De gulden verscheen als muntgeld, muntbiljetten en bankbiljetten. Het 25-guldenbiljet van 1860 (tot 1923) was geel van kleur, en werd daarom al snel het geeltje genoemd. Die bijnaam is tot 2002 in zwang gebleven, ondanks anders gekleurde ontwerpen. Ook de bijnaam 'rooie' of 'rooie rug' voor een biljet van duizend gulden vindt zijn oorsprong in de 19e eeuw, toen deze biljetten een rode achterzijde hadden. Bekende ontwerpers van het naoorlogs Nederlandse bankpapier zijn R. Oxenaar (de eerste felgekleurde biljetten) en Jaap Drupsteen. De meeste bankbiljetten droegen portretten van historisch bekende Nederlanders, zoals Baruch Despinoza (1000 gulden, 1973-2002), decomponist Jan Pieterszoon Sweelinck (25 gulden, 1971-1995), schilder Frans Hals (10 gulden, 1971-2002) en Joost van den Vondel (5 gulden, 1976-1988).
25 Gulden (Jan Pieterszoon Sweelink)
100 Gulden (Michiel Adriaenszoon de Ruyter)
1000 Gulden (Baruch d'Espinoza)
Dubbeltje (duppie) (10-centmunt), hoe een dubbeltje rollen kan
Kwartje (maffie[2], heitje (waarnaar de uitspraak: heitje voor 'n karweitje)) (25-centmunt)
Gulden (piek, pegel, pop) (Nederlandse 1 gulden)
Daalder (lammetje) (1½-guldenmunt)
Rijksdaalder (knaak, riks, achterwiel) (2½-guldenmunt)
Vijfje (Bas, Dikke stuiver, Joeter, Fiets (2 rijksdaalders)) (5-guldenmunt)
Tientje, (joetje, mattenklopper, prent) (10-guldenbiljet)
Geeltje (25-guldenbiljet; een eerdere versie van 1861-1909 had een gele kleur)
Zonnebloem, bram, brammetje (50-guldenbiljet)
Meier, mutje, snip, bank(ie)/bankje (100-guldenbiljet)
Vuurtoren (250-guldenbiljet, met een afbeelding van een vuurtoren)
Rooie rug of rug (1000-guldenbiljet, dat later echter groen werd)
http://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_Nederlandse_bankbiljetten