Ik ga vanaf volgend jaar lekker aan de slag met mijn tweede jaar als student Journalistiek. Ik ga mij vanaf volgend jaar wat meer laten zien, en profileren als journalist. Mijn ambities, die nu nog heel breed zijn, wil ik in de loop van de tijd terugbrengen tot mijn echte liefhebberijen: onderzoeken en radio.
Mijn verhaal blijven volgen? Blijf naar mijn blog kijken!
Het stond er toch echt. Tevergeefs probeerde ik de brok in mijn keel weg te slikken. Nog een keer las ik de tekst die zojuist op mijn beeldscherm was verschenen. Het stond er echt.
Verdwaasd stond ik op van achter mijn bureau. Ik slenterde naar de lange gang, daar liep ik heen en weer, starend naar vloer en plafond. Ik dacht aan een half jaar eerder, toen de eindredacteur die me nu had gemaild en zijn collega me hadden uitgenodigd. We dronken thee uit kartonnen bekertjes en bespraken veelbelovende plannen. Er was een klik.
Vier dagen later was de deal rond. Ik zou drie maanden mee gaan draaien op de redactie van het grootste populairwetenschappelijke tijdschrift van Nederland. Het blad dat zo lang op mijn verlanglijstje had gestaan, geprezen en verguisd door collega’s uit het vak. Ik had net mijn eerste twee artikelen afgeleverd, nu kon ik twaalf weken lang werken aan mijn oeuvre, schaven aan mijn stijl, aarden in hun cultuur.
De verwachtingen waren hoog, zowel van de redacteuren die ik al kende van borrels en bijeenkomsten, als van de rest. En van mezelf. Nu ging ik het doen: die verhalen maken waar bij andere media geen ruimte was, uit conservatisme, angst of onvermogen.
Aan ideeën en energie schortte het niet, aan inspiratie om de stukken op papier te krijgen ook niet, maar steeds was er die ene horde: diezelfde eindredacteur die me net het trieste nieuws had gebracht. Na een paar weken herkende ik zijn tred: de zucht waarmee hij naar me toe sjokte, meedeelde dat hij na een sigaretje even met me wilde gaan zitten, in een kamertje verderop. Het raakte me, maar ik bleef vol goede moed. Zoog zijn commentaar op als een spons, maar in plaats van weg te ebben groeide mijn onzekerheid juist. Steeds wanneer ik mijn stuk had gestuurd, was er weer die spanning, die twijfel, en het roodgekalkte document. De klik werd een mismatch.
Toch had ik hoop: ik voelde me als een spits die worstelt met zijn vorm maar zo graag wil, dat hij oog in oog met de keeper keer op keer faalt. Maar ik schreef ook fijne stukken, kreeg ook complimenten. De neus voor de goal leek langzaam terug te keren. Op de laatste dag evalueerden we. Vol goede moed vertrok ik, om met deze ervaring in mijn achterzak als gewone freelancer verder te gaan. Tot die mail in mijn box plofte.
Ik schoof achter mijn bureau, opende het bericht weer en klikte op antwoorden. Dit komt rauw op mijn dak, ondanks ons gesprek, tik ik. Ik typte verder, las terug, wiste en typte opnieuw, zorgvuldig formulerend om wel eerlijk maar niet verbitterd te klinken. We hadden het zelf liefst ook anders gezien, las ik even later in het antwoord.
De nederlaag deed pijn, maar freelancen is ook slikken en doorgaan. Ik mailde de twee redacteuren die ik al voor mijn redactieperiode kende. Met mijn afschrijving hadden ze niet te maken gehad. Zij waren mijn voorbeelden geweest. Zij schreven die verhalen die ik had willen maken. Ik stuurde hen twee artikelen die ik in die voorbije periode had geschreven en vroeg hen om commentaar. Spaar me vooral niet, ik wil deze ervaring gebruiken om beter te worden.
Aan de toog van een Utrechts café kwam de reflectie, uit hun mond, maar vooral uit de mijne. Ik had te veel gewild, te snel, te graag. Te grootse verhalen, te veel informatie, teveel experiment en te weinig eenvoud. Verhalende journalistiek, een mooi ideaal maar geen gemakkelijke opgave. Ook zij worstelden regelmatig om hun verhalende stukken door de eindredactie te krijgen, ondanks hun jaren ervaring en ongenaakbare reputaties. Overschatting van het mogelijke, en onderschatting van de valkuilen: wie zich te veel richt op verhaallijnen en diepere gedachten, vergeet terloops de lezer aan de hand mee te nemen en hem uit te leggen wat hij dient te begrijpen.
Zestien maanden geleden is het nu, dat ik het mailtje kreeg. Af en toe denk ik er nog aan terug. Aan hoe het zo heeft kunnen lopen, maar vooral ook aan wat er toen mis ging en wat ik daarvan leerde. Een enkele keer is er het verlangen het nog eens te proberen, te laten zien dat ik het echt wel kan, maar meestal is er vooral berusting. Dat moment komt vast nog, de les heb ik geleerd.
Lang heb ik getwijfeld of ik dit verhaal op zou schrijven. Moet je zoiets delen? Zo’n mislukking? Ik deed het toch, omdat juist dit soort dingen ook bij het freelancen horen. Weinig dingen leren je zoveel over jezelf als je mislukkingen. Freelancen is zoeken naar je kracht, maar ook het vinden van je zwaktes. Het is experimenteren, soms laag en soms hoog inzetten, soms winnen en soms verliezen. Wie niet waagt, zal nooit écht iets winnen. Wie niet durft te falen, blijft hangen in het betekenisloze.
Deze mislukking heeft me geholpen mijn onstuimingheid in te tomen. Niet alles willen kunnen. Af en toe verstap ik me nog, zet ik een voet in die valkuil: te veel willen vertellen, te weinig focus. Snel krabbel ik dan op, en denk aan die les. Bitterzoet.
Hoe doe je dat eigenlijk, freelancen? Schrijf je dan stukjes en bied je die aan? Zoiets. Maar freelancen is meer. Freelancen is jezelf profileren. Vandaag: de tien geboden voor de succesvolle freelancer.
1: Besef dat je ondernemer bent.
Freelancen is niet het uitvoeren van redactieklusjes op je zolderkamer of in de koffiebar. Het is een ander vak, dat vraagt om andere vaardigheden. Geen vergadertechnieken maar briefinginterpretatie. Geen degelijke nieuwsgaring maar omeenhoekjedenken. Geen ik-haal-de-koffie-welwillendheid maar wat-kunnen-wij-elkaar-bieden-inzicht. Prioriteit nummer één: proactiviteit.
2: Onderzoek wie je zelf bent.
Je wist het misschien niet, maar als freelancer ben je je eigen huismerk. Wat is jouw recept eigenlijk? Dat ben je zelf. Zowel journalistiek als ondernemend kun je niet optimaal presteren als je eigen sterke en zwakke punten niet kent. Kom je er zelf niet uit? Vraag het collega’s, of nog beter: familie en vrienden.
3: specialiseer.
Meest gehoorde klaagzang: ik heb nu eenmaal geen specialisme… Zorg dan dat je er een krijgt! En nee, je hoeft je niet meteen zo te beperken dat er niets overblijft dan dat ene kleine onderwerpje. En je hoeft geen vier jaar gestudeerd te hebben om ergens meer vanaf te weten dan anderen. Specialiseren gaat vanzelf, als je er bewust mee bezig bent tenminste. Volg je neus. Denk iets verder vooruit dan die paar klussen die je de komende weken af moet hebben. Bezoek eens een congres. Lees een paar boeken. En licht je opdrachtgevers erover in.
4: Blijf op de hoogte.
Het klinkt als huiswerk en dat is het ook: wanneer jij over bepaalde onderwerpen volgt, moet je die op de voet volgen. Het mag nooit gebeuren dat een opdrachtgever belt en die aan jou moet uitleggen wat er allemaal groeit of woekert in jouw achtertuin. Vergeet niet af en toe een stapje achteruit te zetten en je in je doelgroep(en) te verplaatsen. Wanneer je té goed in de materie zit zou je een ontwikkeling wel eens juist kunnen missen. Praat met minder ingewijde collega’s en vrienden over jouw specialisme en de invalshoeken zullen je om de oren vliegen.
5: Wees zichtbaar.
Politie-agenten hebben een uniform en wegwerkers een oranje hesje. Jouw inhoud is je tenue. Zichtbaarheid is dus niet dat je heel je leven op straat of de sociale media zet, maar dat je je laat horen wanneer je iets te melden hebt. Dat kan in de digitale en in de analoge wereld. Ga de dialoog aan met experts en collega’s. Je kunt je inhoudelijke specialisatie ermee onderstrepen, maar ook, meer dan dat: je manier van denken. Als er iets is waar hoofdredacteuren op zitten te wachten zijn het originele en vernieuwende denkers. Wees wel integer en tactvol (ja, dat gaat best samen), want betweterigheid wordt keihard afgestraft.
6: Durf commercieel te denken.
Natuurlijk had je het liefst alleen zuiver journalistiek werk gedaan, maar die klussen in opdracht leveren niet alleen het budget om dat andere werk te blijven doen, ze bieden meer: een kijkje in de keuken bij organisaties, kennis die je anders niet had opgedaan. En contacten die weer van pas kunnen komen bij je profilering.
7: Bezoek borrels.
Niet om uren met je visitekaartjes te zwaaien (wel nuttig trouwens, kaartjes, alleen al vanwege het ritueel) maar om mensen met gemeenschappelijke interesses te spreken. En te laten zien dat je gewoon een leuk en competent persoon bent die een klus gegund zou moeten worden. Je zou het niet denken, maar chefs zijn net mensen.
8: Kijk om je heen.
Hartstikke handig die persberichten, nieuwstelexen en andere door PR-bureaus opgezette agenda’s. Maar ben je eenmaal die nieuwsfuik ingezwommen, dan is het lastig omdraaien om een creatieve invalshoek te vinden. En dat terwijl de verhalen voor het oprapen liggen in je eigen omgeving. De relationele dwalingen van je vrienden en kennissen. Hun werkgerelateerde dilemma’s of persoonlijke worstelingen. Schroom niet om hen te gebruiken, al is het maar als aanleiding. Vraag ze je te bellen wanneer ze eens iets hebben. Reken maar dat ze trots zijn als je hun tip gebruikt.
9: Werk samen.
Zijn er andere freelancers die jou kunnen aanvullen of vergelijkbare dingen doen als jij? Ga dan niet bibberend in een hoekje zitten, of achter hun rug om zaken doen, maar zoek ze op en verenig je. Samen sta je sterker dan alleen, zolang duidelijk blijft waarvóór je staat. En maak gebruik van elkaar. In een goede sfeer kun je elkaars stukken tot aan de grond toe afbranden, om vruchtbare grond te scheppen voor de toekomst.
10: Blijf bloggen
Ben je gek geworden? Een blog, in 2012? Ja. Maar voel je vooral niet verplicht. Dit is alleen voor de fanatiekelingen. De strebers onder de strebers. De expressionisten. Zie je blog als een combinatie van je boekenkast, je kledingkast en je achtertuin. Dit is wat jij bent. Dit is wat jou interesseert en wat je kwijt wilt in iets meer tekens dat 130. Hier kun je experimenteren. Eindelijk geen briefing, geen maximale woordlengte of ijkpersoon. Hier ben jij de baas. Hier laat jij zien wat je in huis hebt.
Dit blog verscheen samen met een serie andere op deze site gepubliceerde artikelen op Villamedia.nl in het kader van het project ‘De Vogelvrije Freelancer‘.
Bijna was ik het vergeten, na al het gezeik over onderhandelingen, journalistenoverschotten, verdwijnende tijdschriften en schaamteloos plagiaat. Bijna was ik vergeten waarvoor ik het ook al weer doe. Waarom voor mij dit vak, freelance wetenschapsjournalistiek, nog altijd met afstand het mooiste vak is.
Het was zaterdagmiddag, ik stond weer eens een wand te schuren in mijn nieuwe huis. Oordopjes in, de podcast van het tijdschrift Nature begeleidde mijn verder hersenloze activiteit. Toen het bericht. Hoorde ik het goed? Hadden ze het over wormen? Parasitaire wormen? Als behandeling tegen ziekten? Meteen maakte ik een notitie in mijn smartphone. Tijdens de koffiepauze vertelde ik erover aan mijn vriendin. Zij fronsde haar wenkbrauwen, ik glunderde. Hier ging ik in duiken.
Dat gevoel: als een visser die zijn dobber onder het wateroppervlak voelt verdwijnen. Als een goudzoeker die de glinstering ziet. Als een jager die zijn trekker overhaalt en weet dat het raak is.
Die avond zocht ik het artikel op waar naar was verwezen in de podcast. Een Amerikaanse hoogleraar die al jaren parasieten onderzoekt, is pas een klinische studie gestart om de behandeling van chronische darmonsteking te behandelen met een onschuldig wormpje dat normaal alleen in het darmstelsel van varkens voorkomt. Ik zocht zijn contactgegevens op en mailde hem. Al snel ontving ik een bericht terug, de belafspraak stond. Ik Googlede verder en stuitte op een Leidse hoogleraar die vergelijkbaar onderzoek doet.
Ondertussen verkocht ik het idee.
Een week later zat ik tegenover de Leidse professor op haar rommelige kantoortje in het LUMC. Een poster met een schematische weergave van immuunreacties aan de deur, foto’s van veldstudies in ontwikkelingslanden aan de muur, een geopende koektrommel tussen ons in op tafel. Geduldig gaf ze uitleg over parasieten en hun impact op het immuunsysteem. Over haar eigen onderzoek, hier in het lab en in het veld. Over waarom zij niet zo enthousiast is over de toediening van wormen.
Ze leidde me langs de labs aan de overkant van de gang. Er werken jonge onderzoekers uit verschillende delen van de wereld. Vooral landen waar de parasieten nog veel voorkomen. India, Indonesië, Oeganda. Ik wierp een blik door een microscoop, en zag de miniscule wezentjes trillen onder het glas.
Terug in haar kantoor vertelde ze dat ze regelmatig gebeld wordt, door radeloze mensen. Ze vragen, nee smeken haar om een behandeling met parasieten. Colitis hebben ze, of ernstige allergieën, of MS. Meestal legt ze rustig uit dat het zo ver nog lang niet is. Dat ze dit niet zomaar kan doen. Soms stuurt ze hen door naar haar Amerikaanse collega.
Weer dat gevoel. Een verhaal te hebben dat verteld wil worden. Dat jij dat verhaal hebt, dat jij het gaat vertellen. Het liefst morgen al, nee, neem de tijd!
Ze worstelt ermee, vertelt ze, met die vragen. Ze zou zo graag meer doen. Dan haalt ze haar schouders op. ‘Het is nu eenmaal niet anders.’
Het begon met ons aanbod ook voor het weekend nieuws te gaan leveren.
We, de zes wetenschapsjournalisten van mijn collectief, Bureau Wibaut. Sinds een maand of dertien leverden we iedere doordeweekse dag twee nieuwsberichten aan de grootste nieuwswebsite van Nederland.
De pas aangestelde adjunct-hoofdredacteur kwam er speciaal voor op bezoek. We serveerden taart vanwege onze jarige samenwerking. We wisselden positieve geluiden uit. Hij wilde meteen de afspraken wat helderder op papier zetten.
Hij wilde praten over geld.
Het verhaal was natuurlijk langer en complexer, maar in het kort kwam het hier op neer: hij wilde wel meer berichtjes, maar dan wel voor minder geld. Met zijn collega hadden we een paar maanden eerder ons dagelijkse quotum omlaag bijgesteld, omdat wij met de afspraak die we daarvoor hadden ongelukkig waren. Nu was hij dat. Nu waren we duurder dan alle andere secties. Te duur.
Dat we daarvoor méér leverden dan ons werd gevraagd, dat we werkten als team, elkaar scherp hielden en onze eigen eindredactie vormden, altijd de oorspronkelijke bron zochten en checkten, open stonden voor extra spoedklusjes en een specialisme beoefenen dat om meer research vergt, dat waardeerde hij echt wel, maar hij had een budget. Een beperkt budget.
Denk er maar over na, zei hij.
De paradox knelde: die tevredenheid en dan toch deze boodschap. Waren we dan echt zo duur? Moesten we dit zomaar accepteren? Wij hadden het afgelopen jaar ook al geaccepteerd dat onze manier van werken een simpele consequentie had: het eerste uur dat we aan een bericht besteedden werd betaald, het tweede deden we er uit eigen zak bij. Om onze kwaliteitsstandaard te halen. Omdat honderdduizenden mensen onze stukken lazen. Omdat we goede wetenschapsjournalistiek belangrijk vinden, ook voor een populaire nieuwswebsite. Dat was onze missie.
Ik stelde een mail op. We discussieerden erover, pasten hem aan, ik drukte op send. Het stond er duidelijk: wij wilden staan voor onze kwaliteit, het bedrag waarvoor we werkten was al laag, dit vonden we acceptabel maar nog lager, dat zou onder onze ondergrens schieten.
We wachtten in spanning af. Twee dagen later kwam het antwoord. De toon was mild, hij had erover nagedacht, en kwam met een nieuw bod: precies tussen dat van hem en ons in.
Koortsachtig overleg. Zat hier nog rek in? Het leek er niet op. konden we dit accepteren? Erg veel lager was dit niet dan wat we vroegen, al liep het verschil in totaal wel op. Het ging om een paar euro’s, maar wel een paar zure euro’s. Alleen creatief onderhandelen kon ons nog iets opleveren, verder afdingen niet.
Bijna had ik teruggemaild: we doen het. Toen kwamen de andere geluiden. Over redelijke tarieven. Over waardering voor kwaliteit. Over niet zomaar slikken.
Ik begon te twijfelen, en zwichtte.
Dit konden we niet accepteren. We moesten voet bij stuk houden. We konden altijd later nog dalen, we stonden toch samen sterk, als collectief? Zo vriendelijk mogelijk verwoordden we het: op basis van wat wij leveren, lijkt het eerder gestelde bedrag ons geen onredelijk bod. We willen graag samen nadenken over initiatieven om de samenwerking nog meer uit te buiten.
‘Ik bel je later even, want het lijkt erop alsof het inderdaad vastloopt zo. En dat zou zonde zijn. Klopt het trouwens dat jullie eerste tegenvoorstel ook niet meer geldt?’
Dat stond nog, schreef ik. Hij liet het bod bezinken, mailde hij terug.
Dagen bleef het stil, tot er ineens een antwoord kwam. Per mail.
Mijn hart bonsde terwijl ik het bericht opende. Ik had gelijk gehad. Er kwam geen nieuw bod. Maar er was meer. Mijn ogen schoten omlaag, ik verstijfde en las:
‘In de tussentijd ben ik ook in contact gekomen met jullie voorganger, die aangaf weer beschikbaar te zijn. Ik heb een goed gesprek met hem gehad, waarin hij mij een aantrekkelijk voorstel deed.’
Met open mond wees ik naar mijn beeldscherm. De anderen keken op, ik wenkte.
Het eindigde met een voorstel. We mochten het weekend gaan doen. Voor zijn prijs. We hadden het hard gespeeld. We hadden verloren.
Ken je dat gevoel? Dat je denkt: ‘dit heb ik eerder gezien?’
Ineens las ik mijn eigen woorden terug. Woorden die ik schreef voor Quest, het glimmende maandblad. Maar op deze maandagavond las ik de Quest niet, ik was lukraak aan het rondsurfen op zoek naar inspiratie voor een artikel over voeding en was beland op een website waar ik nooit iets publiceerde. http://www.infonu.nl/ ‘Een online bibliotheek van A tot Z.’ Met in elk geval één gestolen artikel.
De auteur had nog wel de moeite genomen om wat persoonlijke passages uit mijn artikel over de houdbaarheidsdatum te verwijderen, maar verder was de gelijkenis onmiskenbaar. Ik scrollde omlaag. Bron: Quest – augustus 2011, stond eronder. En: ‘Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.’
Langzaam begon mijn bloed te borrelen. Ik klikte door naar het contactformulier van de website en tikte een bericht. Onderwerp: ‘auteursrecht geschonden’. Ik verzocht de beheerder het artikel te verwijderen, en vroeg een schappelijke vergoeding voor het gebruik van mijn tekst: 200 euro.
Niet veel later kreeg ik antwoord.
Het betreffende artikel is per direct verwijderd en niet meer beschikbaar op InfoNu. De betreffende infoteur is aangesproken op het feit dat niet eigen inhoud is gepubliceerd. Tevens zullen wij de andere artikelen van deze infoteur aan een grondige controle werpen waarna zal worden gekeken of het account op InfoNu beschikbaar moet blijven of niet.
Eén ding had ik bereikt, maar over mijn andere vraag geen woord. Ik mailde terug, en nam enkele passages over uit de standaardbrief die ik van de NVJ-website haalde. Daarin staat duidelijk dat de auteur recht heeft op een vergoeding.
Weer kwam het antwoord relatief snel:
Hoe vervelend de situatie ook is. InfoNu heeft zich niet schuldig gemaakt aan een onrechtmatige gedraging, of onrechtmatig nalaten, omdat onmiddellijk na melding de betreffende tekst is verwijderd. InfoNu was niet al langer op de hoogte, of had dat kunnen zijn, van de plaatsing op InfoNu, laat staan van het onrechtmatige karakter van die plaatsing.
Daarnaast heeft InfoNu in haar algemene voorwaarden haar gebruikers (infoteurs) verboden om inhoud te plaatsen die niet van de gebruiker zelf zijn. Met het voorgaande heeft InfoNu voldaan aan haar verplichtingen als beheerder van haar website.
Mijn toon ontvriendelijkte. Ik nam contact op met de juridische afdeling van de NVJ. Die stuurde me het volgende: Een beroep op een recht op privacy mag er niet toe leiden dat personen die onrechtmatig artikelen plaatsen, vrijuit gaan. U hebt immers het recht om deze persoon – al dan niet in rechte – aan te spreken…. zodat u van deze persoon de 200 euro kan vorderen.
Ik stuurde de passage door naar de websitebeheerder – de auteur die ik via zijn eigen contactformulier had benaderd had nog niets van zich laten horen – en wachtte af. Het antwoord was even kort als helder:
De gegevens die wij in onze bezit hebben mogen wij niet verstrekken, dit doen wij dan ook niet. Wel kan en zal ik je berichten doorsturen naar het bij ons bekende e-mailadres.
De factuur heb ik inmiddels verzonden. Ik ga er vanuit dat de beheerder ook die doorstuurt naar ‘het bij hem bekende e-mailadres’. Een blik leert dat alle andere bijdragen van de Infoteur inmiddels ook verwijderd zijn. Dat dan weer wel.
UPDATE: Of het toeval was weet ik niet, maar direct na publicatie van mijn blog veranderde de toon van de websitebeheerder. Hij deed zijn best contact te zoeken met de infoteur, en hoopte op een goede afloop. Gisteren, 28 november, ontving ik een mail van Vangrootbelang, waarin deze persoon zijn excuses aanbood en aangaf het bedrag, 200 euro, onredelijk te vinden. Hij had naar eigen zeggen nog geen euro verdiend met het stuk en was al gestraft door het afsluiten van zijn account op Infonu.nl. Ik gaf daarop als antwoord dat het mij niet ging om straffen, maar een signaal afgeven over de door mij geleden schade. Ik stelde voor met vijftig euro de zaak te schikken. Hij ging akkoord. ‘ 50 euro kan ik mee leven en ik ben je ook zeer erkentelijk voor je toeschietelijkheid. Nogmaals mijn welgemeende excuses, een goede les.’
We werken deze maand tien jaar samen en dat leek me een mooie gelegenheid om je eens een brief te schrijven. Gewoon, om eens wat te reflecteren en te vieren dat we al zo lang door een deur gaan. Figuurlijk natuurlijk, want op jouw deur heb ik twee keer geklopt en jij hebt de mijne nooit gezien.
Enfin. Als ik de fluctuerende bedragen op mijn afschriften zo bekijk, verliep onze samenwerking bij vlagen soepel, bij vlagen iets minder. Dat is geen probleem, want ik ben flexibel en jij hebt nog andere hulpjes op afstand elders in het land. Of die tevredenheid ook voor de inhoud geldt, daar ga ik gemakshalve maar vanuit, want informatie daarover verschaft mijn bank me niet. Op een gegeven moment wist ik wel wat je wilde lezen, en leverde ik dat.
Ondertussen zijn de tijden veranderd. Toen ik terugbladerde, zag ik dat mijn tarief precies gelijk is gebleven al die jaren. Gelukkig maar, want om me heen hoor ik allerlei verhalen over dalende honoraria! Het is nu eenmaal zwaar, voor alle media, dus we zullen er samen uit moeten komen. Ik hoorde dat er weer een hoop mensen ontslagen zijn bij jullie. Het zal wel flink aanpoten zijn tegenwoordig? En de formule gaat op de schop, hoorde ik via via? Betekent dat dat je straks ook andere stukken verwacht?
Trouwens, nu ik je toch schrijf: over dat artikel waar ik mee bezig ben. Ik zit een klein beetje vast. Dat zit ik wel vaker, maar normaal gesproken krijg jij daar niets van mee. Goede freelancers, daar hoor je nooit wat van, immers.
Een collega van me vertelde dat ze in Amerika op dit soort situaties iets gevonden hebben. Debriefen noemen ze het. Het komt uit het leger en is eigenlijk heel eenvoudig: voor je begint te schrijven vertel je aan een collega wat je hebt gevonden, net als een verkenner die terugkomt van zijn missie.
Ik heb het een paar keer hier op kantoor gebruikt, maar volgens mij werkt ‘t het beste als ik het in dit geval met jou doe. Jij moet je immer in de insteek kunnen vinden. Heb je tijd om daarvoor morgen even te bellen? Alleen als het uitkomt hoor!
Of trouwens, laat maar. Je zult wel druk zijn met die reorganisatie, en ik begreep dat je ook vier dagen in de week werkt tegenwoordig? Ik red me wel.
Nog iets. Vorige week sprak ik een collega uit Zweden, die bij een blad werkt dat veel lijkt op dat van jullie. Hij vertelde me over een rubriek die ik echt iets voor jullie vond. Zal ik er eens wat meer over op papier zetten? Zelf heb ik er geen tijd voor, maar wie weet kan jij het zelf doen of weet je een andere freelancer?
Nou, ik moet er snel vandoor, naar een groot interview voor een ander tijdschrift. Dat wist je misschien niet, maar ik ben me sinds een jaar of twee gaan specialiseren als portretterend interviewer.
Hartelijke groet,
Je trouwe freelancer
p.s. Je had het vier jaar geleden over een freelancersborrel die je zou gaan organiseren. Heb ik de uitnodiging gemist, of moet die nog komen?