Studenten van het Brusselse RITCS en Hogeschool voor de Kunsten Utrecht sloegen hun vuilste handen in elkaar voor het uiterst vermakelijke Bakxai, naar de gelijknamige tragedie van Euripides. Ze vonden met Abattoir Fermé-goeroe Stef Lernous de perfecte regisseur voor het stuk over losbandige bacchanten die in het kielzog van Dionysos – de Griekse god van vruchtbaarheid en vervoering – de openbare orde in Thebe komen verstoren. Griekse tragedies in het algemeen en Bakxai in het bijzonder zijn culturele troubleshooters, die bemiddelen tussen schijnbaar onoverkomelijke maatschappelijke tegenstellingen. In Euripides’ tragedie zijn dat godsdienst versus staat, orde versus exces, de aantrekkingskracht van het vreemde versus de angst ervoor, om er maar enkele op te sommen. Die tegenstellingen worden verzinnebeeld door Dionysos aan de ene kant en koning Pentheus aan de andere. De autocraat weigert de cultus van de wellustige wijngod een plaats te geven in zijn stadstaat. Hij jaagt de mainaden zelfs op en slaat ze in de boeien. Voor die hoogmoed wordt hij uiteindelijk meedogenloos afgestraft door Dionysos. Pentheus wordt opgejaagd en verscheurd door een horde uitzinnige bacchanten, waaronder zijn eigen moeder Agave. In de van de pot gerukte grande finale van deze Bakxai klinkt dat als volgt: “The hunters turn the hunted and your time has come”, een ruige rocksong live gebracht door vier volgelingen van Dionysos. Wanneer Agave tot de tragische vaststelling komt dat ze haar zoon heeft gedood, beantwoordt de god haar geweeklaag slechts met een luide boer. Doek.
In tussentijd zijn er liters bloed en wijn gevloeid. De kachel, die in het midden van het podium opgesteld is, wordt gedurende het stuk stevig opgestookt. Figuurlijk gesproken dan: er wordt gefriemeld, gefuifd en gefrot tegen elkaars geile lijven dat het een lieve lust is. Aanvankelijk fungeert de kachel als troon waarop de trotse Pentheus zetelt en waarrond zijn volgelingen met wit geschilderd gelaat dansen. De bezwerende cirkeldans wordt bruusk beëindigd door de komst van Dionysos. En hoe meer die zijn vreemde invloed laat gelden, hoe meer de troonzaal wat weg krijgt van een darkroom waarin ieder gat gevuld moet worden. Bakxai volgt weliswaar getrouw de originele plot, maar wordt gelardeerd met talrijk groteske en komische scènes. Zo spreekt een mainade die in extase haar kinderen vermoordde over “een slechte ochtend”, en wordt een scène verschillende keren opnieuw gespeeld omdat één vrouw telkens te vroeg klaarkomt en de tekst van Euripides bovendien te veel onduidelijkheden bevat. Waarop slaat bijvoorbeeld die “zilveren draad”? En waarom is er sprake van een mes? Kan dat niet vervangen worden door een dildo?
Bakxai is een voorstelling vol spielerei en aanstekelijke spelvreugde, en met een paar erg geslaagde regiekeuzes. Dionysos, eveneens god van transformatie en theater, wordt bijvoorbeeld niet door één maar door een reeks spelers vertolkt. Hij is overal en nergens, onvatbaar en onoverwinnelijk. Maar vooral de taalbehandeling is onovertroffen: er wordt gescat, gezongen, geslamd, gehaperd als een kapotte grammofoonplaat en ironisch van register
gewisseld. Er wordt in het Engels, Duits en plat West-Vlaams gesproken. Dionysos slecht werkelijk alle grenzen.
© 4/8/2016, Matthias Velle voor TAZette