De ochtend begint altijd nadat de zon haar verticale momenten voorbij is. Ik knijp mijn ogen open. Een lichtstraal ontsnapt van het doek die ik voor mijn raam plaatste, een poging om de buitenwereld buiten te houden. Ik hef even mijn hoofd maar laat het snel weer zakken op mijn kussen met een zucht. Ik herhaal mijn ochtendmantra: “het was maar een droom”. Ik draai mij om, mijn jonge ruggengraat kraakt. Hoofdpijn. Er is iets liminaal aan de zomer wanneer vanbinnen een harde winter laait. Gelukkig ben ik niet alleen. Ik ben nooit alleen. Ik pak zonder bijgedachtes mijn plank en begin te rollen. Ik doe mijn pc aan, kwestie van een idee te hebben hoe laat het is. Mijn gsm gooide ik onlangs- wat is onlangs?- een tijdje geleden terug kapot. Probleem minder. Alleen heb ik dus nu mijn computer nodig om het uur te kennen. Ik begin te trekken aan de joint. Plafonddienst, maar dan in de ochtend. Ik rook/denk de buikpijn, de spanning, de angst weg. Ik doe mijn ogen weer toe. De decibels in mijn hoofd laaien weer op. Oké, ogen terug open dan. Ik spring recht. Ik hou afstand tussen mijn bed en ik. Eerder dit jaar waren we weer iets te dicht naar elkaar toe gegroeid. Het is een relatie die me altijd uitgeput achterlaat. Geen optie meer. Mijn blaas protesteert, ik heb mijn joint nog niet op. Opnieuw zucht ik, blij dat niemand mijn chagrijn moet ondergaan. Ik kruip vanonder mijn lakens, naakt, en doe mijn lichte nachtpeignoir aan. Ik stap de trappen af, naar de badkamer. “Dag blaas, hoe gaat het vandaag? Ben al blij dat ik wat van je hoor. Nu alleen zien wat je vandaag zal motiveren.” Geen respons. Ik denk aan mijn eigen woorden: “Gewoon ontspannen schat, niet te veel denken. Niet duwen.” Ik duw. Dan hoor ik een straal. Test passed. Volgende nu, de weegschaal. Er verschijnen cijfers. Vraag me niet of ze goed of slecht waren. Wat goed is is slecht en wat slecht is is goed, bladiebla, je kent het wel. De schoonheid van mijn leven doorschijnt nu aan de hand van de meest donkere, grimmige, verkeerde, sluwe, hopeloze, serieuze, rommelige kronkels van mijn hersenen. Wit op zwart is een intens zicht. Maakt dus niet uit. Ik hoef nu toch niet te denken aan eten. Denken doe ik niet veel meer, voelen nog minder. Ik ga naar haar kamer. Zij, ik zou niet weten welke beschrijving ze waard is. Het is voldoende voor nu om te zeggen dat we veel, te veel met elkaar delen. “Hey babe” “Hey babe”. Ik vraag haar een aansteker, en trek verder aan het kontje van mijn jointje. Flashes van gisteren, of eergisteren, God weet het, komen voorbij mijn ogen. Ze sliep beter noch slechter. Hier gebeurt meestal de magie. Onze wonderlijke geesten komen bij elkaar om hun creatieve krachten samen te bundelen en zo te komen tot iets om te doen die dag. Je kan het zien als een doel, of een reden om niet meteen door het raam te springen. Het hangt aan een dun draadje vast. Ik weet alvorens dat ik of jij het vraagt, toegegeven, al wat we gaan doen. En zo zijn we onderweg, een tijdje later- je gaat moeten beseffen dat hier in deze wereld geen uurwerken bestaan-, naar de winkel. Geld hebben we niet, verlangens wel. Er is maar één rayon die ons interesseert. De vrouw aan de kassa, de antipode van een Oordelende God, weet welke tabak ik graag heb wanneer ik het haar vraag en rijst geen wenkbrauwen bij de flessen, elke dag opnieuw, op haar tapijtje. De warmte terug buiten sluipt zich onder onze topjes en shortjes door. Welk beeld ons duo afgeeft hier op het beton van deze kleine stad is het laatste van onze problemen. Ikzelf kan niet in een spiegel kijken, ik zie het niet. Ik meen het, het is geen metafoor of een eufemisme. Ik zie het niet. Ik leg het later wel uit. Gedachte weg. Heb jij de sleutel? We komen terug boven, zakken op de grond. We wanen ons een plekje tussen het vuil. Omgedraaide assenbakken, potgrond uitgegraafd door de katjes achter de zetels, kruimels, stof, eten, blikjes, glazen, borden, kleren. Brieven. Grinders. Lege zakjes dope. We vragen al even niet meer aan het bezoek om hun schoenen uit te doen. Ik heb het opgegeven, ik ruim niemands vuil meer op. Ik schud een plek in de zetel proper, probleem opgelost. Ik wil er geen gedachte verder aan kwijt. Ze komt met een zakje uit de keuken. “Deze heb ik ook nog meegenomen”, met een grinnik. Gratis eten smaakt altijd beter. Al helemaal wanneer zij het maakt. Dan eet ik hersendood het bord op, starend naar een scherm, om niet in het desbetreffend bord te vallen. Als je goed kijkt, zie je dat die meters en meters diep zijn. Het geeft me hoogtevrees. De kurk of de kroon gaat van de fles of de flessen af, we vinden nog ergens twee semi propere glazen, ze schenkt in. We praten. We zetten iets op, chaotische films, beeldende beelden, verhalen om naar te kijken. Alles wat onze blik kan vangen bespringen we, uitgehongerd, op onze knietjes, schaafwonden op onze knietjes, smekend om ons te nemen. Je haalt twee laatste witte hoekjes uit het zakje die meteen in onze neus verdwijnt. Onze goddelijke noodlijn werd al gecontacteerd. Dit zijn de dode uren. We wachten. De living is op dat moment een kleurrijke wachtzaal. En met wat drank in je bloed kijk je wat minder naar de klok. We kibbelen nooit over wie gaat halen. Het vraagt altijd een toertje rond in de auto. Zij zou de noodlijn wel eens willen doen, ik doe mijn best om de hint bij hem te laten overkomen. Iedereen weet dat ketsletjes nog leuker zijn als ze met twee zijn. De dag gaat eindelijk kunnen beginnen.
(To be continued - of niet.)