠De etherische kwaliteiten van de zintuigen beginnen te spreken, de etherwereld, de wereld van het leven begint te spreken.â
Mediteren op het fundament van de vrijheid en mediteren vanuit de Christusimpuls, â⊠het is geensnelle weg naar helderziendheid, veel eer valt er niet mee te behalen en âde wereld zal u hatenâ ⊠Pas na een lange, lange weg kun je de verruiming van het kenvermogen verwachten â die langs andere wegen veel sneller te bereiken is, maar die dan niet verbonden is met je eigenheid, met je individualiteit âŠÂ De meditatieve weg die hier beschreven wordt (in haar drie vormen, die toch elke â hoe verschillend ook â hetzelfde zijn) leidt nooit tot die snelle inwijding.
Metamorfose van voelen, denken en de wil
Metamorfose van het voelen
âGedurende de meditatieve ontwikkeling wordt het voelen steeds meer een waarneming-, een ken-orgaan. De schertpte in het onderscheiden van de kenprocessen en de steeds sterker wordende mogelijkheid om kwaliteit gewaar te worden door die processen te beleven maken het gevoelsleven tot een vermogen om objectief kwalitatief te waarderen ⊠Je onderscheidingsvermogen t.a.v. je innerlijke activiteit is zĂł verscherpt dat je absoluut zeker weet wanneer je zelf oordeelt en wanneer het oordeel objectief in je spreekt. Dit laatste oordeel spreekt dan niet meer abstract in woorden of beelden, het wordt een gevoelskracht die je geheel doortrekt. Je bent een nieuwgeborene: de gevoelswaarnemingen zijn je in hun betekenis vooralsnog vreemd, je zult ze lang moeten koesteren, ze niet meer betwijfelen, ze niet met het verstand paralyseren, voordat ze werkelijk waarde krijgen als kenmethode.â
Metamorfose van het denken
âDoor de metamorfose van het denken, die gedurende de meditatieve ontwikkeling tot stand komt, ontstaat een reĂ«ele beleving van de aard van het gewone denken, van de gedachtewereld zoals we die van nature hebben.â
âJe ontwaakt in je eigen denken met jezelf als denker. Het onthutsende van die ervaring is, dat je iets voltrekt wat niet van deze wereld is. Je treedt een rijk binnen dat werkelijk niet van deze wereld is ⊠Een tweede beleving door de metamorfose van het denken is, dat het vermogen ontwaakt om vóór de gedachte in het denken te kunnen verwijlen. In het gedachteleven zijn we ons de kant en klare gedachten bewust, niet het ontstaan ervan. Door de meditatieve oefening komt daar verandering in.â
âDe betekenis van het woord âwilâ wordt gedurende de meditatieve ontwikkeling een andere. Het wens-karakter van de wil, tot uitdrukking komend in âik wilâ of âik wil nietâ laat van de wil los. Het willen wordt zuivere activiteit, bezig zijn ⊠Er ontstaat een behoefte om erbij te blijven, bij het denken zelf, bij het luisteren, het spreken en het handelen.â
âIn het mediteren hebben we wil in het denken gebracht. Nu leren we geleidelijk om tijdens de meditatie dit denken de denkende wilsprocessen te doordringen.â
âWanneer je het denkende denken oefent aan de hand van het begrip van de cirkel, oefen je het bewustworden van de begrips-zin. Je zou niet kunnen begrijpen als je dat zintuig niet had ⊠Je kunt vervolgens dieper in het zintuigorganisme doordringen door te beseffen dat je een zintuig voor klanken (in de spraak) heb. Met dat zintuig ⊠onderscheidt [je] klanken. Nog dieper dring je in het zintuigelijke organisme door als je je richt op de gehoors-zin (grondtoon/betekenis) ⊠Steeds dieper doordringend bereik je dan de warmtezin. Je begint te raken aan het etherlichaam, aan de etherische zijde van je zintuigorganisme. Van de warmte kom je in het licht, in het zintuig dat aan het licht voor het licht geschapen is: het oog. Denkend lost het oog op tot licht, wevend in â en buiten je. Met nog grotere concentratie kun je dan mediterend leven in de smaak en vervolgens in de reuk âŠÂ Heb je eenmaal de smaak- en de reukzin doordrongen, dan kun je onderzoekend geconcentreerd meditatief schouwend doordringen in het diepe wilsgebied van je fysieke lichaam, in het gebied van de diepst gelegen zintuigen. Je bereikt de evenwichts-zin, waarmee je je fysieke evenwicht waarneemt, je oriĂ«ntatie in de ruimte. Je vindt het zintuig waarmee je de bewegingen van je lichaam waarneemt â de bewegingszin. Tenslotte doordring je de diepste fysieke zin: het zintuig waarmee je je fysieke conditie gewaar wordt, de levens-zin. Met dit zintuig neem je vermoedheid, energie, pijn e.d. waar.â