De Brandingsgeest
Het eiland waarop we leven is een oase van vrede middenin een zee vol monsters. Ik ben nog niet oud genoeg om mee te varen naar de open zee, maar mijn vader vertelde me er over. De grote krabben die soms de boten in klimmen. De haaien die hen altijd volgen onder het wateroppervlakte als een zwerm gieren. De zeeslangen die boten doen schudden en mensen van de rand van het dek weg happen. De zeeën waarin wij leven zijn werkelijk vervloekt.
Onze ouders zijn meer dan vissers. Het zijn krijgers. Elke dag zeilen ze door de hel, gewapend met harpoenen en speren. ‘s Avonds komen ze terug met monstervlees. Ik mag nog niet mee met hen. Hoe graag ik het ook wil. Te gevaarlijk voor een kind, zeggen ze. Maar ik heb al te veel meegemaakt om nog een kind te zijn.
Daarbij, het verschrikkelijkste monster van allemaal leeft niet in de open zee. De grootste schrik van ons volk, en mijn eigen grootste vijand, is de brandingsgeest. Hij leeft niet op het land en niet in het water. Hij leeft tussen twee werelden in. Daar waar de golven het land op rollen. Mijn grootmoeder vertelde me dat alle feeën op zo’n plekken leven. Plaatsen van overgang. Plaatsen tussen werelden in, want daar kunnen zij hun eigen werelden bouwen. Daarom verschijnen ze altijd bij schemer. Tijdens zonsondergang, zonsopgang of in de mist. Ze glippen weg tussen de werelden en soms nemen ze iemand mee.
De brandingsgeest verschijnt ook enkel in de schemer. Ik heb hem gezien. Een schaduwachtige natte schim. Hij kwam uit het water als een vorm in het zeeschuim dat van de golven afspat. Toen ik hem zag versteende ik van schrik. Ik deed niets. Ik keek gewoon angstig toe terwijl de brandingsgeest de hand van mijn zus nam, en haar de golven in sleurde. Zo verdween ze. Ze kwam nooit meer terug. Meegenomen naar zijn schaduwenrijk onder de golven. Mij liet hij alleen achter. De schoft.
Mijn familie rouwde om haar. Mijn vader kon me niet aankijken. Dat begrijp ik. Ik had op haar moeten letten. Grootmoeder troostte me wel. Ze zei dat er niets was dat ik kon doen. De brandingsgeest had haar voor altijd meegenomen. Nu zou ze eeuwig rusten op de bodem van de zee. Ik huilde mee. Maar ik begreep het niet. Was dit dan alles dat we konden doen? Een hele stam van krijgers en we moesten het loslaten?
Ik kan het niet loslaten. Ik hoorde haar naar me roepen in mijn dromen. Haar stem, vervormd door de zee, zei: “Trek mij terug uit het water! Dood hem!”
Ja. Dat is het minste dat ik kan doen. In de vroege ochtend nam ik mijn vaders speer en sloop ik naar buiten. Naar het strand. Ik wachtte voor de ruisende golven tot de gloed van de volgende dag aan de horizon verscheen. Dan stapte ik het water in. De zee bulderde om heen. De meeuwen knersten. Maar ik schreeuwde luider. Ik riep zijn naam.
Toen hij opstond uit de golven, wees ik mijn speer naar hem. Niet meer, dat zei ik. Nooit meer. Nooit meer zult gij kinderen verdrinken. Ik zal u teniet doen. Geen Kludde. Geen Nekker. Geen gij.
Golven rolden langs me voorbij, maar ik bleef staan. De schim naderde. Ik viel aan. De speerpunt schoot vooruit, maar hij ontweek het. Snel zette ik een stap naar achter. Ik stak opnieuw. Sneller. Krachtiger. Deze keer was het raak. Ik hoorde hem schreeuwen van pijn, als een treurige zucht zeewind. Rood water droop de golven in. Hij viel achterover en werd één met de zee. Verbijsterd stond ik daar, want ik had mijn snelle overwinning niet verwacht. En mijn zus, was nog steeds weg. De dood van de brandingsgeest had haar niet terug getoverd. Ontgoocheld als ik was, riep ik haar naam naar de golven in de hoop dat ze zou verschijnen.
Ik merkte pas te laat hoe het rode water naar me toe stroomde. Ik hoorde hem achter me uit het water rijzen. Voor ik me kon omdraaien, greep een koude sterke hand mijn nek vast. Met veel kracht werd ik voorover geduwd. Met een plons ging ik het water in, en dan werd ik tegen de zanderige zeebodem gedrukt. Ik had de speer laten vallen. Ik spartelde, stribbelde tegen, maar de brandingsgeest was te sterk. Hij duwde harder, en plots zakte ik door de zeebodem heen. Ik zonk een koude duisternis in. Glipte weg naar een andere wereld. Ik opende mijn ogen en zag de sterren om me heen kolken. Ik zag de golven niet meer boven me. De zee, het eiland,… Het was allemaal verdwenen. Ik riep om hulp.
Na een lange stilte hoorde ik mijn zus antwoorden.
















