Uw Wens
Hij was helemaal klaar. Hele scenario’s had hij voorbij laten komen. Alle mogelijkheden waren door zijn hoofd gegaan. Hoe lang hij al zat te wachten? Waar hij was, was tijd een vaag concept. Wachtte hij er al een minuut? Vijf dagen? Tweehonderd duizend jaar? Het kon het een of het ander zijn.
Maar als zijn moment kwam, zou hij klaar zijn. Tientallen keren had hij het al gedaan. Verschijnen in een grote wolk van veelkleurige rook, met zijn donderende bas-stem een schaterlach laten horen, gevolgd door een diepe buiging. En dan zou hij het zeggen.
Uw wens is mijn bevel, Meester.
Daarna zou het echte werk beginnen, maar dat eerste contact was zo belangrijk. Daarmee werd de hele toekomst van zijn relatie met zijn meester bepaald.
Het echte werk. De drie wensen. Niet meer, niet minder. En elke vraag zou hij natuurlijk interpreteren als een wens. Zo had hij in het verleden al vaker meesters in enkele minuten van hun wensen af geholpen1. Of had hij met letterlijke interpretaties zijn meesters ‘geholpen’. De man die wenste dat 'hij 10.000 jaar zou worden’, werd dus binnen een seconde 10.000 jaar oud. Met alle gevolgen van dien. Hij gniffelde. Dat was een mooie dag geweest. En hij had geen enkele spijt gevoeld. De eerste wens van die meester was dat al zijn vijanden, hun kinderen en kleinkinderen de rest van hun leven helse pijnen zouden hebben. Dag en nacht. Bij zo'n meester voelde hij geen enkele spijt als hij hun wensen tegen zichzelf liet keren.
Maar het was nu zo lang geleden. Hopelijk zou deze keer een eervolle meester hebben. Iemand die zich niet te veel liet verleiden tot het folteren van vijanden en het overheersen van de wereld. Het oplossen van alle honger in de wereld was zo eenvoudig. Maar nog niemand had het hem gevraagd.
Hoorde hij daar iemand? Was er iemand in de buurt? Hij had geen enkel idee waar zijn laatste meester zijn lamp had achtergelaten. Zijn laatste meester was er redelijk goed vanaf gekomen. Hij had tien miljard gouden dubloenen gekregen, had het sterkste lichaam ooit gewenst. Maar wist hij veel dat de mooiste vrouw die ooit had geleefd een phoenicische timmermansdochter was die 3.500 jaar was overleden aan een zeldzame combinatie van builenpest en pokken. Daarvoor was ze beeldschoon geweest. Daarna… minder. Wat had hij geschreeuwd toen plotseling het door ziekten ontsierde lijk van de mooiste vrouw ooit was verschenen. Hij had gevloekt en gedreigd. Maar het was de laatste wens, dus na het officiële 'Het was een eer om u als Meester te hebben’, was hij weer terug in zijn lamp verdwenen. En sindsdien was het stil.
Tot nu dan. Hij wist het zeker. Er was geluid buiten. Vlak bij zijn lamp. Ze hoefden hem alleen vast te pakken en er overheen te wrijven en hij zou tevoorschijn komen. Dat was de afspraak. Dan hadden ze een contract.
Ze raakten hem aan! Zijn lamp werd aangeraakt. Werd er al gewreven? Nee, nog niet echt. Dit was niet genoeg. Hoewel? Het was zo lang geleden. Voor deze ene keer zou hij deze zachte streling goed rekenen. Daar ging hij!
Een grote ontploffing, veelkleurige rook, de diepe lach. Alles werkte zoals hij het al die keren in zijn hoofd had geoefend. Hij maakte zijn diepste buiging en op het moment dat zijn voorhoofd bijna de vloer raakte zij hij dé woorden:
Uw wens is mijn bevel, Meester.
De rook trok op en twee hele grote ogen keken hem recht aan. Ongeveer een seconde lang. Toen leken ze alweer afgeleid door iets anders.
'Miauw’, hoorde hij.
Hij keek rond en hij zag een hele donkere, stoffige kelder, zijn lamp bovenop een vergeten ladekast in de hoek. En naast zijn lamp een kleine, grijze kater. De kat gaf zijn lamp nog een paar kopjes, werd weer afgeleid door iets anders en sprong van de ladekast af.
'Uw wens is mijn bevel, Meester’, probeerde hij nog een keer. Op het moment dat hij die woorden had gezegd, was hij gebonden aan zijn nieuwe meester en kon hij pas weg als er drie wensen vervuld waren.
De grijze kat avonturierde verder door de kelder en negeerde hem volledig.
'Mééster’, zei hij. 'Uw wens.’ De kat keek om en keek hem weer recht aan. Voor even dan, totdat hij werd afgeleid door een wollen tapijt verderop.
Hij had het eerder meegemaakt dat Meesters het moeilijk vonden om hun wensen onder woorden te brengen. Dat ze schrokken van zijn verschijning en vluchtten. Maar hij vond ze altijd en voelde aan hun geest wát hun wensen waren en hoe hij ze kon vervullen.
Want drie wensen waren drie wensen. Totdat die vervuld waren, kon hij niet weg.
De kat had het tapijt alweer achter zich gelaten. De geest volgde hem gedwee. Aanvoelen wat de wensen waren. Zo moeilijk kon dat toch niet zijn? Wat zou een kat nu te wensen hebben? Alle levende wezens hadden toch dezelfde basale wensen?
Hij reikte in de geest van de kat.
Zacht. Tapijt. Wat? Licht. Interessant. Honger? Altijd. Hé, een raam. Naar buiten? Tapijt!
De geest trok zich meteen weer terug. Zoveel gedachten in nog geen seconde? Hoe vlug kon je afgeleid zijn? Wilde hij iets zachts? Wat te eten? Ontsnappen? Zou hij de kat vlug die drie dingen geven, zodat hij terug kon in zijn lamp en kon wachten op een échte Meester?
Maar zo ging het niet. Al werden ze niet direct uitgesproken, het moesten wel échte wensen zijn. Met het afraffelen van wensen kwam hij niet weg.
Geluid bij de deur. Geluid bij de deur! De kelderdeur ging open en in het deurgat stond een jonge man. Vlassig snorretje, onzeker uit de ogen kijkend, waarschijnlijk nog geen achttien jaar. Waarom had híj de lamp niet gepakt? Zijn wensen had hij zeker zo kunnen vervullen. Nu zat hij vast aan die stomme kat.
Maar op het moment dat de deur open ging, gebeurde er iets in het hoofd van de kat. Hij keek de jongeman in de deur recht aan en kon maar één ding denken. Prooi! Prooi! Prooi!
'Uw wens is mijn bevel’, sprak de geest en op dat moment kromp de jongeman tot hij nog maar twintig centimeter groot was.
Prooi, dacht de kat en meteen viel hij aan.
Het was een ongelijke strijd. De jongeman had niks in te brengen tegen de hongerige furie van de kat en binnen enkele seconden was er waar een paar tellen geleden nog een jongeman stond, alleen nog maar een bloederige vlek over.
OK, een basale wens, niet helemaal waar hij zich de afgelopen tijd in zijn lamp op had voorbereid, maar een wens. Nog twee te gaan en dan kon hij weer terug. Afwachten hoe vlug hij de andere twee kon vervullen.
Het grijze katje zat zich rustig te wassen. Het bloed van zijn snuit, en leek verder heel tevreden. Totdat er geluid kwam van boven aan de keldertrap, achter de nu open staande deur.
De kat keek loom omhoog en klom soepel, maar schijnbaar ongeïnteresseerd de trap op.
De deur boven aan de trap stond op een kier en voorbij de deur klonk geroezemoes. De kat duwde zachtjes de deur verder open en stapte nonchalant de ruimte in. De geest kon niks anders dan hem volgen.
De ruimte stond vol met tafels en stoelen en zat vol met mensen die uit kruiken dronken. Een soort herberg? Het katje ging kroop voorzichtig onder een tafel en keek rond. Van de drinkende man aan de bar naar de lachende vrouw in de hoek. Een idee ontstond in het hoofd van de kat.
Allemaal prooi! Allemaal prooi! IEDEREEN PROOI!
Duidelijker kon het niet zijn voor de geest. 'Uw wens is mijn bevel.’
Het werd een bloedbad. Voordat de mensen in de herberg wat er gebeurde, had de kleine grijze kater al drie slachtoffers gemaakt. Sommigen probeerden te vluchten, anderen werkten samen om de grijze kat te verslaan, maar uiteindelijk hielp het allemaal niks. Een voor een werden ze gegrepen door de grijze moordmachine.
Tijdens de slachtpartij hing de geest wat rond in de herberg. Wachtend tot de kater klaar was met zijn tweede wens en zich voorbereidend op de derde wens. Hopelijk kwam die snel en kon hij verder met echte wensen. Van échte mensen.
Terwijl hij zo wat peinsde en de kat de laatste mensen greep, ging langzaam de deur van de herberg open. Waaide de deur open? Of…
De deur werd met grote inspanning open geduwd door drie mannen. Mannetjes… Mannetjes van goed twintig centimeter groot. De geest schrok en ging in gedachten terug naar de tweede wens.
Allemaal prooi. Iedereen prooi!
Iedereen prooi… Zou hij er nu zelf in getrapt zijn? Iedereen prooi?
Hij zweefde langzaam naar de deuropening en keek naar buiten. Als het binnen een slagveld was, kon je het tafereel buiten niet anders beschrijven dan een pandemonium. Alle mensen waren verkleind tot een centimeter of twintig en alle dieren grepen hun kans. Een paar kraaien vielen om beurten groepjes mensen aan. Een hond lag op te grond te kluiven op de de resten van wat vroeger een man was. Zelfs muggen zagen hun kans schoon.
Iedereen prooi. In zijn haast om zo vlug mogelijk van de wensen van de kat af te komen had hij een fout gemaakt.
Iedereen prooi betekende iederéén prooi. Had hij met deze ene wens de mensheid verdoemd? Alle mensen op de hele wereld waren door het vervullen van die ene wens verkleind en veranderd in prooi. Voor welk dier dan ook.
Alles verandert hierdoor. De kans dat er ooit nog een mens bij zijn lamp in de buurt zou komen en alles terug kon wensen, hoe groot kon die zijn?
Op dat moment kwam zijn Meester traag de herberg uit geslenterd. Gezicht nog druipend van het bloed, maar volledig ontspannen. Hij sprong op een vuilnisbak en ging zich daar langzaam zitten wassen, het bloed van zijn pootjes likkend. En al die tijd keek hij tevreden rond.
EINDE VAN DEEL EEN 1'Heb ik drie wensen?’
'Ja.’ 'Echt waar?’
'Ja.’
'En mag ik alles wensen wat ik wil?’
'Ja, dat mocht. Het was een eer om u als Meester te hebben.’












