Spijt zonder spijt
De klok in de woonkamer tikt oorverdovend het tempo waarmee mijn ogen de woorden van het papier van mijn boek vreten.
“Hey, gaat et?”
Ik kijk, meer per ongeluk dan bedoeld, direct in haar vragende ogen. Zelfs in het warme licht van de woonkamer is het vuurwerk in haar groene ogen zichtbaar, een steeds voortdrijvend licht waar ik over de jaren alleen maar meer verslaafd aan ben geraakt.
“Tuurlijk” lieg ik met een toon van overtuiging.
Terwijl de adem van de laatste letter van mijn leugen mijn mond uitwasemt zie ik in haar ogen de gordijnen vallen over dat intense licht waar ik zo verliefd op ben. In een seconde zit ze niet langer op de andere hoek van de bank maar lijkt ze te veranderen in een verdrietig vrouwspersoon aan de reling van een stoomschip dat steeds verder, zij steeds kleiner, van de kade wegvaart.
Zij was aan het begin van alles een doener, uit een familie van doeners die droomden te doen, zelfs als er niks te doen was. Het ventje waarop zij verliefd werd daarentegen was een denkertje. Dat veertienjarige jongetje bekeek de wereld vanuit zijn hoofd en was er van overtuigd dat als hij maar meer in dat bolletje kon stoppen, er een moment zou komen waarop hij de wereld zou begrijpen.
Ken je dat gevoel? Het gevoel dat je hart als is als een zware steen. Een steen die in een lift naar beneden dondert. Vanuit het midden van je borst valt hij in een vrije val naar beneden en tijdens de val lijken afstand en tijd als kauwgom uit elkaar te trekken. Het is gek hoe ervaringen zoals haar kleine hand die de mijne pakt, haar zachte lippen die mijn kus beantwoorden en haar roze en onbedekte lichaam dat zich als een warm en hoekloos puzzelstukje tegen het mijne vleit, in milliseconden en als ingekookte beelden aan me voorbij te schieten terwijl ik haar langzaam maar snel in de verte zie verdwijnen.
In de vele jaren die volgden valt haar in ieder geval niets te verwijten. Ze bleef een doener en werd daarnaast een fantastische moeder en een schitterend mens. Van mij kan je op z’n best zeggen dat ik hard gewerkt heb om ook een doener te zijn… met wisselend resultaat.
De oorverdovende klap waarmee mijn hart aan mijn voeten land, schud me wild wakker. Een wanhopige vechtlust maakt zich meester van mijn geknoopte tong en onverschillige ogen en schopt elke vezel in mijn lichaam in actie:
“Lust je nog een thee?”
In het gordijn dat over het licht in haar ogen is gevallen lijkt nog heel even een bolling en beweging waarneembaar.
“Nee.” Zegt ze, “Ik ga naar bed. Morgen een drukke dag.” De schemer van een ongemeende glimlach flitst over haar gezicht.
Ik realiseer het me. Het moment dat we elkaar, daar tijdens het zeilkamp in de tweede klas van de Mavo aankeken alsof we alles aan boord hadden om dit moment te kunnen overleven was het begin van het einde.


















