Ze plaatste zich in de meest oncomfortabele houding dragelijk. Als ze haar ogen de komende uren open wou houden mocht ze het zich niet te gezellig maken. De tonen van de cello op de achtergrond en de regendruppels die het dak aanvielen veroorzaakten een bijzondere sfeer.
Ze voelde zich eenzaam. Behoefte aan gezelschap had ze niet, maar toch was er een klein deeltje van haar dat zich alleen voelde. De vele wetenschappers en professoren die ze beter had leren kennen door het bestuderen van hun werk konden de leegte niet invullen.
"Een studentenkamer is klein. Als ik GAIA zou opbellen, zouden ze dit dan een zaak van dierenmishandeling noemen?" flitste door haar hoofd. Ze was zich de laatste dagen wel beginnen gedragen als een dier in een veel te kleine kooi. Enkel de eerste levensbehoeften waren nog belangrijk. Het afval begon zich in alle hoeken op te stapelen en ze kon zich de laatste keer dat ze zich gedoucht had niet herinneren.
Een aantal keer had ze overwogen om er gewoon mee te stoppen. De boeken dicht te slaan, op haar fiets te stappen en niet meer terug te gaan naar dat ellendig kamertje. Maar stoppen was geen optie.