Vandaag exact een jaar geleden dacht ik ergens rond het middaguur: zo had ik mijn dag toch niet gepland. In plaats van bezig te zijn aan het afwerken van een weekblad, lag ik in een ziekenhuisbed en werd ik van de spoedgevallen naar intensieve zorgen gereden.
Eerder die ochtend was ik tijdens het me haasten om de trein te halen kortademig en draaierig geworden. Een weldenkende mens in het station belde een ambulance. Spoedgevallen, wachten, een klapke met de dokter (Ja maar, juffrouw, zo raar ademen dat u doet! Ja maar, dokter, ik kan precies niet veel anders als ik niet in dat zakske adem), bloedafname want ik kon wel eens een longembolie hebben (wist ik veel wat dat was), katheter, richting scanner, flauwvallen onderweg, bijkomen, in de scanner, uit de scanner, bellen naar de baas (Ik kom niet meer werken vandaag! Waarop al de verplegers rond mij: nee, nee, je komt de hele week niet) en het lief, nog een katheter, ander klapke met de longdokter (bloedklonters in de longslagaders, spuitjes, pilletjes etc), papieren invullen om opgenomen te worden in het ziekenhuis, bijna weer flauwvallen, nog een katheter waarlangs ze iets in mijn halsslagader spoten. En toen kwam mijn mama aan, kreeg ik een neusbril en ging het naar intensieve.
Was dat dan allemaal zo erg? Blijkbaar wel, want toen kwam de longarts nog eens: 'Die medicatie die we u gegeven hebben, gebruiken we alleen als we met onze rug tegen de muur staan'. Slik.
Er volgden twee dagen intensieve en nog vijf dagen gewoon ziekenhuis. Op Pinksteren mocht ik, wat bleek, slap, kortademig en met twee schone blauwe plekken op mijn onderarm en in mijn hals als aandenken aan de katheters, naar huis. Met een doosje bloedverdunners, onder het motto: nog vier maanden te slikken. Daar prees ik mij gelukkig dat we maar twee hoog wonen. Op het communiefeest waar we die dag nog naartoe gingen, genoot ik - behalve van het lekkere eten en het gezelschap - van de frisse lucht.
In twee weken ziekteverlof raakte ik met veel slapen van mijn slapte, bleekheid, kortademigheid en voor een stuk al van de blauwe plekken af. Daarna ging ik - extra spannend, want op een nieuwe job - weer werken. Met een beetje een bang hartje. Maar het ging, ik was niet moe, slap, kortademig. Ik blij. (Oh ja, en ook de job bleek superleuk. Ik extra blij.)
Zolang ik pillen nam, moest ik geregeld bloed laten nemen bij de huisdokter om te controleren of mijn bloed niet te dun was. Op een van die keren vroeg die mij: 'hoe ga je daarmee om, met het feit dat je een longembolie gehad hebt?' Een beetje verbouwereerd - is dat iets waar ik mee om moet gaan? - zei ik: 'ik voel er nu niets meer van, dus ça va.'
In oktober schoven ze mij nog eens in de scanner en mocht ik stoppen met bloedverdunners nemen. Verdict van de dokter: je hebt niet meer kans dan iemand anders van je leeftijd om het nog eens te hebben, zolang je van de pil afblijft. Oef.
Maar hoe ga je daarmee om? Het gevoel 'mij overkomt niets', wat je zo makkelijk hebt als je jong bent en niets mankeert behalve eens een verkoudheid of griepje, dat ben ik kwijt. Ik ben extra op mijn qui-vive voor de signalen van mijn lichaam, en ja, dat heeft sindsdien al eens een avond op spoed opgeleverd met allerhande onderzoeken, en als verdict: er mankeert u niets. Better safe than sorry, denk ik dan. En nu en dan denk ik wel eens: amai, ik ben blij dat ik hier nog rondloop. Echt wel.