The reason to write again on Jan Montyn is because recently i added to my inventory the ultimate book on Montyn his prints. This book is now available at www.ftn-books.com
My first-ever encounter with the works of Jan Montyn was in the early seventies. It was then that I acquired my very own beautiful etching by the renowned artist – a mesmerizing depiction of a blue bird, set against a typical…
My litho exhibition Underworld has been exstented. If you haven’t seen it yet: you’re very welcome to come and see it @grafische_werkplaats till the Christmas holidays. #litho #lithografie #underworld #artprints #grafiek #waterreflections https://www.instagram.com/p/Ck2zxIKoX-J/?igshid=NGJjMDIxMWI=
WERK VAN INEZ ODIJK DRINGT ZICH AAN MIJ OP, POSITIEF
"Uiteindelijk gaat het Odijk om het kijken." Maar daar gaat het iedere kunstenaar om, denk ik. Er moet gekeken worden. Het werk moet gezien worden. Maar Jef Schaeps bedoelt in het verantwoorden van zijn beschouwing op het werk van Odijk dat ik niet gewoon moet kijken, maar mijn blik moet openen om doordringend te zien zodat ik de wereld achter het zichtbare ontdek. Inez Odijk toont mij in haar werk een gelaagde omgeving. In de tekening zie ik wat ik denk te zien, wat tastbaar is en wat ik begrijp. Maar achter dat zichtbare speelt meer, in die gelaagdheid speelt het gevoel, de ervaring. Denk ik er meer te zien dan wordt getoond. Hoever kunnen wij daarin doordringen, vraagt Schaeps zich af.
Ik doe een poging in dit werk op te gaan wanneer ik het kunstenaarsboek "Groeven en aanwas" van Odijk doorblader. De ene bladzij volgt op de andere pagina, ik houd eens stil om mijn blik te scherpen en mijn gedachten over het beeld te laten gaan. De bedrukking van de bladspiegel biologeert, houdt de aandacht vast. Eigenlijk dringt de wereld van Odijk in mìj door, het beeld belast mij positief met de zichtbaarheid. En niet andersom, ik hoef mij niet te verdiepen. Ik hoef haar werkelijkheid niet door te prikken, hoef niet door te graven tot ik het abstracte beeld bereik. In positieve zin dringt het werk zich aan mij op en lost als vanzelf het raadsel op. En ik laat dit reikhalzend toe.
In de uitgave met afdrukken van houtsneden, lijnetsen en inkt op papier draait het enkel om het kijken. Actief kijken. Interactief zien, want het werk beïnvloedt mijn gedachten. De afdrukken zijn het onderwerp van het boek. Het geeft een indruk van het kunnen van Odijk, de kunst waarin zij zich uit. De twee teksten die bij de beelden gaan, van de genoemde Schaeps en die van Landa van Vliet, duiden het werk maar zeggen niets over de vrouw achter de kunst. Een verademing dus, dacht ik. Niets te weten over het hoe en waarom, de gedachte achter het doen. Om aldus objectief te kunnen kijken. Onbevangen te zien. Onbevooroordeeld te doorgronden.
Wat de schrijvers doen is inderdaad kijken. In dat kijken het beeld bevatten. In het aftasten Odijk doorzien om voor mij het mysterie te ontraadselen. Dat is wat ze schrijven, waar ze over schrijven. Over hun bevinding, hun beleving, het gevoel, de emotie. En niet over wat Odijk bedoelt zal hebben. Zo kan ik neutraal blijven kijken, want mijn zien wordt niet in een bepaalde vaststaande richting geduwd. Hoewel de schrijvers dat in principe wel onopzettelijk proberen met hun korte zienswijze op het werk. Toch kan ik er het mijne van vinden. Zelf het raadsel oplossen. Enkel is het schrijven een handreiking, zodat ik mijn ogen open en beter kijk. Het eens kan zijn met wat geschreven is, ermee instemmen, maar wel mijn eigen waarde ertegen aan kan zetten. Zelf kijken en zien.
Het werk van Inez Odijk boeit. Wanneer het eenmaal in mijn blikveld is kan ik mijn ogen er niet van los laten. Ik wil zien wat daar gebeurt, wat de voorstelling is in de gutslijnen of de pennenstreken. In velden opgebouwd uit diverse verschillende composities kijk ik naar een schijnbaar ondoordringbaar vegetatieve voorstelling. Lig ik als het ware op mijn knieën en beschouw de planten in mijn wilde tuin op groeihoogte. Het is een wildernis van streepjes, lijnen, punten in een effen getint vlak. Deze composities in een raamwerk van aaneensluitende en in elkaar overlopende beeltenissen wanneer het een tableau betreft zijn onderling uitwisselbaar. Hoewel de afgedrukte versies in het boek de eigenlijke samenstellingen lijken, kunnen deze in een andere opstelling even realistisch zijn. En ook kan een deel uit het geheel worden genomen om autonoom tot uitdrukking te komen.
In de stilstand, de status quo van het beeldvlak, is vreemd genoeg alles in beweging. De verstilde voorstelling gunt de blik geen rust. Mijn ogen zien in de afbeelding voortdurend opnieuw een actie die het definitieve gegeven uitdrukt. Doordat mijn ogen in beweging zijn om ieder detail te kunnen opnemen, te doorzien en in het geheel te overzien, krijgt de compositie als vanzelf een dynamisch karakter. Mijn kijken brengt leven in de op zichzelf dode materie: de inkt die onder de pers gedwongen is op deze manier tot uitdrukking te komen.
In deze levendige composities dringen zich voorstellingen aan mij op. Van korte afstand gezien is het werk een abstract geheel van lijnen en punten van waaruit vlakken en omgevingen ontstaan. Op afstand wordt de handeling, met de focus van een monnik, die Odijk zich getroost heeft duidelijk. Het maagdelijke wit vloeit samen tot het tafereel dat afsteekt tegen het blauwe of rode dan wel zwarte fond. Ik zie daar een plant opdoemen, een bloem ontstaan, een gezicht opgloeien of een boom groeien. Het beeld bedriegt de ogen niet. Zoals Van Vliet opmerkt is het precies: “Inez Odijk duidt het schemergebied tussen het zien en de geest”. In het volle licht lijkt alles waarheid, maar het echte zijn is zichtbaar in de nevel van de morgen, in het halfduister van de avond. Het ontwaken van de dag, het inslapen van de tijd.
In het mysterie dat uit het gedruis van guts en kerf, naald en penseel, groef en aanwas een te begrijpen beeld ontstaat neemt Odijk mijn blik mee de inspiratie in. In de wildernis van kunstige bezigheden wil mijn oog een ontdekking doen. Er valt voldoende te beleven in het schijnbaar gelaagde vlak. Niet tastbaar gelaagd, maar de voelbare diepte. Tussen de regels van punten en lijnen door doemt al te vaak een niet door Odijk getekend beeld op. Mijn geest vult het inzicht in, ik zie door de afdruk een herinnering aan een eens gezien iets ontstaan. Een déjà vu, alsof ik eerder in gedachten in deze compositie was. De lijnen en vormen maken in mijn denkwereld een andere voorstelling dan bedoeld is door de kunstenaar. Ik doorzie mijzelf in haar werk. Zij laat mij kijken met de geest. Haar werk doet een beroep op mijn geheugen.
De houtsneden en pentekeningen hebben een actief karakter. Het verdient concentratie in kijken, omdat door de veelheid aan uitgedrukte gegevens het zien rap raakt afgeleid. Ook in de portretten, die zijn opgebouwd uit vooral een stijlvolle wirwar van punten en stippen, krijgt het oog nauwelijks rust. De blik vindt slechts een moment houvast op de uitgesproken oogopslag en in de volle lippen. En wanneer dan de mens beschutting zoekt in de tuin, zich afwendt van het leven, wordt het zijn onderdeel van het wezen. Pas in de serie lijnets en droge naald van de Maas is een serene rust weergegeven. Hoewel de lijnen, die het stromende water suggereren, maar nauwelijks een stilstaand beeld laten zien. Kijk ik in de golven van de rivier dan raakt mijn blik algauw duizelig en verdrinkt in de spiegelende schommeling. Odijk zet dit fluctuerende karakter van het water stil in haar grafiek. Maar doet nog wel vermoeden dat de wind over het oppervlak gaat, het in beweging zet. Die abstracte weergave toont de realiteit.
Inez Odijk verbeeldt de tijd in haar composities. Ze pakt het moment en suggereert het volgende ogenblik. Het is zoals ze het zelf omschrijft: “Het werken is als een wandeling; onderweg stel ik vragen, ontleed ik. Ik kom op een spannend punt waar bewegingen zich concentreren tot een vorm, of een uitzicht. Een kort moment, voordat alles weer lijkt op te lossen.” Ik ga mee op haar wandeling, concentreer me op de beweging. Dat enkele vluchtige moment ligt vast in haar werk.
Kunstenaarsboek “Groeven en aanwas”, grafiek en tekening van Inez Odijk. Tekst Landa van Vliet, Jef Schaeps. Omslag: houtsnede in oplage, gevouwen. Uitgave Art Collart, april 2022.
En we zijn terug gestart! Droge naald van boschiaanse wezens. #drogenaald #grafiek #drypointetching #Bosch #inspiration #arteducation #artschool #kso #lichaam #tweedestaat #binnenskamers #sintlukaskunsthumaniora #brussels #artistiekeopleiding https://www.instagram.com/p/CTz1a7vgeZH/?utm_medium=tumblr
CHARLES DONKER BEDRIJFT TOPSPORT OP DE KOPEREN PLAAT
Het heeft te lang op mijn digitale stapel van nog door te nemen boeken gelegen. Of eigenlijk onderop, want het was één van de eerste uitgaven in PDF-formaat die me via email is toegestuurd. Digitale post leest minder makkelijk in vergelijking tot een hardcopy exemplaar. Een boek van kaft tot kaft doorlezen en bekijken, het voelen van de bladzijden en het kunnen omslaan van de pagina’s, geeft een extra dimensie aan het beleven. Maar vanaf het beeldscherm wordt de schoonheid van taal en beeld mij ook gewaar. Het betreft een uitgave die is verschenen bij de 80e geboortedag van kunstenaar Charles Donker. Dat was 23 april 2020. Met tekstbijdragen van vakgenoten als Reinder Homan, Simon Koene, Ed de Heer en Érik Desmanières is het een lofzang op deze begaafde graficus.
Vanaf de academie in zijn jonge jaren legt Donker zich toe op ruimtelijke opdrachten. Maar het gedoe om geschikt geacht te worden een kunstwerk te vervaardigen, daarna het moeizame contact met architect en opdrachtgever, dwingen hem ertoe zich op een meer handzame manier in de kunst toe te leggen. Opgeleid als monumentaal kunstenaar met bijvak grafiek, laat hij de ruimte voor wat het is en imponeert de wereld vanaf dat moment met zijn gedetailleerde etstechniek. Zijn hart ligt bij de grafiek. De intimiteit van de etskunst sluit perfect aan bij zijn karakter. Wanneer ik het boek doorblader, de teksten heb gelezen en de catalogus met door Donker zelf geselecteerde werken uit zijn oeuvre opensla zie ik waarom de graficus zo om zijn werk wordt geroemd.
Hij is een nauwkeurig beschouwer. En weet met dat scherpe oog voor het onderwerp dit geziene beeld als beeltenis op de plaat te krijgen. Met in de eerste plaats de aquatint en later de techniek van plaattoon, weet hij extra sfeer en een surrealistische dimensie in het resultaat op papier te krijgen. Zijn minutieus uitgewerkte stofuitdrukking, in zowel het verenpak van de vogel als het kreupelhout in het bos, geven de afdrukken een geweldig kijkgenot. Donker maakt landschappen en bosgezichten waarin geen leven is. Geen mens te zien en nauwelijks een vogel te horen. Maar deze zijn er wel, de dieren althans, echter zojuist uit beeld vertrokken. De etser duidt ze in woorden in de kantlijn. Het soort, de zang, het zijn.
De bomen hebben hun blad verloren, een subtiele aanwijzing van vergankelijkheid. Maar het kan ook andersom, dat de bomen op het punt staan uit te botten na een koude en donkere periode. De natuur slaapt nog, de eerste zonnestralen van de lente zullen hen wakker kussen. Dan is de tijd om opnieuw te beginnen. Een nieuw leven vangt aan. Maar het inktzwarte en grauwwitte karakter van de afgeslagen etsplaat geven de afdruk een somber karakter, waardoor ik al snel aan de herfst ga denken bij het zien van het werk van Charles Donker.
Deze etser werkt naar de natuur. Maar bedenkt niet zelf wat hij zal afbeelden. De inspiratie dient zich aan, meent hij: “Ik kies mijn onderwerpen zelf niet. De onderwerpen kiezen mij.” En dan is het wel zaak om het overzicht te bewaren. “De kunst is om te blijven kijken, te blijven vertalen. Elk takje verdient aandacht. Verder is het een kwestie van op tijd stoppen. Een dicht gebreid landschap, daar is niets aan.” De landschappen en andere tekeningen van Donker zijn daarom open en transparant. Er staat genoeg aan afbeelding op de plaat om de verbeelding in de afdruk het werk te laten doen.
De boom herken ik aan de groeivorm, de vogel aan het verenkleed. Want Donker is wel een realist. Uit enkele van zijn werken in het boek lees ik het experiment naar een andere manier van weergeven. Compositie met vormen uit 1962 geeft hem de zelfgemaakte kans met vlakken te schuiven. In het ‘doosje met gedroogde insecten’ en de ‘Noordzeekrab in een kistje’ wordt de mogelijkheid het onderwerp op een wiskundige manier te benaderen onderzocht. Maar ook een onderwerp als ‘houten schaakstukken met wormgaatjes’ toont een proeve van bekwaamheid. Werkend aan platen als ‘dode mol op het Utrechts Nieuwsblad’ en ‘verkreukelde krant, geld en lucifersdoosje’ moet Donker welhaast zijn puntje van de tong hebben afgebeten. Zo gedetailleerd staan de boekdrukletters uitgetekend. Bij ‘twee handen, schelpen en de tekst van het gedicht Het kind en ik van Martinus Nijhoff’ zit ik op het puntje van de stoel en schuif mijn bril beter op de neus om elk detail te kunnen vangen.
Wat een monnikenwerk, of zoals Ed de Heer het in zijn bijdrage omschrijft ‘met engelengeduld en mierenvlijt’. De Heer gaat in op de contemplatie en het technisch vernuft van Charles Donker. Beschrijft biografisch zijn werkzame leven. Voor Érik Desmazières was Donker een inspirator: “Vanaf het eerste moment dat ik Donkers prenten zag, was er iets dat me in zijn werk aantrok. Het voelde als een schok, en achteraf gezien leek het alsof een stem me plotseling influisterde: Wordt wakker, stop met dromen en open je ogen! Kijk om je heen en zie de schoonheid van de eenvoud van de dingen die je omringen.” Want dat is wel wat Charles Donker in en door zijn werk doet, ons anders en beter doen kijken naar de gewoonst schijnende zaken in ons leven. Hij legt ze met de meest grote precisie vast, maar geeft het daarnaast een extra dimensie van beleving mee.
Net als Donker is ook Reinder Homan een tovenaar op de koperen plaat. Met groot vernuft weet ook hij zijn onderwerp in beeld te brengen. Beide bewegen ze zich op een bijzonder terrein in de kunst. Het is daarom niet zo verwonderlijk dat de samensteller van dit boek ‘De etsen van Charles Donker’, voor deze vakgenoot heeft gekozen om zijn gevoel bij het werk te beschrijven. “Donker spreekt van binnenuit”, schrijft Homan, “hij is zelf zo ongeveer het verhaal geworden dat hij vertelt. Hij tekent niet wat hij ziet, maar wat hij beleeft, geeft geen objectief maar een ‘verteerd’ beeld. Hij schrijft geen essay, geen plant- of dierkundige verhandeling maar poëzie.” Simon Koene stipt nog de Haagse Etsclub aan waar Donker zich tussen anderen bewoog en sterk maakte voor het metier. Hij merkt op: “Het is topsport wat hij heeft gedaan en hij heeft de concentratie altijd vastgehouden.”
De etsen van Charles Donker. Teksten van Reinder Homan, Simon Koene, Érik Desmazières en Ed de Heer. Uitgave Lecturis, 2020.