alles voor altijd voorlopig
The Stonewall Inn

pixel skylines
cherry valley forever

Andulka

blake kathryn

izzy's playlists!
One Nice Bug Per Day
macklin celebrini has autism
YOU ARE THE REASON

gracie abrams
Aqua Utopia|海の底で記憶を紡ぐ
todays bird

❣ Chile in a Photography ❣

Love Begins
★
Doug Jones

shark vs the universe
Misplaced Lens Cap

Jar Jar Binks Fan Club

#extradirty
seen from Türkiye
seen from United Kingdom
seen from Bangladesh

seen from United States

seen from Malaysia
seen from United States

seen from Malaysia
seen from Germany

seen from United States
seen from United States
seen from Algeria
seen from Malaysia
seen from Vietnam
seen from Philippines

seen from United States

seen from United States

seen from Spain

seen from Malaysia
seen from Jamaica
seen from United States
@dimensieloos
alles voor altijd voorlopig
het leven is een gedicht dat te veel tegelijkertijd probeert te doen.
besluit
ik leg mijn oorsprong in de bruggen tussen dingen niet in de handen of de haren maar het spinnen en de streel. pas nu, nu onze ondergang al vaststaat in tabellen en het galabal in allerijl wordt afgelast omdat de champagnekelder overstroomt kan ik in mijn met mayonnaise bevlekte baljurk in taal bombast als wall street limousines veel te laat de Tekenfout noteren: het besef van het bederven van een brood heeft nog nooit één mens zijn honger kunnen stillen. plato was een idioot. schaduw is een woord dat iemand lang geleden in een rotswand heeft gekapt om zo in duisternis te leren leven en god een uit de hand gelopen metafoor een soort verminkt verhaal avant la lettre dat tijd tot kooi heeft omgezet. dit landhuis waarin wij deze ochtend zijn geboren, het eerste en het laatste hoog en heidens altaar aan die zenuwzieke volatiele millionair kruipt op fluctuatieknieën zacht de grond weer in, verkruimelt, valt, wordt omgevormd tot chrysalis van compost en kapitaal. en in zijn plaats, als door diffusie bouwt de nieuwe garde aan uw toekomst, open en panoptisch kantoorgebouw, gratis wifi. het kantelend gezicht van groeien noemt zijn rondedans vooruitgang en zoekt dan gillend naar de spil. misschien moet ik dus hier, op pad in dit verbrande bos methodes zoeken om narratief te kunnen eren een zangerig metaal om formele fabels van te smeden een culturele mitochondrie, een klein verzet op logge entropie, een denkgelag, magneten, soms een cirkel om rondom te redeneren. en ja, onze lichamen zijn nog niet congruent wij passen nooit volledig in elkanders silhouet u bent mens en ik een onverhoopte misantroop. en toch zijn de meetfouten niet al te groot het dubbel leven tussen ons heeft gelijkaardige gewrichten en elke zenuw kent dezelfde pijn. ik zal geduldig richting uw axioma's graven, een minuskuul waarneembaar universum zijn en u voorzichtig in mijzelf benaderen.
doodgeboren
de ganzen aan de vijver zijn hun kinderen verloren. we hebben ze de hele lente lang gevolgd van kuikens tot iets dat brood en gras verslond van pluis tot dons en dan door parkwacht weggenomen. we hadden ze bijna persoonlijkheden toegewezen telden ze elke dag van op ons smal terras en hoopten op een zomer waar we dan van achter glas een afgedwongen toekomst in de vogels konden lezen. wij wachten niet op kleinigheden, wij zijn nog niet op zoek niet nu, nog niet, naar vijvers om geknakt in te verdrinken maar we weten toch stilaan de samenval te vinden ruiken van langsom meer het sap vertragen in ons bloed. maar ja, in elk moment van stilstand zullen wij de tijd vervloeken bij elke hoop op rustpunt slaan wij voorlopig wild paniek want nu nog kan je zien hoe langs het water kortgewiekt een vader roepend naar zijn jongen loopt te zoeken.
observaties
1. je zegt: het mooiste zijn de dingen die je aan kan raken; het zachte landschap van een man rond kussens dichgeklapt de rook van thee langsheen je vingers en je pitst met warme dampehanden nat de vuile wormpjes vet van uit mijn nek tot ik mij liefjes en verloren bloedend op de plek waar je net te hard geknepen had draai naar stad en ster achter het raam en mok van nee, het zijn de dingen die niet zomaar op papier kunnen bestaan en jij, je leeft gewoon en lacht: ik bied je wel de lippen en de tanden aan van de stemmen die je in de wolken ziet 2. het uitzicht valt wel mee van in de boom die van zijn stapels blaast. ik volg een mier met het wijzen van mijn vinger en zeg: hier is nu jouw pad, ik begrijp waarom je loopt waarom je sterft. ik druk hem dood en kijk verbolgen naar de smurrie op mijn hand en verder, hoe de boom, de wortels onplant met takken als recursie in het ijle rijkt dus daal ik af en vind het gras, de mierenhoop en tulpen. en met nog één hand op de bast twee, drie vingers op dat uitgehouwen graf zal ik traag en snijdend langs het houtwerk gaan het vuil juweel van wetenschap onder mijn nagels dragen en dan gewoon bestaan. 3.
misschien had ik messias moeten worden de gemeente rond mijn podium verzamelen een nieuwer testament in keukentafels stamelen en dan onder een drone tot stof verdorren
een bijbel is toch ook maar een manier van spreken een schrift als richting, al dan niet in functie van een god, dat deze hele chemische reactie een reden tot ideeën geeft een sleutel voor betekenen.
ik mis die rituelen. ik mis het collectieve solipsisme van een klok, het koper μή μου άπτου van fanfares op een kerkhof in verzopen new orleans.
het eengemaakt en doodeenvoudig dagelijks proces waarbij we ons uit ongeluk boetseren tot het weer een louterend verhaal geworden is.
4. de zee is afwaswater. vuil van wier en lijk drijft hier de klippen langs. de laatste opgeblazen buiken van ons vierde rijk zijn anders dan voorzien. ze kaatsen dof op witte rotsen af. een bleke hand doopt diep in eigen as, steekt onbeleefde laatste runen in de modder van dit land. de warm kapotte teksten kleven zingend van de wroeging, van de spijt voor hun bestaan en de zee ontvalt een golf, een onvermijdelijkheid die lied en woorden weer tot bagger balt. (een volta is er niet.)
symptoomloos
(naar Hugo Claus - Marsua)
een vallend mes is enkel lemmet en mijn stem de hand die alles vangt. in een kabinet met slechte lampen, in het knarsen van bedenken en de olie van het branden ben ik alleen tot leenheer uitgeroepen tot vazal, tot horige, tot huisdier van een kuil. een kapotte zak instincten, een alchemie van invalide dopamine kookt in kelders zweet in truien zoekt de zetfout in organen met de gouden schop doorheen het lood. maar zelfs het delven is een soort vergeten jezelf in verschoven rode dekens steken kraakt de nekken, ontbloot de rug. mij heeft niemand te genezen, van deze oorlog kom ik niet terug.
methodologie
van honger komen wolven 's winters uit de bossen zoeken naar het witbevloke dorp met mensen, vlees en eelte handen, huizen met een haard waar de welp gekauwde vacht verzorgt de tuin bewaakt, de kinderen bespringt en af en toe, in zomers dan, het woud weer vindt. dit is geen manifest, ik wil gewoon opnieuw beginnen spreken heb te lang mijn taal tot niets getemd. en ben ik naïef? spreek ik mijzelf soms tegen? ik ben nog jong, ik ben met velen en heb enkel deze stukgerijmde stem.
overzicht
we zijn geboren in de lange zomer, in het drummen van het vallen van de laatste brokken van de muur. wat ons voortbracht was de lente een in parijs ontbloesemde lawine die narcissen in de verse modder plant stenen door de ruiten, diamant over vergaste kamers, naakte jongens en de benen van een vrouw of het meisje zonder ribben, ballerinaschoentjes op parket, sluit kranen en krijgt ogen en de jongens alsmaar groter, delen kinderen uit aan huizen zwellen langzaam tot beton het zijn de mannen met de buiken van na de laatste oorlog, ze blinken de klaroenen, kennen wetten als boeken van vergeelde vrienden die in een diepe kast mettertijd traag de muur beginnen vinden zijn het kind met de gestorven vader dat wil geloven in de nakende genezing van de dood het kleit een reuzenvolk, een land een vijand, een geschiedenis uit zingen, bekkenschuim en zand. maar het liegt; het denkt, heeft het hem laten sterven eens het begreep dat papa ook maar boeken las en ze dan met goden mooier maakte, met verhalen van een volk als lichaam van een god en het liegt; het denkt: ik bouw een beter hemelrijk op aarde uit gelijke delen kudde, mens en ding dit zijn de hondsdagen, alles blistert van de vrijheid, van een lente die bij leegte zweert dat ze nog bloeit. af en toe ontbrandt in hitte plots een auto: de vlammen zijn een dansen en er zit niemand aan het stuur in stilte prevelt ver een megafoon hulpeloos gebeden voor een orde voor de uiteindelijke redding van de tijd maar dit, deze gevangenis abstracte lijnen, dit gezang van vragen aan metaal, plastiek en c++ wat moet ik hier aan werken wat valt er nog te maken van een daverende hand vol stof? er is hier niets meer om te eren: de massa is waanzinnig de markt een diepe ziekte en de mens een blinde hoer.
opgelost
hier, zei de tijdreiziger is je levenswerk ik las en zou nooit meer schrijven.
(synoikisme)
omfloerst
het loopt dood het laatste woord hangt nog samen met rook aan het raam op een lip die nu stilligt en staart ik heb eens gelezen van mannen in kamers in een oorlog die ook niet wou stoppen ze rookten en dronken met ogen die zwegen (het stof in het maanlicht, voorzichtige lampen de geur van mens, grand gousier en tabak) en dan af en toe, fluistert iemand een dode de naam van een makker in slijk en blijft het woord hangen en plakken aan vensters verzinkt in een leegte van stem de rest zal dan knikken zijn ogen en maag in de denkstof verzinken zo ver zal het voor ons wel niet komen hier zijn de stiltes verkleed en zijn mannen gewoon jongens die het niets hebben geleerd
portretten
op 20 maart vroegen omfloerst en anderen vreemden in de bib of ze hun poëzieportret mochten maken: drie ruwe schetsen.
rit we bewogen uit de basis onze schildklieren gezwollen onze beenderen te groot maar we zagen waar de weg over de heuvels plooide en in de akkers langs de roofbouw liep nu vullen we kantoren kijken nog hetzelfde maar van ietsje verderweg
kathleen en heleen liggen er verschillen tussen de vrouw met danselippen en het meisje met de glimlach zonder mond? ergens in dit luide huis is ooit eens iets gebroken ergens diep onder de tafel of dat nu met nieuwe vangst gevulde bed wat is het woord voor het geluid van iets dat heel voorzichtig breekt en dan na het knallen als een meisje met een mondeloze glimlach of als een vrouw met polkalippen spreekt?
eline een mens komt van twee kanten. bijvoorbeeld uit een frankrijk en de machinekamer die deze kluit van metaal en c++ bestuurt hoe pakt ze dit in kitjes? dit gereis langs nieuwe talen of in hoopjes niets georderd dromen hoe sorteert ze deze helften deze hersens, dit uiteengedanste denken tot één lichaam, tot één vrouw?
kapotte sonetten
samengevat (dit is wat voorafging:) een man wordt in een lege kamer wakker en weet niet wat hij moet doen. (de twintigste eeuw ligt hier ergens kort besproken in een boek) hij denkt ontaarding is misschien een goed begin slaap (hij fantaseert:) de matras is ingezakt. buiten sterven mensen en seizoenen aan zichzelf. en dan op straat (er is geen tabak meer) tapijten bot en lijkevlees maar ook hierbinnen vlechten vingers dikke touwen af en toe in een al te snel verzonnen knoop sonnet de zee is afwaswater. vuil van wier en lijk drijft hier de klippen langs. de laatste opgeblazen buiken van ons vierde rijk zijn anders dan voorzien. ze kaatsen dof op witte rotsen af. een bleke hand doopt diep in eigen as, steekt onbeleefde laatste runen in de modder van dit land. de warm kapotte teksten kleven zingend van de wroeging, van de spijt voor hun bestaan en de zee ontvalt een golf, een onvermijdelijkheid die lied en woorden weer tot bagger balt. (een volta is er niet.) scherf ja, hij is geletterd in verloren talen. schildert dan wel doeken vol sonetten over dood. maar hij leeft. hij leeft. want weet je nog dat ene kopje, laatste overlevende van een vervelend lelijk theeservies? hoe het eens aan stukken opeens de laatste lijn naar het verleden was het laatste artefact uit je zinderende jeugd?
sierpinski
er is hier iets veranderd in het licht. er bestaan geen ganzen op de vijver als het vriest volgens de jongen met de fiets en de ogen xtc traag en onvermijdelijk eten wij de denkstof: verbeelden ons de psychedelische bourgeoisie we vullen kamers in de lengte, hangen onbegrijpelijk als fijne blauwe rook in de gordijnen te stamelen jongens als bloeien groeien zich draaiend rond de kasten, spinnend rond de bedden en de kussens iemand trekt een trui uit, we dansen, zijn blote bast is ritme we daveren, we schreeuwen, we zijn oneindig maar we leven nog maar even en waarschijnlijk niet zo lang mathijs, ik moet naar buiten, kunnen we niet even naar de koude, ik wil hem voelen, hem begrijpen tiens, waar zijn de ganzen nu naar toe? het zijn deze avonden, deze met ijs verpakte nachten ergens schokken jongens ergens schiet een ander bij muziek aan gele tulpen er zitten mensen op chauffages, de onderbroek wit klassiek tussen de benen ze huilen, niet vanbuiten, niet als kinderen, maar als man er is de grijze trui van vroeger, van het meisje met de lippen en de koek zijn warmte is een fort, een kamer waar het altijd klinkt ergens klimmen kinderen op torens, krabben elkaar de kleren als dode vellen van het lijf ziet een man ze zich drogen in het gras, ergens staat een jongen voor zijn venster, hij denkt in bomen, rekent benaderend en zingend alle ziektes uit zijn huid er ligt een vrouw aan stukken, in een mandje stil te denken van de bedden en examens en de dood we zijn oneindig maar we leven nog maar even en waarschijnlijk niet zo lang en dan zet iemand schubert op en is het stil
de tilkesjacht
kalksteen (naar J. A.) met halfdoorschoten haren, en de stemmen jonge wolven zingt ze broadway, jaren twintig danst in uiteengevallen benen met boog in de gebalde vuisten een french cancan in bloedarmoe kraakt ze zacht en met gebleekte handen al wat haar als bange welpen klein de ruggenwervels toont godin van beesten is het wild dat zich wil laten vangen; zij die hert in zich erkent. maar ze is niet onafbreekbaar: haar bloed is aardewerken aders haar heupen zijn poreuze monarchiën ze sterft aan stukken in de stil barokke jacht van zuchten die haar kniëen erodeert ze wordt de kogel en het slopen op de pees in de verkalkte vingers en de wolven aan haar stem ze wordt een koor van scoliose: de handen zo fragiel dat niets ze nog kan openen. laurier (naar J.) het oudste beroep is vrouw, grijnst hij zijn ogen zijn verbrande bakens kaarslicht, rilatine en gitaar. hij schaaft de meisjes tot zijn blanke beelden, tot gelipte huizen, nesten opgebouwd uit prikkend zaad en tak. oppergod van jagers is de stille lokker: hij is de stomme honden, dansend aas, de pijlen en de drijvers tegelijk. maar zij sterft nog liever brandend ze schiet in bloemen, groeit een bast van korstmos rond haar borst. zijn bezwete zingen zwijgt als bossen voor de regen: alles stopt en wacht op inslag, ergens jankt er nog een hond. hoe vreemd dat zij, fragiel, versteend, hem bijna als voorspeld kan breken, dat het de wichel is die knakt. hij kruipt aan de in klei gestoken tenen zijn tieren is geweldig, hij blaat als een in de nacht verdwaalde ram. hij nest zich kreunend en verslagen in het lage breekhout van haar benen en baart daar kwaad een vlam. vlees (naar M.V.) maar ze was niet onafbreekbaar haar polsen werden kippenwit haar kruin geslacht met botte messen in het begin, toen stonden hier geen kasten, europa sliep nog in de duigen van een lange koude dag ze hielden van het werken en de kinderen. god bestaat hier niet. enkels deze tafels, dit tapijt. op houten dozen rekken kwamen jongens, ze gaven hen kamers met piano's en buiten een nog vol te bouwen veld. het kon nog vriezen toen, ze gaven meisjes stapelbedden dikke dekens en een slee en in een zetel zit een god te sterven, eet gebakketatjes uit verdorde handen, graaft braaf valleien in een wang zij schimmelt stil, de scherven in haar hersens smelten niet, ze kennen alle kantjes, alle barstjes in de muur. ze vegen langzaam als een bezem als het trage faden van een film alles om tot stof, maar teder.
de archivaris
Het was woensdagmiddag drie uur toen de archivaris besliste zijn fort te stichten. Het tussenverdiep was donker, er was een mond die trilde, een stoel die achteruitschoof, het zweet van een oude man en het geluid van zware kartonnen dozen. De bouw begon.
proloog
er zijn zo weinig woorden die werken. écht werken. waar je kleine, lieve denkdingetjes van kan maken, heel soms gedichten als hersensteuntjes als verderzetten van de klanken die je driejarig met splinternieuwe ogen hand op vacht de poes hebben leren kennen.