Als ik 's nachts wakker lig, is elke voorbij bulderende vrachtwagen het uitbreken van de Derde Wereldoorlog. 's Nachts zijn de schaduwen van de bomen op de muur de klauwen van nachtmerries die me over willen halen om buiten te komen spelen. Daar heb ik dus geen zin in, dan blijf ik liever wakker om alvast na te denken over wat ik de dag erna stuk kan maken, over hoe en waar ik kan blunderen.
Als ik dan toch per ongeluk in slaap ben gevallen, word ik weleens wakker uit een nachtmerrie en weet ik zeker dat de wereld net zo is als in mijn droom. Heb ik gedroomd dat er een man in de badkamer zit, dan zit er een man in de badkamer. Die man is daar dan niet om de wc schoon te maken, nee, die zit daar te wachten totdat ik weer in slaap val zodat de kranten morgen kunnen koppen met: ‘Slapend jong stel om het leven gebracht’.
Ik moet iets doen om dat te voorkomen, dus ik waag het erop mijn benen uit bed te zwaaien. In mijn string ren ik vervolgens naar de hal, zie daar niemand en ren dan weer terug. Hijgend lig ik daarna in bed. Wat ik nu vastgesteld heb, is dat er niemand in de hal staat, maar verder niks. Voor zover ik weet, zit die man dus nog steeds in de badkamer. Er zit maar één ding op: mijn vriendje wakker maken. Ik begin dus aan hem te sjorren. Hij gromt wat en als ik van wal steek over de man in de badkamer, lijkt hij niet zo geïnteresseerd als ik had gehoopt. Hij zegt ook dat er vast geen man in de badkamer zit en als ik vraag hoe hij dat weet, blijkt dat hij alweer in slaap is gevallen, want ik krijg geen antwoord.
Als ik de volgende ochtend wakker word van de wekker en een douche ga nemen, blijkt er toch geen man in de badkamer te zitten. Sterker nog: ik ben niet eens verrast dat er geen man in de badkamer zit. Dit is precies de reden dat ik ‘s nachts liever niet in bed lig maar in plaats daarvan op de bar sta in een willekeurige kroeg met een glas wijn aan mijn lippen.
Als een kip zonder kop ren ik rondjes door mijn tuin met de uitnodiging in mijn hand. Het is echt een uitnodiging voor een bruiloft. Mijn eerste bruiloft. En ik ken de bruid en de bruidegom en zij kennen mij ook. Ik kan mijn geluk niet op.
Een paar weken later word ik bruut uit mijn roes getrokken. Mijn beste vriendin, zonder wiens mening ik me eigenlijk niet durf aan te kleden, vraagt me via de beruchte Whatsapp wat ik aan ga doen op de bruiloft. Ik mag dan wel een ijdeltuit zijn, maar ik heb een hekel aan doelgericht shoppen. Waar ik graag per ongeluk met stapels kleding thuiskom om me vervolgens te realiseren dat ik niets heb gekocht wat ik daadwerkelijk nodig heb, haat ik het om ergens naar op zoek te zijn in een winkelstraat.
Ik zeg haar dat ik werkelijk waar geen idee heb wat ik aan zal doen. Als ze zegt dat ik bij mijn kledingkeuze wel rekening moet houden met de 35 graden in Boedapest (de locatie van de bruiloft), krijg ik direct de neiging om de boel af te blazen.
Ik stel voor om mijn nieuwe kleurrijke hippiejurk aan te trekken. Mijn vriendin stuurt terug dat dat geen optie is. Ze zegt dat ik die jurk de ochtend erna wel aan kan doen.
Mijn hippiejurk mag dan niet chique genoeg zijn voor een bruiloft maar mijn hippiejurk is toch zeker te chique voor een ochtend in bed met een tequilakater en cherrytomaten. Ik zeg haar dat ik al die jurken wel in mijn koffer flikker en dat ik er niet meer over na wil denken. Ik probeer het onderwerp te veranderen, maar ze is blijkbaar nog niet klaar met me want ze stelt de ergste vraag van allemaal, ‘Wat doe je dan voor schoenen aan?’
Het is als volgt: Ik heb een hekel aan voeten, zo simpel is het. Voeten zijn stom en lelijk, allemaal. Voeten passen eigenlijk alleen maar in van die dierensloffen van de Scapino, of in Birkenstocks. Birkenstocks zijn als die houten vulpennen waar geen inkt uit komt als een ander die van jou gebruikt, precies zoals het hoort. Ik typ ‘Birkenstocks’ en probeer het onderwerp nogmaals te veranderen. ‘Nee schat’, schrijft ze.
‘Wat, nee schat?’
‘Dat kan echt niet op een bruiloft.’
‘Moet ik mijn pumps aan?’
‘Ja.’
‘Dan ga ik niet.’
Uiteindelijk heb ik me in een lange roze jurk met daaronder mijn zwarte pumps richting de bruiloft begeven. Om half vier ging ik de deur uit en een half uur later had ik nog geen taxi gevonden, droop het zweet in watervallen van mijn lijf, hing mijn make-up op mijn kuiten en stonden de blaren al klaar op mijn voeten.
Toen het bruidspaar elkaar het ja-woord gaf, stommelde ik puffend en steunend de trap van het stadhuis op.
Ja, je hebt het goed gelezen: Ik reisde naar Boedapest voor mijn eerste bruiloft en kwam te laat.
Er was eens een bruiloft in Boedapest en ik was er niet bij. Nu maar wachten op de volgende uitnodiging.
Onlangs zat ik in het fotografiemuseum met grote ogen te kijken naar een documentaire over mannen met hun adelaren in Mongolië.
Eerder vandaag zat ik bij gate 64 op het vliegveld van Stockholm en wie zag ik daar? De maker van die documentaire. Toch? Dat was hem toch? Hij die op zijn kauwgom zat te kauwen alsof het een sport was, hij die een tijdschrift zat te lezen op het stoeltje schuin tegenover mij. Ik googelde het even en keek een paar keer van mijn scherm naar de kauwgomkauwende tegenover mij. Ja, daarbij kruisten onze blikken elkaar af en toe. Mijn blik was er een van, ‘Ik ben vastberaden bevestiging te krijgen van het feit dat ik tegenover een bekendheid zit’ en zijn blik was er een van, ‘Wat heeft dat meisje met dat rode mutsje voor probleem? Ik denk dat ik maar even een rondje ga lopen.’ Hij stond op en begon wat te ijsberen.
In de tussentijd had ik aan een vriend via een willekeurige chatfunctie al live verslag uitgebracht van het hele gebeuren. Hij zei, ‘Jouw uitdaging van de dag is dat je hem een complimentje geeft.’ Dat hele idee sprak me eigenlijk wel aan. Daarop begon ik als een van de adelaren uit zijn documentaire ongemakkelijke rondjes om hem heen te cirkelen, op zoek naar een natuurlijke ingang voor het geven van een complimentje.
Even later stond hij in de rij voor belangrijke mensen die eerst het vliegtuig in mogen en ik vooraan in de rij voor de simpele zielen die even moeten wachten. Toen de prioriteiten in mochten stappen en ik me realiseerde dat mijn kansen inmiddels ruimschoots verkeken waren, zag ik mijn ingang: hij had zijn tijdschrift op de stoel laten liggen. Ik sprong uit mijn zorgvuldig bemachtigde plek in de rij en stoof op het tijdschrift af om vervolgens hijgend, inclusief tijdschrift achteraan in de rij aan te sluiten.
Het enige wat ik nu nog hoefde te doen was hem zijn tijdschrift teruggeven en hem dan tussen neus en lippen door een complimentje geven.
De uitvoering van dit waterdichte plan was zeer matig tot teleurstellend. Toen ik hem vanuit het gangpad in het vizier kreeg zat hij tegen het raam aan geplakt met doppen in zijn oren en zijn neus verstopt in een tijdschrift, ja, een ander tijdschrift. Blijkbaar had hij er gewoon meerdere. Ik ben dus maar voorbij geschuifeld. Ik realiseerde me dat ik jammerlijk had gefaald om hem een complimentje te geven maar dat het me ondertussen wel was gelukt om zijn tijdschrift te stelen. Ik moet nog veel leren.
Eerder deze week had ik het nodig gevonden om met mijn OV-chipkaart bij alle mogelijke maatschappijen in te checken en bij geen enkele uit te checken. Om te voorkomen dat ik dus weer op een willekeurig station in Zuid-Limburg zou stranden vanwege een ontoereikend saldo op mijn OV-chip, wilde ik mijn kaart graag met een paar tientjes extra opladen bij het loket in Maastricht. Toen ik mijn situatie goed en wel had voorgelegd aan de juffrouw, kwam het volgende antwoord, 'Ik ga je chipkaart niet met een paar tientjes extra opladen.' Nogal verbouwereerd keek ik haar aan. Ze vervolgde, 'Je doet het deze keer maar gewoon goed. Zo moeilijk is het niet.' Ze gaf me mijn OV-chipkaart terug en wenste me een fijne dag.
Op een doodgewone werkloze ochtend zat ik opeens gigantisch te bluffen tijdens een sollicitatiegesprek bij de post omdat ik me behoorlijk begon te ergeren aan het minnetje voor dat enorme bedrag op mijn bankrekening. De blufsessie ging ongeveer als volgt:
'Ik train minstens drie tot vier keer in de week.' Ik neem dus de lift in plaats van de trap als ik net tien minuten heb gefietst, maar ik deed er gewoon nog een schepje bovenop, 'Het gevoel in mijn lijf na het sporten vind ik absoluut genieten geblazen.' Geloof me, ik doe werkelijk waar alles om dit gevoel te vermijden.
Vervolgens was de meneer van de post aan de beurt, 'Goh, we hebben eigenlijk het gevoel dat je wat overgekwalificeerd bent voor een baantje bij de post met je opleiding psychologie. Hoe sta je daar tegenover?'
'Overgekwalificeerd? Wie, ik? Nee joh. Ik wil gewoon heel graag iets met mijn handen doen.' Ik ben zo onhandig dat ik niet eens iets met mijn handen zou kunnen doen.
Al het bovenstaande had als genadeloos gevolg dat ik de baan kreeg en nu dus als postbode door het leven ga.
Er is een Mexicaan die zichzelf al twaalf jaar postbode mag noemen. Hij leert mij de kneepjes van het vak. Hij vindt het leuk dat ik vragen stel, dat ik wil weten waarom ik iets moet doen en niet alleen hoe. Wat hij niet leuk vindt is dat ik niet kan onthouden hoe je iets moet doen. Wat hij ook niet leuk vindt is als ik de fiets laat vallen en de post dus, wederom ongesorteerd, verspreid ligt op straat.
Wat ik niet leuk vind is als hij aan mij vraagt of ik het vliegje in zijn oog er even uit wil vissen met mijn vinger, maar wat ik wel heel leuk vind, is dat hij me een ijsje aanbiedt na een dag hard werken en dat hij dan zegt: 'Jättebra jobbat idag' ('Goed gewerkt vandaag'), met een grote glimlach op zijn gezicht.
Wordt hoogst waarschijnlijk (gezien de hoeveelheid blunders per werkdag) wel vervolgd...
Je bent blut en hebt daarom een baan nodig. Je spreekt helaas geen Zweeds en hebt geen opleiding afgerond. Je kansen zijn dus nagenoeg nul. Maar goed, bij de pakken neer gaan zitten levert natuurlijk geen inkomen op en ook geen blogs. Af en toe trek je dus maar de stoute schoenen aan om hier en daar je cv nonchalant op de toonbank van een willekeurige winkel te deponeren.
De meeste Zweden kijken je ietwat vreemd aan als deze situatie zich voordoet. Wat ik daarom ook wel eens doe is reageren op vacatures. Tientallen brieven hebben mijn Outlook al verlaten. Geen een kwam er terug, behalve als ik een onjuist e-mailadres had ingevoerd bij ‘ontvanger’.
Van de week heb ik maar eens gebeld toen de uiterste solliciteerdatum was verlopen. Ik schreef van te voren een volledig scenario uit; uitgaande van de vraag: ‘Hoe is de sollicitatieprocedure gegaan?’
Stel dat het antwoord dan zou zijn, ‘Goed, we hebben een keuze kunnen maken’, dan zou ik vragen, ‘en hoe is het dan voor mij gegaan?’ Als ik het dan niet geworden zou zijn, zou ik gewoon vragen waarom dat dan wel niet zo was.
In het wat minder voor de hand liggende geval dat de persoon aan de andere kant van de lijn zou zeggen, ‘Goh, wat toevallig. Ik stond net op het punt jou te bellen om te vragen wanneer je zou kunnen beginnen,’ zou ik volgens mijn script zeggen, ‘Hartelijk bedankt’ en, ‘Per direct alstublieft.’
Ik kreeg iemand aan de telefoon en vroeg vol goede moed, met het draaiboek voor mijn neus, 'Hoe is de sollicitatieprocedure gegaan?’ De man aan de andere kant van de lijn zei, ‘Ik heb nog geen brief gelezen.’ Ik bladerde wanhopig door m’n draaiboek, maar helaas, hier was ik absoluut niet op voorbereid. Ik bedankte de man en hing totaal verbouwereerd op.
Vandaag een experiment met het vooraf bellen naar het betreffende bedrijf: Ik belde naar een sportschool om ‘wat meer te weten te komen over de vacature’.
Even later had ik een halve minuut van mijn leven weggegooid aan een poepgesprekje met Sandra die nooit van haar leven mijn naam heeft onthouden en realiseerde ik me dat dit absoluut niet iets was om een sollicitatiebrief mee in te leiden. Tenzij ik voor de originaliteitsprijs zou gaan en zou schrijven, ‘Naar aanleiding van een poepgesprekje met Sandra, stuur ik deze brief.'
Het is natuurlijk waar dat de smartphone de mens overal op de wereld zo’n beetje in z’n greep heeft, maar kom voor de grap eens smartphones tellen in een Stockholmse metro op de vroege ochtend. Als je niet al snurkend tegen het beslagen raam aan lag, lig je dat na deze activiteit wel.
Ik blijk zelf helaas ook zo’n ik-zweer-bij-mijn-smartphone-knuppel te zijn. Ik liep, met dat ding voor mijn hoofd, recht door een verkoper-koper gesprek heen, vol tegen een uitgestald snowboard aan. Oeps.
Het handige van een smartphone is dat als je je hardlooprondje gaandeweg uit wil stippelen, dat in principe kan. Het onhandige van een smartphone is dat als je dat rondje gaandeweg aan het uitstippelen bent, zo’n ding je in principe elk willekeurig moment volledig in de steek kan laten. Vanmiddag, toen ik mijn hardlooprondje gaandeweg aan het uitstippelen was (zonder handschoenen in -12), hield mijn smartphone zich opeens van de domme, wilde geen kaarten meer downloaden. Er was een tijd dat ik altijd een stadsplattegrond in mijn tas had (in de Middeleeuwen), maar omdat ik nu zo’n ding heb, dacht ik dat ik die dan wel thuis kon laten. Geheel versteend kwam ik anderhalf uur later thuis.
Eigen schuld, dikke bult. Die van het snowboard ook.
En toen was je opeens vierentwintig en wist je eigenlijk best wat je wilde, maar was datgene nog niet eens een klein beetje zichtbaar toen je door een telescoop naar de horizon van je nabije toekomst tuurde.
Je weet eindelijk welke opleiding je wil gaan doen terwijl je net had besloten dat je nu wel lang genoeg had gestudeerd. Je ziet jezelf best wel zitten in een huisje op het Zweedse platteland, maar je hebt alleen een spaarrekening om te zien wat een betrekkelijke rente veertien euro oplevert. Daarbij wil je een leuke, bij voorbaat aantrekkelijke viking die dan bij jou in dat huisje komt wonen omdat -ie jou ook wel aardig vindt. Echter vind je jezelf nog net iets te jong om te daten via internet en heb je anders geen idee waar die vikingen los rondlopen. Vervolgens zou je het liefst baby’s krijgen met die viking en een Newfoundlander aan deze gezinssituatie toevoegen, maar realiseer je je nog net op tijd dat je jezelf nog niet eens kan onderhouden, laat staan emotioneel volwassen bent.
Kortom, je schiet eigenlijk gewoon in de lach als je jezelf ziet zitten aan de keukentafel van je toekomst en die situatie eens vergelijkt met de huidige, waarin je nog niet eens een keukentafel bezit.