Het groot project
Hoe vinden we onze weg terug naar de natuur? Hoe herbouwen we onze relatie tot het landschap, de planten en de dieren met wie we dit stukje grond tussen de Noordzee en de Maas delen?
Misschien in de eerste instantie door haar terug te leren kennen.
De gierzwaluw
In 2024 had mij geïnformeerd over de mogelijkheid om bij een lokale Natuurpunt-werkgroep aan te sluiten als vrijwilliger. Ik kreeg een bericht dat ze wel mensen konden gebruiken in de gierzwaluwengroep. Had ik interesse om eerst naar een lezing van de groep te komen? Absoluut.
De spreker, Jens De Groot, nam ons mee in het leven van de gierzwaluw. In het Nederlands noemen wij diverse vogelsoorten met een gevorkte staart en lange vleugels ‘zwaluw’ waaronder de boerenzwaluw, huiszwaluw en gierzwaluw. In feite zijn het geen familieleden van elkaar. Dat zie je in hun namen in andere Europese talen. In het Frans heten de boerenzwaluw en de huiszwaluw hirondelle terwijl de gierzwaluw de benaming martinet krijgt. In het Engels heten ze respectievelijk barn swallow, house martin, en swift. De ‘gier’ in gierzwaluw komt van het geluid dat ze maken als ze door de lucht dansen, dat hoge geschreeuw of gieren. Om de gierzwaluw beter te leren kennen, kan je verder naar haar wetenschappelijke benaming kijken. Dit is het Latijns Apus Apus, afgeleid van het oud-Grieks woord απους wat ‘zonder voeten’ betekent. De oude Grieken en Romeinen zagen de gierzwaluwen nooit op de grond zitten. Hieruit trokken ze de conclusie dat gierzwaluwen geen pootjes hadden en dus verdoemd waren om eeuwig in de lucht te blijven zweven.
Ze zaten er niet zo ver naast. Gedurende negen maanden van het jaar blijven gierzwaluwen wel in de lucht. Ze paren, slapen, eten en drinken al vliegend. Ook leggen ze hallucinante afstanden af. Op een jaar vliegen ze van Centraal-Afrika naar Europa in april en maken ze de terugreis naar Afrika in augustus. Europa is zo een beetje hun kraamkliniek. Tussen augustus en april blijven ze altijd in de lucht maar tijdens de broedtijd strijken ze uitzonderlijk neer in hun nesten. Voor de opkomst van steden bouwden gierzwaluwen hun nesten in kliffen en hoge rotsen. De gebouwen in steden brachten nieuwe mogelijkheden met zich mee, zoals een gat in een dak of een spleet in een muur. Deze broedplekken komen pas sinds in de 21ste eeuw in het gedrang en dat vooral door de betere isolatie van onze huizen. Dit is meteen de reden dat sommige stadsdiensten nestkasten of een aangepaste gevelsteen met opening voorzien bij gebouwen die worden gerenoveerd.















