Zijn monoloog, die staat voor zijn zoektocht naar het ware zelf of de wijsheid, getuigt paradoxaal genoeg van het gesprek dat hij steeds weer aangaat met al wie hij op zijn weg ontmoet. Want juist in het gesprek leert hij zichzelf kennen, en van de eerste tot de laatste bladzijde in de Essays, uit alle verhalen die hij vertelt, blijkt hoezeer deze auteur in een dialoog staat met heel zijn omgeving. Montaigne gaat het gesprek aan, of het nu met zijn lezer is, met wie hij steeds opnieuw oogcontact lijkt te zoeken, met de schrijvers uit de Oudheid met wie hij communiceert, niet om, zoals hijzelf zegt, door hen beleerd te worden, maar om hen te leren kennen. Hij onderzoekt de klassieken op hun houdbaarheid, hij vraagt zich af of en in hoeverre hun wijsheid in zijn tijd nog van kracht is. Hij gebruikt het denken van de klassieke auteurs als toetssteen. Of liever nog als wetsteen: hij citeert hen niet als autoriteit, maar maakt zich hun uitspraken eigen of onderwerpt ze aan de nieuwsgierigheid van zijn geest om er, met al het kritisch vermogen waarover hij beschikt, zijn eigen denken aan te scherpen. Dat hij dit gesprek voert op elk niveau blijkt uit het gehele werk: Montaigne is net als zijn boek te goeder trouw, en op een eenmaal gegeven woord komt hij niet terug. Daarvan staan voorbeelden te over in de vele verhalen die hij doet: hij loopt liever een liefdesaffaire met een vrouw mis dan dat hij een aan haar gegeven belofte niet gestand doet; met de vorsten voor wie hij als onderhandelaar optreedt, spreekt hij af dat ze hem niet in vertrouwen moeten nemen in geheimen die niet mogen uitlekken naar de tegenpartij; met een bediende aan wie hij zijn beurs in bewaring geeft, maakt hij stilzwijgend de afspraak dat deze hem best een klein beetje mag bestelen, zolang het maar niet zoveel is dat hij het zelf merkt. Ook met de aanvoerder van de bende waardoor hij overvallen en gevangengenomen wordt gaat hij het gesprek aan; hij weigert zijn overvallers de losprijs toe te zeggen die ze van hem eisen voor zijn invrijheidsstelling. Want, vertelt hij de lezer, als je eenmaal een belofte hebt gedaan, ook al is het onder nog zulke onvrije omstandigheden, is het laag om vervolgens, als je weer op vrije voeten bent, je niet aan je woord te houden. Uiteindelijk lijkt het wel of hij juist dankzij dit talent voor het tweegesprek de bendeleden respect afdwingt, want ze laten hem met heel zijn hebben en houden vertrekken. Ja, hij treedt zelfs in gesprek met zijn hond en zijn kat: ‘Ik ben, eerlijk gezegd, zo kinderlijk van aard en zo teerhartig dat het mij moeilijk valt het aanbod van mijn hond af te slaan om met hem te ravotten, als hij daar op een ongelegen moment om vraagt.’ En: ‘Als ik met mijn kat speel, vermaakt ze zich misschien wel meer met mij dan ik met haar. Wij houden elkaar wederzijds voor de gek.’ Intussen is het charmante van de Essays dat Montaigne zich allesbehalve als een heilig boontje presenteert, hij tekent met een feilloos oog voor het detail zijn eigen gebreken. Hij komt onomwonden uit voor zijn tekortkomingen.
Nawoord Montaigne














