PER 1 DECEMBER 2025 WORDT DIT BLOG QUA TEKST EN BEELD NIET MEER GEUPLOAD. HET ZAL ENKEL NOG GEBRUIKT WORDEN ALS ARCHIEF. VOORTAAN PUBLICEER IK OP DE WEBSITE KUNSTSTUKJES. DE INHOUD VAN DIT BLOG ZAL IN DE LOOP VAN DE TIJD WORDEN OVERGEPLAATST NAAR DE SITE.
MIJN VOLGERS (EN IEDER ANDER) KAN MIJN NIEUWE STUKJES VINDEN OP DE WEBSITE: jurjenkvanderhoek.nl
Het lijkt de blauwe periode van Ingrid Simons. Vrijwel alle composities die bij Galerie MUGA getoond worden hebben deze kleur als hoofdmotief. Het mengt zich met beige, een tussentint van pakweg wit en geel ofwel bruin. Hoewel van menging geen sprake is, blauw en beige vormen niet samen een nieuwe kleur. Naast elkaar gebruikt vormen deze samen een dynamisch bruisende compositie. Alsof de schepper met de hand het gladde oppervlak beroert. Het water komt van schrik in beweging en spiegelt het wezen van degene die het aanraakt. Dat is zoals ik het bekijk, maar zo heeft de kunstenaar het niet bedoeld. Zij beeldt haar emotie van de schemering. De twilight zoals de Engelsen dat zo treffend uitdrukken. Want dat is het, tweelicht, het moment tussen dag naar nacht, licht en donker, het licht wordt opgeslokt door de duisternis.
Simons echter richt zich niet op het ogenblik waarop de dag zich te ruste legt, maar het moment dat de dag ontwaakt en zichzelf opnieuw uitvindt. Het eerste licht van de dag, madrugada – morgenstond in het Spaans. Dat is dawn, het ochtendgloren wat feitelijk ook een menging is van donker naar licht. Lady of the Dawn van Mike Batt klinkt in mijn gedachte wanneer ik de expositie in MUGA bekijk. Want de wisseling van nacht naar dag en van dag naar nacht zijn de meest mysterieuze dagdelen. Uit de duisternis van de nacht licht de dag op, de vlakken krijgen weer contour. De bomen komen uit het bos naar voren, koeien worden zichtbaar in de weide, witte wieven dwalen in dauwende nevel over de velden. En kunstlicht dooft. Kunstlicht om de nacht niet aardedonker te laten zijn, want de mens is bang voor het donker. Wanneer er geen hand voor ogen te zien is wil de mens zich omringen met licht in de duisternis.
Om waarlijk in het donker te zitten moeten grenzen overgestoken worden, dient de stilte gezocht te worden. Waar vind ik deze nog? In Nederland is het alleen donker op Terschelling of in het Lauwersmeer. Want ons land is een van de meest lichtvervuilende landen. Misschien nog op de Marker Wadden en Kootwijkerzand. Maar de duisternis moet je in ons deltaland met een lampje zoeken. Dus die natuurlijke overgang van nacht naar dag is minder helder te beleven, minder dramatisch, minder theatraal. Daarvoor is Simons afgereisd naar Portugal in dit geval. Daar is het licht mediterraan, warmer. Dat vertaalt zich in haar werk met het effect als hierboven omschreven. De koelte van de nacht mengt zich met de warmte van de dag. Dat is in haar beeldtaal een heftig gebeuren. De nacht wordt niet zonder slag of stoot overwonnen, maar de natuur moet zijn beloop hebben. Het is een voortgaande cyclus, synchroon lopend met het grote geheel van het leven.
Eerder schreef ik over het werk van Simons, dat ‘door de structuur de kijker veronderstelt dat de maker een landschap in beeld heeft gebracht. De inspiratie is ruw op doek gesmeten. In wilde vlagen en brede handgebaren beweegt de verf over het doek van links naar rechts, heen en weer (…). Op deze manier moet de schepper ook die eerste dag gezien hebben. Een abstractie die langzaam een werkelijkheid werd. Woest en ledig kreeg vorm en sfeer.’ En dat is nog steeds de gewaarwording bij de kunst van Ingrid Simons. De sensatie van dat eerste licht, de schepping van een nieuwe wereld. Een gebaar van driftig onstuimige uitdrukking van de emotie opgedaan in het landschap bij dageraad. Het ontwaken van de dag. De nacht verzet zich hevig, maar uiteindelijk overwint de dag. Het gaat er heftig aan toe in die vroege morgenuren.
Koud vlammende beelden in eenzelfde toonzetting en kleurbeweging zijn op de huid van vazen gebrand. In de bolling van dit keramiek blijft de duisternis bewaard. De donkerte zit in de ziel van het voorwerp als een druppel vocht in droogte. Het is een gebruiksvriendelijke manier om de morgenstond te laten vlammen, het gouden uur te concretiseren. Want denken de schilderijen zich dikwijls nog een landschap, de vazen stoken het vuur van de dag op en veroorlooft de vorm zich geen vergezicht. Echt los gaat Simons op lange banderollen, die zich uitstrekken van de vloer tot het plafond van deze kunstruimte. Zwarte inktstrepen en -vlekken op een witte drager verwezenlijken de sferische stemming. Neergezet tijdens een performance midden tussen de natuur in het gras. Het papier neemt de structuur van de bodem, de grond en het steen aan. De schildering wordt onderdeel van de omgeving en is er uitgenomen. Het is een kopie van de plek, een beschrijving van deze bepaaldelijke plaats.
De emotie vertaalt zich in een rumoerig beeld, alsof de kunstenaar uit de geruisloze stilte wil breken en zich verre houdt van contemplatie en bezinning. De abstractie zindert expressief, de energie krijgt de vrije hand. Het beeld verbergt een diepere laag van ervaren. In een huiveringwekkende atmosfeer ontmoet de dag in deze de nacht. Vooral door het formaat en de meest basale manier van uiten maken deze werken de grootste indruk in deze opstelling. Een drietal kleine werken op de gang luiden het heftige karakter van de tentoonstelling in. De zwarte vegen op papier, besmeurt met witte lijnen, lichten nog geen tip van de sluier op wat de bezoeker in de ruimte daarachter te wachten staat. In deze kleurloze verbeelding is de inspiratie van de schemering ver te zoeken. Het abstraheert een gevoel, concretiseert de gedachte wanneer de ogen gesloten zijn.
Het werk van Ingrid Simons zou uitnodigen om even stil te staan, om de wind, de stilte en het licht opnieuw te voelen. Te ervaren alsof je dit voor het eerst meemaakt, voeg ik daaraan toe. Als een pas geboren kind de dag proeven, het leven aangaan. Want zo open moet je zijn bij dit werk, zo transparant voedt deze kunst mijn gedachte. Het is een oorspronkelijke emotie. De ontroering van de eerste dag, het eerste uur. De kunstenaar reist de wereld over om deze eerste beleving opnieuw te ervaren, telkens weer. Ze treft ruige en verlaten landschappen om er in schutkleur deel van uit te maken. Uit deze natuurlijke grondslag laat zij haar kunst ontstaan in diverse technieken. Hoe dat werkt daarover heeft ze in eigen beheer een papieren uitleg laten drukken, een handleiding voor haar manier van werken. Daarover zal ik in een van de volgende blogs meer schrijven.
Madrugada. Schilderijen, tekeningen en keramiek van Ingrid Simons bij Museum Galerie Heerenveen (galerie MUGA), Minckelersstraat 11 in Heerenveen. Van 19 oktober tot en met 30 november 2025.
De beleving. Natuur ervaren. Een gevoel nauwelijks te beschrijven. In poëtische volzinnen beschreven. Beter in artistieke beelden gevat. Het woord zet aan tot gedacht beeld. Het beeld geeft fantastische voorstelling. Best is het de natuur zelf. Hoewel woord en beeld geen uittreksel zijn of slechter aftreksel is, maar indruk en uitdrukking geven aan. Het is de natuur die zichzelf het best kan uitbeelden, al het andere door de mens gemaakt blijft een uittreksel en is een slap afttreksel. De ervaring van de beleving. Het gevoel bij de waarneming.
Kunst heeft een natuurlijke kant. In de natuur van de mens, de aard van het beestje, is het ingebakken. Zit het verborgen ergens diep weg in de lobi temoporales. Niet iedereen boort het aan, werkt het uit en stimuleert het. Maar iedereen heeft de gave, zonder er deel aan te nemen, ervan te genieten. Positief dan wel negatief. Het is een kwestie van smaak, het activeren van de nucleus solitarius. Bitter en zoet, zuur en hartig, mooi en lelijk.
Kunst op papier brengt de voorstelling onder handbereik. De kunstenaar kan het beeld voelen. Er zit weinig tussen de realiteit en de indruk daarvan. Tekenen is de meest basale kunstvorm. Met een verkoold takje werden al lijnen gezet. Nu is dat verfijnd in het potlood als houder van grafiet. Dat schept al afstand, want houtskool verwerkt zich als de tuinman met de handen in de modder. De kool laat sporen na bij het tekenen, en niet alleen op papier.
De beleving van kunst start bij de maker ervan. Deze vormt de waarneming om tot uitdrukking. In de ontroering kan de zichtbare werkelijkheid zich transformeren tot een abstract beeld, of herstructureren in een kunstzinnige waarheid. Dat neerzetten is de kracht van de kunstenaar, dat oppikken is het vermogen van de beschouwer. De natuur laat zich beelden, verbeelden in een landschap, een stilleven, een interieur of een portret. Zowel in het platte vlak als ruimtelijk. De natuur is niet alleen huisje, boompje, beestje. De mens heeft eveneens een natuur, ofwel is onderdeel daarvan.
Het wezen van de kunstenaar beleeft de natuur in het algemeen. Maar verschillend van al die andere normale mensen. In het brein krijgt de natuur een gewijzigde vorm, wordt het zichtbare anders beleefd. Het huisje kan aanleiding zijn voor een abstracte vorm. Het boompje heeft kracht in een expressieve kleur. Het beestje is aaibaar realistisch in weergave. Stijgt uit boven het huis-tuin-en-keuken plaatje boven de bank. Kunst is geen reproductie van de werkelijkheid, hoort dat niet te zijn. Geen afgietsel. Een uitdrukking van een indruk. De expressie van gevoel.
Deze gedachten komen bij me op zittend op de harde, weinig comfortabele, gymnastiekbank van Kunstlokaal No.8. Naar aanleiding van wat ik zie kom ik tot deze denkbeelden en inzichten. Maar ze raken kant noch wal en de wal keert het schip. Het houdt geen steek en het brengt me niet tot de kern. De deur van de ruimte zwaait open, er wacht een espresso in de huiskamer ernaast. Een koekje bij de koffie brengt me terug in de werkelijkheid. “Wat vind je ervan” is een retorische vraag. Men verwacht aan de koffietafel geen duidelijk antwoord. Dat heb ik ook niet pasklaar, want ik ben vergeten waarvoor ik hier kwam. Om te schouwen en te beschouwen, oordelen en te beoordelen, schrijven en te beschrijven.
Dus teruggekeerd op mijn schreden. Verdiepend in het aangeboden werk, dat evenals de andere inrichtingen voor deze andermaal esthetisch in orde is. Gehangen is kunst op papier, en zelfs grafiek op blad gedrukt. En daar komt mijn gedachte aan natuur terug, want dat papier is niet gekocht in de winkel maar door de kunstenaars zelf gemaakt. Zij hebben de natuur van vezels gebruikt om papier te scheppen. En werken op een drager die eigenhandig is gemaakt zet de beeltenis extra kracht bij. De aard van het vel vormt de tekening die er is opgezet. Geschept papier geeft nooit een gladde ondergrond, dus de lijnen en vlakken daarop verhouden zich daarnaar en kunnen een eigen weg gaan – gewezen door de drager.
Mark de Weijer nodigde vijf kunstenaars uit om in zijn atelier een week lang te proeven aan het maken van papier. Als een soort van project is het handmatige proces in een pilot opgestart. De resultaten worden getoond in Kunstlokaal No.8 onder de naam “Be my guest”, waarbij De Weijer de gastheer is en de vijf kunstenaars de gasten zijn. Het maken van papier is een intensieve arbeid. Maar bepaalt de maker wel tot de drager van de tekening die er naderhand op zal worden gezet. Men is dus van begin tot eind bezig met het product. De beleving is groots, de ervaring optimaal. Dat blijkt uit de ondervinding die in een publicatie is verwerkt als neerslag van het project.
De kunstenaars hebben ieder op een eigen wijze en binnen het persoonlijke idioom geëxperimenteerd. Lekker op dreef leerden ze de techniek van de gastheer of diepten hun kundigheid uit. Het handgemaakte papier heeft een eigen karakter die de aard van het kunstwerk bepalen. In de natuur van Overijssel werkend was deze omgeving een inspiratiebron. Dat blijkt uit de seriematige werken die in Jubbega hangen. In de expositie is het een genoegen dat de kunstwerken onpersoonlijk zijn. Dat enkel op een blad bij de tentoonstelling naam en toenaam staan aangegeven. Zonder dit blad erbij te pakken kan de bezoeker dus objectief de kunst bekijken.
De kunstwerken zijn met elkaar in gesprek, zoals in het kunstlokaal het gehangen of geplaatste werk in dialoog is. Het vult elkaar aan en kan zelfs overlappen. Door diverse mensen gemaakt, maar kan zo uit hetzelfde atelier komen. En dat is in dit geval letterlijk ook zo, zij het dat vooral het medium in eenzelfde omgeving is gemaakt waar ook de informatie daarop de oorsprong in dit atelier heeft. De natuur, waarmee ik dit verhaal begon, is inspiratie. Tijdens het project zitten de kunstenaars daar midden in. De omgeving die verandert bij de dag. Het landschap spreekt in en door de kunst. De beleving is dus dezelfde. De uitdrukking daarvan divers. De realiteit kent een eigen taal, ook in de abstracte werken is deze te lezen. De kijker bemerkt dat de verschillende manieren van beleving prettig in en bij elkaar passen.
Het is de sfeer van de natuur die de kunstenaars aantonen. Met en door natuurlijke materialen worden de voorstellingen op papier gezet. Het papier dat op een natuurlijke manier is gemaakt. Het zijn daarom helemaal biologisch verantwoorde producten. En ook het boek bij de tentoonstelling is gekaft in een ongerept geschepte omslag. Het is het aandeel van de gastheer in het project, die normaal gesproken niet grafisch bezig is. “Het woord omslag nam ik letterlijk: ik maakte een blinddruk van de bast van een iep in mijn tuin.” Het dekt de lading die een nieuwe kijk geeft op het werken op en met zelf geschept papier.
Het project is een idee van Mark de Weijer. De stichting Grafein kon het mooi inpassen in de grafiektriënnale Grafiek25. De gastheer en begeleider wil de pilot met Ardi Brouwer, Jurjen Ravenhorst, Monique Kwist, Inez Odijk en Jadranka Njegovan een vervolg geven in een jaarlijks kunstproject. Hij wil zijn atelier graag openstellen voor meerdere kunstenaars die de grafiek- en tekenkunst beoefenen, om zelf hun eigen dragers te maken. Om zodoende een kunstproces van begin tot eind te ervaren. Een belevenis!
Be my guest. Papierproject. Tentoonstelling Kunstlokaal no.8, Schoterlandseweg 55 in Jubbega. Tot 30 november 2025. Behorende bij uitgave met tekst van Marie Jeanne de Rooij en ervaringen van deelnemende kunstenaars. Oplage 100 exemplaren. Stichting Grafein, 2025.
Een fabel schreef Octavie Wolters en ze maakte daarbij de illustraties. Gutste uit linoleum het bos en de dieren. Als alter ego nam zij een haas. Een haas die zich afvraagt waar hij vandaan komt. Dat is een levensvraag die de mens zich weleens stelt. Wolters in elk geval wel. En door een dier als hoofdpersoon te nemen kan de retorische vraag beantwoord zijn. Want wanneer dieren de diepte ingaan, worden grote existentiële kwesties eenvoudig uit de doeken gedaan. Waar de mens blijft steken en de idee vastzet in een vicieuze cirkelgedachte, breekt het dier door de vraag heen en komt op een natuurlijk beredeneerd antwoord. Een antwoord waarvan achteraf bezien gezegd zal worden: ja natuurlijk, dat ik daar niet aan gedacht heb!
De haas in het prentenboek van Octavie Wolters is gebaseerd op Haassie. Een zachtroze pluchen knuffelhaasje op haar tweede verjaardag gekregen van tante Els. Het markeert het begin van haar leven. "Het stamt uit een tijd waarin ik nog amper mens was, mijn eigen prehistorie", verklaart Octavie zich nader. Daarom heeft het boek de titel 'Jij bent mijn begin' gekregen. Die haas, daar begon het mee. En die haas vraagt zich af waar zijn begin is, waar hij vandaan komt. Waar alles wat hij om zich heen ziet vandaan komt. "Alles wat leeft komt uit de lente", zegt moeder haas cryptisch. Want wat weet de kleine haas van de lente, in de winter. Een nieuwe vraag komt bij hem omhoog: waar ligt de lente. Zijn vader wijst hem de weg, want Haassie gaat op zoek. Hij rent mee met de draaiing van de aarde naar waar de zon opkomt. De rivier zal het hem wijzen, zo is gezegd. En overal waar hij komt vraagt hij de dieren of hij al in de lente is. De reis is lang en gaat vanuit de winter door de herfst naar de zomer om uiteindelijk in de lente aan te komen. De fabel draait de klok terug, Haassie komt bij zijn oorsprong. Hij ziet zichzelf in het spiegelende water van de terugtrekkende rivier, want natuurlijk ze zijn bij de bron. De jonge haas kijkt om en overziet het land waarvan hij komt. De rivier stroomt daar breed en diep, haar einde was pas haar begin. In de verte hoort hij zijn moeder roepen en hij rent terug naar waar hij vandaan kwam, vooruit in de tijd. En wat is de moraal van dit verhaal? 'Ik ben waar ik begonnen ben', zei Haassie. Zijn moeder knikte. 'Mijn begin, dat ben jij.'
Ach, nu vertel ik al het verhaal en verklap het slot. Wat een spoiler om de clou weg te geven! Maar daar kraait vast geen haan naar, daarmee is het hek niet van de dam. Wolters heeft namelijk het verhaal zelf al heel helder geschreven, beter dan mijn flauwe uittreksel. Ze schreef het begrijpelijk voor kinderen, geloofwaardig voor ouderen. Het is een prentenboek voor jong en oud, ontroerend. Ter lering ende vermaeck. Kinderen worden door de platen in het verhaal getrokken nog voor er een letter is (voor)gelezen. Aangenaam is het dat het boek een groot formaat heeft, zodat de meeste aandacht uitgaat van de tekeningen. Want Octavie Wolters is vooral beeldend kunstenaar, waarbij de tekst van ondergeschikt belang is. Het beeld moet de indruk geven, de woorden zijn daarvan de uitdrukking, ter illustratie.
De zwart-wit lino's die de fabel in beeld brengt tonen in eenvoud de pracht van de natuur. De natuur, de bron van inspiratie voor Octavie Wolters. Vandaar komt haar kunst, de natuur is haar begin. Het is niet alleen het decor voor haar grafische tekeningen, het vormt tevens het onderwerp. In eenvoudig opgezette illustraties laat ze in een enkele oogopslag zien wat de inhoud is. De tekeningen hebben weinig detail, maar net genoeg finesse om aan te spreken. Omdat er geen kleur is geven arceringen de hazenvacht en het verenpak aan. De tekeningen zijn daarnaast dynamisch opgezet en laten het bewegen in en van de tijd zien. Je zou het de klare lijn kunnen noemen, de stijl waarin Wolters haar verhaal uitdrukt.
De tekeningen hebben een heldere uitdrukking, waar kleur de indruk niet stoort. Deze lijken daardoor hard en somber, omdat ze wit en zwart zijn of andersom. Maar de manier waarop Wolters de dieren in hun omgeving zet is zo speels en kleurrijk, dat ik bij het doorkijken van het boek vergeet dat het kleurloos is. De linosneden staan deze beleving geenszins in de weg. En mist het kind toch het geel en het groen, het blauw en het rood, dan kan deze de platen zelf inkleuren. Dan is 'jij bent mijn begin' niet alleen een prentenboek, maar kan het ook een kleurboek zijn. De beschouwing is wel dat het een kunstboek is. Maar Wolters zal er denkelijk niets op tegen hebben dat de (kleine) lezer de platen een eigen sfeer geeft.
Aan het slot, na het verhaal, brengt Octavie Wolters haar eigen begin in beeld. Van een foto uit de oude doos is een lino gesneden. Een kind ligt in de armen van de moeder. Een Madonna. Een plaat met een diepere bodem als betekenis. Het lijkt wel een bidprentje. Ter nagedachtenis aan haar jeugd, haar begin. Het kind is Octavie, de vrouw zal haar moeder zijn maar kan ook tante Els zijn waarvan ze de knuffel kreeg die hoofdpersoon van het voorgaande verhaal werd. In de tekst onder de plaat verantwoordt de kunstenaar zich. Het nu oorloos en hologige haasje is haar gevoel van troost en vertrouwen, van liefde en warmte. Met diezelfde liefde en warmte is het verhaal geschreven.
Het prentenboek laat zich makkelijk lezen en eenvoudig bekijken. De schrijfstijl is helder, de linotechniek duidelijk. Het verhaal is zonneklaar, er zijn geen dubbele bodems of een vervormde betekenis. De vraag van Haassie is evident, of er een antwoord op komt is aan de lezer. Deze puurt eruit wat erin zit. Want het is een puur verhaal, zuiver neergezet door een naïeve haas. Het toont de basis van het bestaan, de grond van het zijn. Beeld bij woord maken de levensvraag aanschouwelijk. De fabel is geen sprookje. Het is geen verzinsel, de waarheid is fantastisch onder woorden gebracht en met beelden uitgedrukt. De boekenkast heeft meer van deze glasheldere uitgaven nodig. Het is een verrijking van taal en teken. Het staat te boek voor kind en jeugd, maar daarmee is het werk van Octavie Wolters tekort gedaan. Het is een boek voor alle leeftijden. Niet alleen leeft de jeugd van tegenwoordig in beelden, voor ouderen wordt het leven meer duidelijk door het in beeld te brengen. Wolters heeft beide technieken in een eigen stijl onder de knie. Zwart op wit.
Jij bent mijn begin. Octavie Wolters, tekst & illustraties. Alle prenten in het boek zijn linosneden. Uitgeverij Ploegsma, Amsterdam, 2025.
Jij bent mijn begin is een ontroerend verhaal voor alle leeftijden met prachtige linosnedes van de prijswinnende schrijver en illustrator O
EXPERIMENTELE CONSTRUCTIE GEEFT DICHTER EDWIN DE GROOT RIJKER PALET
Foto Geart Tigchelaar
‘alleen zijn is heerlijk / met al dat missen en weer afscheid nemen / eigenlijk wel het mooiste wat er is’ Timofei Sofer is een fictief personage, een 78-jarige bosarbeider uit Oost-Siberië. Een amateurdichter die op zijn eenzame tochten door de taiga de beleving poëtisch boekstaaft. Edwin de Groot bedacht de figuur om dit alter ego zijn woorden in de mond te leggen. Hij zou de gevonden gedichten uit het Russisch vertaald hebben om Sofer vleugels te geven. “Het gebruik van een alter ego constructie samen met de niet fictieve situering maakte, en dat is mijn motivatie, dat ik een rijker palet had om autobiografische en beschouwelijke zaken een andersoortig podium te geven en er een voor mij andere schrijfstijl op na te houden”, zegt De Groot over zijn keuze. “Een soort van experiment dus als het ware.”
De idee om zijn gedachten te situeren in de uitgestrekte wouden van Rusland ontstond na het lezen van een overdaad aan Russische literatuur. Daardoor kreeg Edwin de Groot een beeld voor ogen dat evengoed beleefd kon zijn door een autochtone Siberiër. De houthakker die medelijden heeft met de boom die hij gaat vellen. De eenvoudige bosarbeider die meervoudige filosofieën in zijn dagboek pent. ‘in mijn mond woont het geluk / van de smaak van hier / van hars en hout op de tong’. Uit de denkbeeldige observaties heeft hij een feitelijk relaas in expressieve en suggestieve dichtregels geschreven. Het had waar kunnen zijn, want de oorsprong is echt.
Het is een behendig klein boek in zakformaat. Om zo in de kontzak van de broek op voettocht of in de binnenzak van de jas op wandeling mee te nemen. Om eens aan te pakken en na te slaan gaandeweg onderweg, rustend op een bank of liggend in het gras. Uitkijkend over laagland, heide, door bossen, open plekken, lange lanen. Zodat ik voor het moment van lezen me waan op de plaats die beschreven is. De taiga. De uitgestrekte bossen, de koude naaldwouden. Glooiend over de vlakte langs het water tot in de heuvels.
Was hij er ooit, daar, de tekstdichter, de poëet. Of heeft hij zich zo kunnen inleven bij het lezen van plaatselijke literatuur dat hij zich daar fysiek denkend dacht aanwezig te zijn. Zich verplaatsend in de geest van een alter ego, een fictief figuur waaromheen in eerste instantie de mystiek van zijn en niet-zijn hangt. De gedachte overgenomen, de ziel bewoond. De ogen geopend en zien wat er te kijken valt. Voor de dichter, zowel als voor elke andere kunstenaar - schrijvend, beeldend, musicerend - bestaan er geen grenzen. Is 1000 kilometer als een enkele voetstap verder.
De gedachte laat zich niet begrenzen, vliegt eenvoudig van oost naar west, van zuid naar noord. Je hoeft op een bepaalde plek niet geweest te zijn om je er aanwezig te voelen. Dat is de kracht van inleving, verbeelding. Wanneer je maar de gave bezit om verder te denken dan hier en nu, dan lengte en breedte en eenvoudig de diepte in kunt. De fantasie, het geestesoog, heeft meer abstracte reikwijdte dan de realistische gedachte. Door de tekst van Edwin de Groot kan ik zodoende zijn in het bos tussen de bomen, op mezelf aangewezen met de Taigagedichten als reisgids door plaats en tijd. Voor het moment ben ik zijn alter ego en kleed me warm in gedachten. Ik ben de houthakker die de seizoenen opmerkt, de verandering in de natuur, de opwarming van de aarde.
De verzen van Edwin de Groot lezen als de wind die ruist tussen de bomen op de taiga. Maar feitelijk heeft de wind geen geluid. De takken die door luchtverplaatsing bewegen geven de wind een stem. De wind leeft zich in de bomen in, zoals ik meevoel met de woorden van de dichter. De wind is voor een vlaag de boom. Ben ik door het lezen dichters alter ego in het wel erg vrije vers. Lichtvoetig en zwaarmoedig. Schijnend als de ondergaande zon, mysterieus. Maar hij, Edwin?, is geen filosoof. "ik ben geen filosoof / ik hak hout / stroop af en toe een sneeuwhaas / schiet een hert voor de winter"
De bosarbeider heeft diepe gedachten, mijmert voor zich uit in de idee van Edwin de Groot. Leeft met de seizoenen. Is een natuurmens. Ieder jaargetijde kent de eigen werkzaamheden en gedachten. Hoewel de bomen hem gezelschap houden is de houthakker veel alleen. "je kunt over niet te meten land / het aan-één-stuk-door-en-door / de ruimte, de mateloze vergezichten / gedichten schrijven van tientallen pagina's lang / met hoofdrollen voor de grond, de bomen / de vogels die moeiteloos kilometers maken".
Geven de taigagedichten ruimte om te ademen. Te beschouwen tussen de regels door. De tsjevengoer beneemt mij de adem. Gehaast slinger ik mij door de tekst die nauwelijks leestekens kent en prachtige volzinnen vormt. De ultrakorte poëtische essays sluiten de verzameling gedichten af. Het spreekt over personages, figuren met een verhaal. Dit heeft het meesterwerk van Andrej Platonov als inspiratie. Deze speelt zich af in de jaren voor, tijdens en vlak na de Russische Revolutie. In tijden van chaotisch oorlogsgeweld, ideologische verwarring en snakkende heilsverwachting. Platonovs doelloos dolende personages zijn gegrepen door geloof in de communistische heilstaat. Maar tegelijk door totale vertwijfeling, vanwege hun bodemloze ellende, en omdat het communisme hen voor ondoorgrondelijke raadselen stelt. In de woorden van De Groot herken ik Platonovs ontwortelde wezens die dolen tot in de dood. Het is een bizarre afsluiting van een met beleving doorregen gedichtenbundel. Dat begon met een ode aan Miklós Radnóti. Hongaars dichter en slachtoffer van de holocaust. Is hij het alter ego onder een andere naam?
‘poëzie mag ook lelijk zijn / laat het maar grijnzen als botten in een kuil / borrelen als een verzopen wolf kronkelvol paling / dat de regels na het lezen de volgende dag nog / in je kleren hangen als matrozenkots / poëzie moet als een steenmarter hardnekkig / je huis bezetten zoals de lucht van een natte hond / of als een wilde kat in je gordijnen’ Door de mond van B. op visite bij S. weet de dichter zijn eigen werk in dit boek niet beter te omschrijven. Ik had met deze dichtregels mijn bespreking kunnen staken. Het is kernachtig beschreven en heeft het gras voor mijn voeten weggemaaid, als het ware.
Edwin de Groot leeft zich in en spreekt zich uit. Ik laat bij het lezen mijn vinger onder de regels meebewegen om geen woord te missen. De ogen sluitend na een gedicht gelezen te hebben, als contemplatie zuchtend in de beschouwende stilte van het vespergebed. De buitenwereld verbannen naar zichzelf, van binnen ben ik de ongekroonde koning van de gedachte. De gedachten zijn vrij en onafhankelijk, laten zich niet dwingen hoewel de dichter voor een moment mijn gedachte overneemt, voor de tijd dat ik het boek opendoe en zijn verzen lees. Ik denk in zijn wezen. Dan. Ik ben in zijn beleving.
Taigagedichten. Edwin de Groot. Uitgeverij Opwenteling, 2025.
Taigagedichten is geschreven door de ogen van het alter ego Timorei Sofer, een Joodse bosarbeider uit Oost-Siberië. Deze aanpak, ontstaan do
“Met beide benen staat hij in een wereld die volop in beweging is, terwijl zijn hart helemaal bewogen wordt door de spiritualiteit van de Regel van Benedictus”, schrijft Hugo Vanheeswijck. De filoloog en antropoloog stelt uit verschillende gesprekken met de trappist Bernardus Peeters het boek ‘Wijsheid van een abt’ samen. “Het steeds zoeken naar het juiste evenwicht is typisch voor deze regel.” In het boek vindt de abt de juiste balans tussen gebed en werk, economie en natuur, uitwendigheid en inwendigheid, actie en contemplatie, persoonlijk levensgeluk en het samenleven in gemeenschap. Althans hij doet een poging daartoe, om God te zoeken en goed te leven. Het is zijn roeping om God te betrekken in het concrete leven van elke dag. Die taak heeft iedereen, ook de mens die God niet erkent – deze betrekt de liefde in het leven en is zich onbewust gewaar dat God liefde is.
Wijsheid komt met de jaren. Maar het intellect en verstand heeft Pascal Peeters al vroeg. Kennis en inzicht krijgt hij later door van het leven te leren. Het boek ‘Wijsheid van een abt’ gaat over hem. Pascal wordt Bernardus wanneer hij kiest voor een bestaan als kloosterling. In de tekst van het boek is het alsof Pascal Peeters langzaam groeit in zijn rol van broeder Bernardus, dat gaandeweg de kovel gaat passen. Het boek is geen biografie, maar Vanheeswijck volgt wel de levenslijn van zijn gesprekspartner om zijn keuze te duiden. Hoe is hij geworden wat hij is. Welke weg is hij daarvoor gegaan. Waarom doet hij wat hij doet. Want wat voor nut heeft het leven binnen kloostermuren. Het heeft wel degelijk zin volgens Peeters, over het wat en hoe daarover gaat het boek. Daaruit kan de lezer lering trekken.
Wanneer ik een boek lees, beschouw zoals ik dat noem - dus niet recreatief maar creatief lezen om van daaruit zelf een tekst te schrijven, streep ik de alinea's van belang aan en onderstreep ik zinnen met een rode pen. Zo wordt een boek bekrast en maak ik de tekst eigen, tot en van mijzelf. ‘De wijsheid van een abt’ kleurt in scherpe tegenstelling tot andere door mij gelezen boeken welhaast helemaal rood, vrijwel iedere pagina heef één of meerdere aandachtspunten omdat het zoveel wijsheid bevat - meer dan een ‘normaal’ mens kan bevatten. Wanneer ik al die onderstrepingen zou verwerken in mijn bespreking zal ik het boek herschrijven. Dus het is wikken en wegen, bezinnen op zinnen. Kill your darlings, schrijven is schrappen.
Wat heeft Bernardus in al zijn wijsheid de wereld te vertellen. Heeft hij alleen een boodschap voor gelovigen. Hij heeft een verhaal voor iedereen, want de abt predikt in de geest van Jezus liefde. Liefde is de redding, het is een goddelijke deugd: geloof, hoop en liefde, deze drie maar de grootste daarvan is de liefde schreef Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs. Geloof staat voor vertrouwen, hoop voor de verwachting van een nieuwe toekomst en liefde voor het verdragen en volharden in alle omstandigheden. Zeker een goede boodschap in onze geseculariseerde wereld. Men kan vraagtekens zetten bij het geloof, hoewel velen na het sterven van een bijzonder mens ervan overtuigd is dat deze goed terecht komt, dat de hemel oprecht gelukkig kan zijn met deze arme ziel. Velen geloven niet in het nu, maar hopen op een leven na de dood. Wat blijft is liefde waarop de wereld in vrede kan leven.
De vele schermutselingen verharden de mensen, maken ze asociaal en egoïstisch. Kan de eigen haan geen koning kraaien dan zijn de rapen gaar. Maar Bernardus predikt liefde. Is liefde de basis van het bestaan, heeft de een de ander lief als zichzelf, dan grijpt men niet naar de wapens en laat vreemdelingen in eigen land toe. Geeft de een de ander een menswaardig bestaan, want liefde brengt alles samen. Wat dat betreft is deze goddelijke deugd zo gek nog niet. Bernardus draagt deze met respect voor de ander uit, en met de blik op God gericht stelt hij zijn hart open. De wijsheid waarmee hij dit kan uitdragen heeft hij van hogerhand ontvangen. Het is zijn gave, zijn talent steekt hij niet onder stoelen of banken.
Net als Bernardus neem ik de tekst door zoals de abt leeft - lectio, oratio, meditatio, contemplatio - aandachtig lezen en kijken, zien wat me raakt. Met volle aandacht sta ik figuurlijk stil, mijn vinger haakt aan een zin of een alinea, en verblijf ik een moment bij het beeld dat mij voor ogen komt. De wijsheid van deze abt maant tot bezinning, zijn inzicht kan mijn leven zin geven. Hij stelt dat de basis van ons mens-zijn daarin bestaat dat we geboren zijn om lief te hebben, omdat een liefhebbende God ons zo geschapen heeft. En niet enkel wie naar zijn wet en gebod het leven inricht: God heeft ieder mens geschapen naar zijn evenbeeld en er de liefde als levensgeest in geblazen. Wat wij met dat talent doen is aan ons, maar het is vanaf de moederschoot in ieder van ons aanwezig. Geboren om lief te hebben betekent volgens Bernardus niet dat dit al een volmaakte liefde is. “Is het je ooit opgevallen dat baby’s worden geboren met gebalde vuisten?” De in eerste begin op zichzelf gerichte liefde wordt wederkerig, gericht op God en op de naaste.
Het boek doet een boekje open over het leven in een gemeenschap. Het samen leven voor dat enkele doel. “Trappisten zijn echte gemeenschapsdieren. Dat behoort tot ons DNA.” Dat is niet altijd even makkelijk zegt hij, want monniken zijn ook mensen met nukken en grollen. Ze leven dag en nacht samen en moeten het jaar in, jaar uit met elkaar stellen, zonder ontsnappingsroute bij moeilijkheden en spanningen. Ze wonen met elkaar binnen de poorten van het klooster, maar dat betekent niet dat ze zijn afgesloten van de wereld daarbuiten. De monniken zijn net als al die andere christenen in de wereld, maar niet van de wereld; de wereld mag hen niet in haar greep hebben. “Beschouwend leven is zoeken naar vrede, niet in een abstract buitensluiten van alle uiterlijke werkelijkheid, niet in een onvruchtbare afwijzing door de zintuigen af te sluiten voor de wereld, maar in de openheid van de liefde.”
De liefde is voortdurend het element wat tussen de regels door in de wijsheid van de abt schemert. Het is een levensregel te noemen, maar ook een motor waar de goede wereld op draait. Die liefde kan worden beleefd in de stilte vooral. In de stilte waarop de mens beschouwend zichzelf spiegelt in de naaste of in God. Geen lust die een last kan zijn, maar zuivere liefde die het leven en de wereld draagt. De liefde voor de naaste met de hoop op een betere wereld en het geloof in het goede van de mens. Het is zijn roeping om deze genegenheid tot nut te maken, deze bezieling is zijn passie. Het maakt zijn leven als monnik verre van ijdel en verloren, maar geeft het juist zin.
Om de mens Bernardus Peeters te leren kennen, de gemeenschap waarin hij leeft te doorgronden en waarderen, is het boek van Hugo Vanheeswijck een must om te lezen. De wijsheid van de abt geeft raad hoe te leven in onze radeloze wereld. Jawel, als christen of religieus persoon. Maar ook ongelovige mensen kunnen leren van handel en wandel van deze algemene overste van de trappisten en trappistinnen wereldwijd. Zijn levenslessen reiken verder dan de oppervlakte, gaan met de lezer de diepte in. Je zou de tekst kunnen lezen als een preek, een leerrede, van een abt die het boek Prediker neemt als het decor van zijn denken. “Het gaat om het leven in het juiste perspectief zien”, vindt de abt-generaal. “Ik ervaar het leven als meer dan de moeite waard. Ik ben dankbaar omdat ik in deze tijd mag leven. (…) God heeft me deze tijd gegeven en geen andere. Kennelijk meende Hij dat deze tijd mij goed zou doen. Anders had Hij mij in Zijn goedheid wel in een andere tijd geboren laten worden. Ik ben dankbaar omdat ik God mag zoeken en mag leven!” Dat is de kern van alle dingen: zoek God en leef!
Wijsheid van een abt: Bernardus Peeters. Auteur Hugo Vanheeswijck. Uitgave Otheo Books, 2025.
Otheo Books legt zich toe op het religieuze boek. Lees onze nieuwsberichten en bekijk de artikelen in de Otheo Books catalogus.
WIJ ZIJN NIET MEER DAN WAT WIJ WETEN VAN HET LEVEN
In het graafschap Pembrokeshire aan de westkust van Wales wist men in 1866 al dat gezond leven de mens doet bloeien en groeien. En daar poëzie dieper indaalt dan proza rijmde men met die wetenschap “eat an apple on going to bed, and you’ll keep the doctor from earning his bread”. Twintig jaar later zijn deze gevleugelde woorden door Amerikanen verbasterd tot het nu nog bekend in de oren klinkende “an apple a day keeps the doctor away”. Een pront eindrijm blijft hangen. Bij het lezen van de tweede bundel filosofische fabels van Jan Bouwstra maak ik van dat treffende gezegde dan losvast “a fable a day keeps the blues away”, of in goed Nederlands “een fabel per dag en je leeft met een lach”. Want dat is het recept in deze toch wel meer dan enigszins merkwaardige tijd, waarbij het water ons tot de lippen staat en wij naar adem happen. Meer dan een enkeling zal daarbij staan te juichen aan de zijlijn, en deze figuren raad ik daarom ten stelligste aan de bundel ongeopend op de plank te laten liggen. Maar al de anderen, die in zak en as zitten om het gebeuren overzee en dichterbij in de grachtengordel, kunnen even uit de duistere malaise raken met Bouwstra’s fabels.
Het is voor mij in elk geval een welkom voorschrift, een gewenst precept. Had ik deze beleving al zo met de eerste bundel “De brilslang, de boktor en de andere dieren”, deze tweede bundel doet daar een schep bovenop: “De krekel, het bos en de wereld”. Omdat ik zo in de put scheen te zitten las ik zelfs meerdere fabels per dag om op de been te blijven. En ieder kort verhaal tovert een glimlach rond mijn mond. Ik zie de zon weer achter de wolken in het water schijnen. De fabels zijn een zonnetje in huis, een kwinkslag bij iedere donderslag. De vrolijke noot in een treurige compositie. Ik zou wensen dat zekere personen onder ons het eens zullen lezen om tot andere inzichten te komen, hoewel ik ze hierboven verzocht de bundel in de kast te laten. Dus mezelf tegensprekend zou ik willen dat ze in deze fantasie losjes rond de lippen worden en niet zo’n stijf gezicht opzetten.
Verkneukelde ik me vroeger al bij de uil, de vos en de bevers van De Fabeltjeskrant. Een tv-programma voor kinderen dat zeker ook volwassenen aansprak. De levensvragen werden toen al door de vilten dieren laagdrempelig gemaakt, zodat de jonge kijkers antwoorden kregen op vragen waar volwassenen niet over durfden denken. In de fabels van Jan Bouwstra zijn die lastige kwesties tot eenvoudige vraagstukken gemaakt. Niet dat de schrijver oplossingen biedt, maar hij legt de dieren conclusies en uitwegen in de mond. Zij dienen als spreekbuis voor zijn kijk op de wereld. Anderszins zou hij veel kritiek op zijn bord krijgen, nu echter is hij de schaduw van de uil en kan zich verschuilen achter de bomen. De dieren bekijken hun leefomgeving op de open plek in het bos en langs de oever van de vijver met de blik van het kind – een naïef inzicht zogezegd. Maar de krekel, de mier en de neushoorn worden niet als kinderen, maar blijven dieren waarvoor het bos de wereld is.
De dieren lijken net mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken, echter behouden het natuurlijke instinct. Daarom kan het zijn dat een gesprekspartner van het ene op het andere moment wordt opgegeten, omdat deze lekker oogt en het de honger stilt. In het bos lopen onnozelaars rond die enkel de eigen lusten najagen. Maar er zijn ook mijmeraars die de loop der dingen proberen te duiden. En er zijn dromers om het moment te beschouwen. Deze diverse bewoners dienen allemaal een doel, namelijk het verklaren van het leven. Wie kunnen beter het zijn relativeren dan de dieren. Of wie kunnen beter als metafoor van de mens worden ingezet dan de pad, de mol en de struisvogel. Jan Bouwstra voert een hele Artis aan dieren op, van kleine kleverige slakjes tot langnek giraf en van het stekelbaarsje tot de olifant.
De schrijver, dichter en biochemicus is een meester in het beschrijven van sferen. Vrijwel iedere fabel zet in de eerste regel een duidelijke stemming neer. “Het was herfst en de hemel bracht wit licht naar het bos, zonder de glimlach die de zomer er meestal bij schonk.” Oplettend lezend wordt in de bundel het najaar besproken, maar het beoordeelde leven brengt het zonlicht in de sombere dagen. “Aan de hemel dreven wolken over, als sluiers van traagheid die het zonlicht dempten.” Maar ook tuurt de brilslang naar de einder, terwijl de krekel behoefte heeft aan een praatje: “Het gekleurde licht van de ondergaande zon verspreidde zich over de afzonderlijke wolken, die als flarden van het oneindige voor de hemel langsdreven.” Want juist in de schemer, van de dag en van het jaar – van het zijn, verdienen levensvragen antwoorden, krijgt de zinzoektocht een doel.
De schepsels van Bouwstra relativeren de moeilijkheden zoals alleen dieren dat kunnen doen. De mens ziet apen en beren op de weg en gaat ze het liefst uit de weg. Het dier maakt ook wel van iedere mug een olifant, maar luwt snel de storm in het glas water. De fabel toont in spiegelbeeld de mens. Juist door een dergelijke vertelling kijkt de mens op zijn neus, worden de zwakheden en de imperfectie sarcastisch duidelijk. Waar de filosofie als denkwijze moeilijk verteerbaar kan zijn, omdat de visie lijkt te zweven tussen verstand en gevoel, krijgt deze door de humoristisch getinte fabel een lage drempel.
Jan Bouwstra neemt mij aan de hand mee het bos in, de open plek op om me naast de vijver in het gras te vleien en te luisteren naar zijn verhalen. Soms glimlach ik om de in mijn ogen stommiteiten of lach ik om onbedoelde woordgrappen. De uil kijkt me dan vanaf zijn tak gezeten streng aan en heft zijn vleugel tot bezwerende vinger. Het bestaan wordt doorgenomen en dat is niet om te lachen, zo gebaart de vogel. Wel is de reflectie van het menszijn, de spiegel die ons door de fabel wordt voorgehouden, in hoge mate een karikatuur, een schets waarin ik ons bij de neus voel genomen. In de korte verhalen horen wij een echo van onszelf. Het dier staat niet enkel symbool voor de mens, het dier in deze vertellingen is de mens.
De dieren zijn gepokt en gemazelde filosofen. Met een hoogbegaafd hoofd als van de giraffe, evenwel met laagbegaafde benen, proberen zij de eeuwigheid in woorden te verpakken. Ontdekken ze dat een ziel dat is wat voor jou denkt en voelt en wil. Is het werken een ziekte van het denken. Komt verholen de populistische politiek voorbij en wordt God eens ingeschakeld, want niets menselijks is het dier vreemd. “Wij zijn niet meer dan wat wij weten van het leven”, verdwaalt de brilslang tussen uitspraken, veronderstellingen en aannames, “en het leven is niet meer dan wat het weet van ons.” “Zijnden in het zijnde zijn wij”, vult de uil een leegte met gedachten op daar praten twijfel zou zaaien. De dieren filosoferen over het zijn en denken na over het niet-zijn. Wie zijn wij, vragen ze zich af, waarom zijn wij. Zo sjokken ze rond in hun hoofd. Buurten in de hoofden van anderen om gedachten van anderen te ontmoeten en die met hen mee te nemen. Gedachten die zich mengen om van betekenis te zijn. Voor iemand die er oog voor heeft.
En ik lees nog eens een fabel om de dag aan te kunnen. De lichtvoetige schrijfstijl van Jan Bouwstra verlicht mijn levensstijl. Als geleerd esculaap schrijft hij mij het recept voor om het leven aan te kunnen. Als gediplomeerd kwakzalver mengt hij fantasie met filosofie tot fabel, waarbij de fantasie een hoog gehalte van waarheidsvinding heeft. Hij is de chirurgijn die mijn gedachten fileert en mijn hoogmoed scalpeert. Met zijn humor haalt hij de mens van de ivoren toren en plaatst deze tussen de dieren die hun spiegelbeeld in het water van de vijver begroeten.
De krekel, het bos en de wereld. Jan Bouwstra. Filosofische fabels. Illustraties Angela van der Meulen. Uitgeverij Noordboek, 2025.
‘Waarom ik niets doe?’ zei de smaragdhagedis tegen de krekel, ‘nou, ik heb ontdekt dat werken een ziekte is van het denken …’ In dit boek st
OPWENTELING PRESENTEERDE TWEE NIEUWE DICHTBUNDELS : FRISSE FRIESE WIND
Poëzie zal niet voorgelezen worden, gedichten moeten gelezen zijn. Bij het voorlezen gaan woorden verloren, gedachten krijgen geen ruimte. Lees je een gedicht jezelf bij voorkeur hardop voor dan zijn regels te beschouwen, momenten te overdenken. Als Maria kan ik deze in mijn hart bewaren, ze ter harte nemen en de betekenis overwegen wanneer ik ze met mij meedraag. Want dan groeit de waarde op vruchtbare bodem. Misschien nog wel het sonnet, de ballade of de elegie. Maar het vrije vers en de visuele poëzie laten zich minder eenvoudig uitspreken. Zelf lezen geeft de idee plek.
Op gelegenheden dat dichters samenkomen en zichzelf met hun werk aan toehoorders presenteren, verdwijnt het mysterie van de poëzie. Wordt een gedicht voorgelezen, dan gaat er fysiek altijd wel iets mis. Is de stem te zacht of werkt de microfoon niet, of staat de spreker te dicht bij de microfoon en exploderen bepaalde letters: k, p, t. Ook daalt een gedicht pas in wanneer je het langzaam leest, de zinnen voor je uit bedenkt en nog eens terug haalt en leest. Wordt het voorgedragen dan is de intonatie ongelijk aan mijn voorstelling hoe het zou klinken, de snelheid mis ik en de kracht is voor mij gebroken. Poëzie laat zich niet voorlezen, het nodigt uit gelezen te worden.
Dat dacht ik toen de dichters Peter van Lier en Edwin de Groot hun nieuwe bundels presenteerden in de voormalige zuivelfabriek van Marrum. De uitgever stelde het hoge noorden zondag 26 oktober Opwenteling voor. Hij, dat is Arnoud Rigter, blies met anderen in het millennium de in de roerige jaren 60 van de vorige eeuw opgerichte uitgeverij van dwarse poëzie nieuw leven in. Vooral dat werk van die dichters welke niet in de pas lopen vinden er onderdak: gedichten met smoel. Experimenten met op een andere tegendraadse manier van presenteren wordt omarmd, combinaties van beeld en tekst. Opwenteling is een fonds met een eigen (poëtisch) karakter dat de regionale aard overstijgt. Een uitgeverij die niet alleen debutanten uitgeeft, maar staat voor poëzie van bijzondere, experimentele kwaliteit. Rigter sprak over het woeste poëzielandschap van dit moment, een terrein dat teveel gecultiveerd is omgespit en waar nauwelijks nog talent uit wordt opgediept. Hoe wonderlijk dan ook dat plots twee in Friesland wonende dichters hun kop boven het maaiveld uitstaken en afzondetlijk van elkaat dit voorjaar een manuscript instuurden. De gedichten die op het bureau van Rigter terecht kwamen sloten aan bij wat Opwenteling wil zijn. Verhalend en experimenteel, twee uitersten die ter linker en ter rechter zijde, oost en west, het complete veld van woordspelingen bestrijken.
Gezien door de ogen van Edwin's alterego Timofei Sofer, de blik van een Joodse bosarbeider uit Oost-Siberië. "ALMACHT / de taiga met zijn gaoende muil / de zure honger van de veenmoerassen / / de geur van hars zo dik / als een zwaarlijvige trapezeartiest / / en de sapstroom die de lente kan lezen, hoe / de dieren de winters uitzingen / / de overtuiging van de rivier die ik, als ik het kon / een plekje bij het raam zou geven"
En een persoonlijke kijk op de wereld hopend dat de herinnering niet dementerend vervaagd, Peter van Lier heeft de leeftijd dat zijn hoofd hem in de steek kan laten. Wie zijn bundel doorbladert zal zeker weten dat de dichter moeite heeft dit werk voor te dragen. De typografie heeft zin in druk, niet in klank. Maar met enige houvast kan ik hier citeren: "Een hoog perspectief ziet alles wat beneden het hoofd / / plaatsvindt als grazend vee? We leven in een wereld van / instincten en voorbijgaand verkeer, elke richting levert hoofd- / zakelijk twisten op en riekt uiteindelijk (volg het nieuws maar / na tienen) naar digestie. Welk conflict wordt hier per hoofd / van de bevolking (ook dat van jou!) uitgevochten? Het lichaam / kromt zich (een bemoedigend teken) om laag-bij-de-gronds het hoofd / van heel de sleetse rataplan te ontdoen? Luister goed."
De dichters lezen enkele voorbeelden uit de vers van de drukker verschenen bundels. Gastdichter Annet Zaagsma leest bijna onhoorbaar gedachte woorden voor die de terminologie van het woordenboek hebben. Ik zal ze met een lampje moeten zoeken in de dikke Van Dale, maar niet kunnen vinden. Deze staan naast anderen in de laatst uitgekomen bundel van Zaagsma. “tepelnijd / zelfst, naamw. (m.) uitspraak: [‘tepǝlnɛit] / / tepelnijd (ingetrokken) komt in de beste dromen voor. / het gepigmenteerde & knopvormige uitsteeksel dient te allen tijde / voor het blote oog onzichtbaar te zijn in het zichtbare spectrum. / een superkracht wordt verondersteld. speelt een belangrijke rol / in de pauze van door mannen gedomineerde sporten. / het internet staat vol met slechte recensies. / / nit te verwarren met: tafeleend” En daar heb je het al, in het gesproken woord komt de kracht van wat poëzie kan zijn nauwelijks tot niet over. Een enkele kwinkslag in de al te serieus bedoelde verzen verdwijnen in de fluistering die door de haperende microfoon maar niet worden versterkt.
Een op en top Friese dichter, door Edwin de Groot in het programma geschoven - omdat hij het met hem erover had tijdens fietstochten en hem daarom op dit voetstuk plaatste en hem daarbij het eerste exemplaar van zijn bundel overhandigde - declameerde zijn uitgesproken sterk getaalde werk. De Friese taal die meer krachttermen kent dan welk dialect dan ook geeft het gesproken woord ballen. Het gespierde woord spreekt zelfs de slechte verstaander aan. Lubbert Jan de Vries las niet voor maar sprak uit, met bladgedicht als geheugensteun. Door zijn hele ziel en zaligheid achter het rebelse gedicht te zetten bleven de zinnen langer hangen. De gebalde vuist van de Friese taal kan beluisterd worden zonder gelezen te zijn.
Het was een talige samenkomst die werd opgeluisterd door de gitaarklanken van Jetze de Vries, want muziek kan wel worden voorgespeeld. Je behoeft niet zelf te kunnen spelen, de kunst is te (be)luisteren. Het kan behang zijn, terwijl tekst aandacht verdient. De muzikale intermezzo's dienden als de witte regels in een gedicht. Even op adem komen. Overdenken wat is gezegd en voorbereiden op wat komen gaat. De stilte in een vesper. Momenten van bezinning. Maar de klanken waren verre van contemplatief, ze vertaalden als het ware de woorden die voor en na werden en zouden worden gesproken.
De eerste exemplaren van zijn bundel gaf Peter van Lier aan twee oudgedienden in het dichtersveld waaraan hij veel heeft gehad in de 20 jaar dat hij in het Friese land doorbrengt. De van oorsprong Brabander streek in 2004 hier neer, net achter de Waddendijk, om er samen met zijn relatie Machteld van Buren het Friese kunstlandschap te verrijken. Martin Reints sprak zijn waardering uit en las vervolgens voor uit eigen werk. Eeltsje Hettinga besprak het werk van Van Lier en bracht het mysterie van de poëzie voor het voetlicht. Hij las niet voor maar interpreteerde a la prima vista de woorden uit de bundel. Vooral het eerste gedicht had zijn bijzondere aandacht, dat hij vakkundig overbracht op de luisteraars die het luisteren na een programma vol woorden wel moe waren. Waar aandacht verslapt zou de voordrachtskunstenaar de teugels moeten laten vieren, een stap terug en er het zwijgen toe doen.
Het was achteraf gezien echter een prettige middag daar in Marrum. De poëzie had de aandacht en velen wisten na afloop de gang naar de tafel van Opwenteling te vinden, om er een al dan niet gesigneerd exemplaar van de vers van de pers gekomen bundels aan te schaffen. Ik zal mij op een later moment buigen over de inhoud van de mij toegeschoven recensie-exemplaren van de bundels, om een steekhoudende beschouwing op mijn blog te plaatsen. Nog even een hapje en een sapje tegen kostprijs genomen, een praatje gemaakt en overleg gepleegd. Niet alleen oor en mond kwamen ruim aan bod, ook het oog werd gelaafd. Drie immens uitvergrote waterfoto's van Dolph Kessler overspoelden de ruimte. Wave. Hoog opspattende golven van een zee ver van de Friese meren trokken de aandacht wanneer de concentratie op het gesproken woord enigszins werd beneveld. Achter het geïmproviseerde podium hing aan de gescheurde muur het drieluik "What does your soul look like" van Machteld van Buren. Kunst ontstaan in deze ruimte voor deze ruimte, even voor nu.
Presentatie dichtbundels van Edwin de Groot en Peter van Lier in de voormalige zuivelfabriek te Marrum. De dato zondag 26 oktober 2025.
handwarme poëzie-uitgeverij
De Kreeftafslag
In deze serie brengen bekende dichters hun a-typische werk uit.
De eerste publica
Het is als een Wunderkammer dat boek van Gerrit Terpstra, waarin hij een lans breekt voor het ding in de kunst. Niet alleen steekt hij zijn gedachten in gevonden voorwerpen, maar zet hij zijn ideeën over de dingen ook in taal om – gevonden woorden. Zijn materiaal om de inspiratie te vertalen is beeld en woord. Schilderijen, tekeningen, objecten, installaties, teksten en verhalen. In de uitgave "Fan dingen ensa" geeft hij het kennelijk waardeloze ding een plaats in de kunst, zijn kunst. Niet enkel als getekend beeld of in assemblage, tevens als geschreven uitdrukking. Maar ook Gerrits gedachten zijn een Wunderkammer, een kunst- en rariteitenkabinet. In zijn hoofd probeert hij de chaos te ordenen, het resultaat is zijn levenswerk, zijn oeuvre in de kunst. Om mij over te verwonderen.
Jan de Waard leidt het boek in en duidt dat het Gerrit Terpstra gaat om gewone en alledaagse dingen, onaanzienlijke voorwerpen die na gebruik meestal in het niet verdwijnen. Alles begint bij de dingen. Zonder dingen gaat het niet. De dingen waar het Terpstra om gaat dragen een verleden, hebben de tijd in zich. De tijd die maakt en vergaat. En juist dat vindt de kunstenaar er zo interessant aan. Dat element van tijd wil hij vastleggen in zijn objecten, niet laten vergaan in zijn taal en teken. “Beeld transformeert in taal en taal transformeert weer verder naar beeld”, schrijft De Waard. “Hiermee ontwikkelt zijn werk steeds verder, en tegelijk is deze reeks van vertalingen het onderwerp van zijn werk.” Dat werk kent de constanten verschijnen, verdwijnen en opnieuw verschijnen als punten op een cirkel. In het middelpunt daarvan werkt Terpstra, waarbij constructie, deconstructie en reconstructie de stralen zijn. Zijn oeuvre is de dwarsdoorsnede, het diagonaal van de dingen.
Pagina uit 'Fan dingen ensa'
Een gesprek met de kunstenaar belicht zijn relatie met de tijd. Je leest hem kennen, maar meer nog kijk je hem in zijn werk. Daarin groeit zijn wezen, het zijn. Mijn bewustzijn heeft daaraan moeten wennen. Want schreef ik in 1991, staande in de toenmalige Heerenveense Kunstruimte en nog niet zo gepokt en gemazeld in kijken en beleven, onder de kop ‘Het verhaal van Gerrit Terpstra heeft open einde’: “Deze ‘tiidskippenromte’ lijkt een uitstalling van vondsten. Het grijpt terug op een rijk verleden. Een geschiedenis waarin de mens evenzeer is geïnteresseerd als in de toekomst. Een verzameling gedachtegangen door Gerrit Terpstra in beeld gebracht, als een profeet met weldoortimmerde voorspellingen. Een beschrijven van het geschiede. De bouwwerken op de geroeste plateaus hebben de vorm van schepen. De stander, waarmee ze een geheel vormen, houdt de vaartuigen uit het water. Niet zozeer als letterlijke middelen om zich over water te verplaatsen, maar meer om het verhaal in de tijd ruimte en plaats te geven. Ieder scheepje is geladen met een vergankelijke vracht. In de ruimtelijke compositie zijn symbolen verwerkt van menselijke en stoffelijke zaken. Elementen die worden geofferd op een altaar van lood, glas, hout of papier. (…) Deze inspiratie dwingt de ‘romte’ op aan de toeschouwer die in devotie de knieën buigt en in spiegeling de geschilderde evenbeelden ontdekt.”
Nu herbeleef ik die gedachte weer. De dingen van gisteren zijn de Dingen van vandaag. Met eenzelfde inhoud, maar in een andere vorm. Terpstra is gegroeid in zijn verhaal en weet het steeds beter onder beelden te brengen. Het boeit Terpstra terug te grijpen op werk dat eerder gemaakt is en daar opnieuw betekenis aan te geven. Om de tijd te herbeleven, het verleden in een andere vorm terug te halen naar het heden.
Uit een opstel, geschreven in het kader van de tweedegraadsstudie tekenen-handvaardigheid voor het vak kunstgeschiedenis, is het deel ‘het ding’ in het boek opgenomen. Daarin weidt Terpstra onder de noemers beleven en herbeleven uitvoerig uit over hoe het ding op zich als voorwerp in de loop der jaren een volwaardige plaats wist te verwerven in de kunst. Door toedoen van diverse kunstenaars werd het ding ingebracht en veranderde de zienswijze op en van kunst. Na het ding als individu te omschrijven, een gebruiksvoorwerp dat toepassing krijgt in een museum, stelt hij het in relatie tot natuur en cultuur. In een persoonlijke beschouwing benadert Terpstra het onderwerp op een filosofische manier, gaat in op de geschiedenis en de veranderende kijk op het onvoorstelbaar gewone. Door toedoen van diepe denkers en verdiepte kunstenaars heeft het ding waarde gekregen, heeft het beeld een functie. Is het ding tijd geworden. Nadat alle ins en outs zijn besproken brengt Terpstra het ding in zijn beeldend werk in, geeft het zin. Het opstel geeft een inkijk in zijn zienswijze, zijn benadering van dingen enzo.
Zijn verhaal over een man die op zijn looppad een boerderij betreedt is al even mysterieus als vele van zijn composities en objecten dat zijn. Terpstra heeft het talent om de lezer in het verhaal te trekken, de gave om de kijker aan zijn werk te binden. Er gebeurt steeds om een hoekje iets wat niet te verwachten was. De laatjes in zijn kasten verbergen onvoorziene zaken. Bij Terpstra kun je de kunst opentrekken om nieuwe oude dingen te ontdekken. Niet alleen de objecten bewijzen dat driedimensionaal, ook in het vlak van de schildering en tekening, het grafiek, huist verwondering.
Gerrit Terpstra heeft een bijzondere manier van creëren en componeren. Je wordt in de creatie, het object, getrokken. De compositie, het schilderij, intrigeert zo dat het de aandacht vast houdt. Het is een mysterie, het heeft een magische aantrekkingskracht. Dat is wat het is in de fysieke ruimte. In het boek zijn het vooral de teksten die intrigeren, meer nog dan de verzamelde dingen. Die dingen kan ik zelf om me heen vinden, ze liggen verloren in mijn zijn. Maar in handen van Gerrit Terpstra en door zijn vingers aangeraakt krijgen die dingen meerwaarde. De magie zit in de vormgeving, de manier waarop het ding een plaats krijgt in de compositie. Ligt het verloren in de bak met nietsigheden of op een hoop oud vuil geveegd langs de weg, Terpstra ziet er de waarde van in en zet het op een voetstuk. Zo wordt het ding tot kunst en zie ik de nietsigheid opeens ietsigheid worden. Het verlorene is gevonden, de schepping herschapen. Terpstra's schatkamer herbergt veel van die dingen die klaar liggen om te reïncarneren. Om een nieuw leven te beginnen.
Hij gebruikt het losgelopen verloren materiaal als onderdeel van zijn kunststukken, zoals de stroperige materie uit een verftube deel uitmaakt van een schilderij. Het takje is belangrijk in het geheel van de installatie, de verfspat maakt het kunstwerk af. Het detail is belangrijk voor de opbouw en uitwerking van de compositie. Terpstra maakt het ding persoonlijk, geeft het waarde in het zijn. Het is blijkbaar iets. Het ding stelt weer iets voor. Het heeft een naam en mag met een hoofdletter worden geschreven, het Ding. Terpstra heeft een verhaal, het ding heeft een verhaal. Dat verhaal wordt zichtbaar in het zijn, in het wezen, dat het er is en mag zijn. Dat het bruikbaar was in de mensenwereld, materiaal dat tot nut was om het zijn leefbaar te maken. Maar dat nut heeft het verloren en is afgedankt, bedankt. Het bewees een dienst in de natuur, maar werd afgehaakt als het vallend blad in de herfst. Het was er, het deed er toe. Dat zijn is voorbij, dat leven is gedaan. Terpstra brengt andere inhoud in, het ding heeft nieuwe waarde. Het wordt hergebruikt. Je loopt eraan voorbij, Gerrit niet. Hij kijkt beter en ziet scherp. Hij heeft een verhaal en vertelt dat met wat het leven verloren heeft. Niet eens zozeer verloren, maar meer weg gedaan, afgevoerd. Dat wat eens was is weer nu. Gisteren wordt vandaag om morgen te glanzen.
Tot slot is in de kaft van het boek een leporello gestoken. Het toont het vernietigen van een draadstaalfiguur. Een installatie opgetrokken uit fijnmazig draadgaas staat figuur voor het leven. Het verbeeldt de tijd en de vergankelijkheid. De mens verliest alles wat hem lief is – huisje, boompje, beestje – en legt uiteindelijk zelf het loodje. Wat rest is een hoopje niets. Want alles is ijdel, nutteloos, leeg. Stoei ik met letters om zinnige zinnen te maken, de woorden zo te rangschikken om een leesbaar verhaal te schrijven. Gerrit Terpstra evenwel heeft zijn tekst in beelden al gevonden om zin te geven aan zijn filosofie over tijd. Het mag de tijd hebben.
Fan dingen ensa. Gerrit Terpstra. Teksten Jan de Waard, Gerrit Terpstra, Michel Tournier. Uitgave Wijdemeer Dokkum i.s.m. Mooi Rood Pers, 2025.
Ter gelegenheid van zijn 50 jaar kunstenaarschap keert Gerrit Terpstra tussen 1 september en 13 september terug naar de kerk van Ginnum, waa
De ruimte onderzoeken in het platte vlak. Zonder hoogte, lengte en breedte toch de verdieping in. Niet alleen de zichtbare ruimte, dus de sfeer om ons heen. De marge die ons als persoon is gegeven, de bewegingsvrijheid die we hebben, de derde dimensie. Echter ook het platte vlak op zich, de lengte en de breedte, een vlak gebied, de tweede dimensie. In de oppervlakte ben je niet gebonden aan perspectief of volume, je vertaalt de ruimte naar een effen inhoud. De kunst geeft de mogelijkheid om op het platte vlak de ruimte te suggereren. Zo zodat de kijker meent diepte te zien, terwijl deze flinterdun is – niet dikker dan een vel papier of een stuk doek. Hoe kan hooguit een halve centimeter dikte een diepte zijn. Het is suggestie, schijn, illusie.
In dat horizontale gebied, waar geen verticaal het vlak doorsnijdt, kan de kunstenaar allerlei thema’s onderzoeken. Kan de beeldend schepper experimenteren met algemene vraagstukken, gegevens en kerngedachten. Het platte vlak kan onderdeel worden van onderwerpen die oplossingen duiden. Niet meteen zichtbaar of tastbaar, maar wel voelbaar. De kunst beweegt zich op het gebied van de emotie. Je voelt een schepping aan of niet. Het neemt je op of je loopt er aan voorbij. Het pakt je bij de strot of je laat het links liggen. Maar ook de afwijzing van een creatie is een gevoel. Kunst ontroert, positief of negatief. Het doet iets met je ook al meen je van niet.
Terug naar de thematiek die volgens de artiest moet worden onderzocht. Dat heeft verschillende ingangen en diverse uitvoeringen. Elke kunstenaar laat zich op de eigen manier inspireren, pakt een persoonlijk subject om er een afzonderlijk object van te creëren. Het beeld is een vertaling van het zichtbare, geen kopie van de werkelijkheid. Het heeft een aparte realiteit. Er kan een waarheid in worden herkent, een echtheid aan worden toegekend. Het is de ruimte die de maker aan de gedachte geeft. Daartegen kan de kijker een eigen denkwijze aan zetten. Wanneer compositie en waarneming op dezelfde lijn zitten heeft de maker de juiste golflengte gevonden. Dat luistert nauw, want de antenne staat niet altijd goed afgestemd. Soms heeft het werk meerdere momenten van kijken nodig om op te vallen. Ook kan de kijker het (in)zicht trainen door regelmatig meerdere werken in dit thema te beschouwen.
Waar wil ik naartoe? Ik stap de fysieke ruimte van Afslag BLV binnen om er het geestelijke werk van Victor van Loon te ondergaan. Bij dat ervaren van de kunstwerken vallen mij de gedachten in zoals ik hierboven in tekst heb gegoten. De tentoonstelling is een selectie uit verschillende periodes en series. Zo gepresenteerd dat de opbouw van en de groei in onderzoek naar thema’s als aantasting en transformatie beeld krijgen. Het experiment om tot een subliem kunstwerk te komen is te schaduwen. De moeiten die getroost worden zijn tussen de werken door te onderscheiden, hoewel mislukkingen in deze context niet worden getoond. De ontwikkeling in denken, het evolueren van de gedachte, om genoemde thema’s in beelden te vatten ontvouwt zich binnen de ruimte van de galerie.
Van Loon maakt gelaagd ruimtelijke modellen van uitgesneden en verknipt papier of karton, voegt daar eventueel enkele stoffelijke resten aan toe, om dit vervolgens in een plat vlak om te zetten. Hij converteert de objecten fotografisch tot een tweedimensionale afbeelding. Het is denkbeeldig ruimtelijk. Het beeld denkt zich in de derde dimensie te bevinden en de kijker wordt op het verkeerde been gezet. In de werken onderzoekt de kunstenaar letsel en verval. Verkent verandering, maar vooral vervorming en herschepping. In zijn werk wordt de gedachte hergebruikt om anders te kijken. Mijn gedachte om zijn idee te doorgronden.
De fotografische composities hebben het beeld van een stukgeslagen raam of een geëxplodeerde ruimte waarbij de scherven in het rond vliegen. Een dynamisch geheel waarbij de indruk tot uitdrukking is getransformeerd. Dat is wat het nu is. Eerder gaf de gemengde techniek op papier het effect van grafiek. Een bestorven kalme omgeving als stilte voor de storm. Een wereld waarin de gedachten tot bedaren kunnen komen voordat de hel losbreekt. En dan trekt Van Loon het bos in. Eenzaam en alleen tussen stammen naaldhout.
Hij wordt zijn eigen model en portretteert zijn lichaam tussen het groen. Dat is de speurtocht om deze ingeving te observeren. Twee pagina’s uit een dagboek beschrijven de merkwaardige gebeurtenissen, de wonderlijke inspiratie die de natuurlijke omgeving geeft. “I remember the sounds of screaming birds & the rushing of wind in the tops of the trees.” Hij legt zich in het natte gras terwijl mieren rond zijn ontblote lijf krioelen. In Afslag BLV zie ik deze ervaring terug in de stills van wat een korte film kan zijn. Langzaam wordt Van Loon opgenomen door de natuur. Bij nadere beschouwing blijkt dit een voortgaande compositie in de studio te zijn, waar een bovenlichaam fotografisch wordt opgeslokt door uitgesneden fragmenten materie. Maar de idee is duidelijk. En de uitleg bij de expositie meldt het: “(…) deze beelden als gelaagde en verzonken ‘innerscapes’: reservoirs vol tekens en sporen, waarin het onder het oppervlak sluimert en woekert.” Want daar gebeurt het, onder het zichtbare beeld als een addertje onder het gras.
Nightshades. Victor van Loon. Afslag BLV, Minckelersstraat 11 te Heerenveen. Van 7 september tot en met 16 november 2025.
Het is opmerkelijk merkwaardig, om niet te zeggen een aparte gewaarwording, jezelf te ontmoeten in een tentoonstelling. Figuurlijk gesproken dan wel te verstaan. De eigen idee van beleven bij het vormgeven terug te vinden in het werk dat je ziet. In de tekeningen van Joost Bakker, bij Galerie Getekend eerst gezien, zag ik dat nog niet meteen. Vond ik mezelf nog niet direct, hoewel het werk mij al wel vertrouwd overkwam. Maar toen ik later ander soortgelijke tekeningen van Bakker onderging, tijdens de kunstbeurs Art Noord VII in Museum Belvédère, merkte ik het plots op. Bemerkte opeens dat mijn denkbeeld samenvalt met zijn indruk. Dat de uitdrukking denkelijk eenzelfde oorsprong heeft. Ik erkende dat ik mezelf erin herkende.
Hoe omschrijf ik een vorm die getekend moet zijn omdat een beschrijving geen recht doet aan het wezen. Vraag ik mij onderwijl af. Toch voel ik mij genoodzaakt dit beeld woorden te geven om het te duiden voor de lezer, die ik daarmee animeer kijker te worden en de weg te zoeken naar de Stationsstraat in Heerenveen om Galerie Getekend te bezoeken. Aldaar is het zijn in het platte vlak waar te nemen, de kunst op papier voor waarheid aan te nemen. Want exposant Joost Bakker rollebolt in de tijd met de waarheid. Hij beleeft er plezier aan de realiteit naar zijn hand te zetten en de werkelijkheid te kantelen. In zijn idee kan de zichtbaarheid ook van achteren naar voren gezien worden, van rechts naar links, binnenstebuiten gekeerd.
Joost Bakker is een tekenaar die het experiment opzoekt, daar plezier aan beleeft. Hij test de lijn op het vlak, onderzoekt de sfeer en ondergaat de werking van licht in donker. Het potlood ofwel het houtskoolkrijt is zijn wapen om het papier figuurlijk te lijf te gaan. Het is naast de pen om te schrijven ook mijn materiaal de wereld te duiden. Niet op een eendere en zuivere manier als dat Bakker het doet. Mijn scheppen was meer illustratief, maar waar ik mezelf zie in zijn werk is de behandeling van licht tegenover donker, dag versus nacht, polen die elkaar versterken door tegenwerking. Licht dat van meerdere kanten komt kan alleen op papier en onder kunstlicht bestaan. Het vanuit onnatuurlijk standpunt komend licht om schaduw tegenover glans in het donker te brengen. Waar dat licht vandaan komt is onduidelijk, maar het is er. Hoewel het er niet kan zijn, lijkt het toch een werkelijk gegeven. Het doet niet vreemd aan. De manier waarop Bakker het in de tekening verwerkt zo veronderstel ik dat het waar kan zijn. Dat experiment ging ik destijds ook aan, Joost heeft het verder voor mij uitgewerkt. Hij kan het weten.
Niet alleen de tegenstelling licht en donker trekt hem aan, ook onderzoekt hij volumes in zijn werk en dus tegenstellingen. Met het licht dat schaduwen werpt is het soms dat groottes gescheurd lijken en wijdtes uiteen vallen. De schaduw tilt het beeld als het ware in de derde dimensie, hoewel ik nog steeds naar een plat vlak kijk. Een vierkant In perspectief, waarvan een hoek is afgesneden, geeft de indruk van een toegankelijke omheining. Terwijl het toch maar enkele lijnen op papier zijn. Niet meer in de realiteit en niet minder in de abstractie. Het volume is kortom magisch. Er schijnt hoogte, breedte en diepte te zijn hoewel deze er helemaal niet is. Kunst is een betoverend mysterie. Want natuurlijk bestaat licht en donker ook niet op papier, is het slechts wit en zwart – de tinten waarin alle kleuren completeren. Daarmee te spelen is voor Joost Bakker een uitdaging, zoals dat voor elke andere kunstenaar zo zou moeten zijn. Het plat wordt ruimtelijk, het zicht van de kijker is voor de gek gehouden, de ogen bedrogen.
Meest simpele vormen krijgen een meervoudige uitdrukking door met de natuurlijke wetmatigheid een loopje te nemen. De aard van dingen zoals Bakker deze portretteert is niet oorspronkelijk, omdat het niet kan bestaan. Hij stoeit met de waarheid en wint het van de vaste regel. Zijn regelmaat past niet in de norm, kan echter wel als normaal worden beschouwd. Joost Bakker dolt met de lijn in het vlak. Het is geen klare lijn, maar wel zo duidelijk dat deze het vlak schijnbaar van het papier optilt de ruimte in. De tekening komt blijkbaar los van de drager en zweeft voor het ogenblik.
Niet enkel statisch verwerkt de kunstenaar de lijn in de tekening, maar gebruikt het tevens dynamisch in handgetekende animaties. Deze letterlijk levende tekeningen tonen bijvoorbeeld een bewegende lijn die figuurlijk vormen maakt in het voorbijgaan, of cirkels spuwt vanuit een middenstip, of twee stippen zijn die elkaar ontmoeten. Nuveraerdich is de vlek die zich in de vorm meest gelijkend op een vis in projectie voortbeweegt. Tot stand gekomen door de kop steeds opnieuw te tekenen en de staart uit te gummen. Dit uitschrijvend doorbreek ik als het ware de betovering, maak ik echter de intensief tijdrovende werkwijze enigszins duidelijk. In een vierkant namelijk zwemt de visvorm zich een weg, stuitert tegen de rand en vliegt er weleens overheen om vanuit de binnenwereld in een buitenaardse ruimte te belanden. Maar telkens ook weer terugschiet naar de veilige plek binnen het kader. Het is een loslaten en terug pakken. Afstand nemen en toenadering zoeken. De vorm voelt zich als een vis in het water, maar wil ook weleens buiten de lijntjes kleuren om dan toch weer op de schreden terug te keren. Joost Bakker voelt zich fijn in en bij dit thema. Kan daarmee niet enkel in de statische tekening uit de voeten, dus onderzoekt het gegeven in een zogenoemde stopmotion film. Het blijft onder de aandacht van de beschouwer omdat het in onverwachte beweging is.
Om in de niet zo ervaren blik van sommige bezoekers tegemoet te komen heeft Bakker naast de enigszins minimalistische en abstracte tekeningen een realistisch beeld gehangen. Ik vroeg hem bij de opening van de tentoonstelling waarom hij een doosje Zwaluwlucifers heeft geportretteerd, exact volgens het model in de keukenlade maar dan sterk uitvergroot. Om dus het in de kunst ongeoefende zicht te vriend te houden voor zijn meer tot de verbeelding sprekende werk vormde zijn antwoord. Als complementaire tegenstelling. De Säkerhets Tandstickor beslaat met een aan gene zijde afgebrande lucifer, other each, een tweeluik. Niet de rode zwavelkop is ontstoken, maar het houtje is zwart geblakerd. In eenvoud elkaars tegenpool als de aard van een magneet. Joost mag het weten, hij is een duiveltje in het doosje en heeft me met zijn werk te pakken waar ik bij sta. Ik onderga het lijdzaam, want het werk heeft een magnetische aantrekkingskracht. En …, vind ik mezelf erin. Dat schept een band.
Resolution. Tentoonstelling werken op papier en levende tekeningen van Joost Bakker bij Galerie Getekend, Stationsstraat 6 in Heerenveen. Van 7 september tot en met 2 november 2025.
Het is fijn wanneer je niet altijd serieus hoeft te zijn. Dat je naast ernstige sonnetten ook rijmpjes op papier kunt zetten. Dat je niet altijd plechtig hoeft te schrijven, maar ook eens zingend uit de band kunt springen om de treurigheid te verdrijven. Luchtig en lichtvoetig, light verse of zoals Drs.P het noemde: plezierdichten. Rikkert Zuiderveld is een woordkunstenaar die zich van diverse vormen en stijlen binnen de dichtkunst bedient. Die met ernst kan schrijven, maar daarnaast vrolijk de pen kan hanteren. Hij gaat virtuoos om met het woord, is een meester in de taal. Kan makkelijk liedteksten maken als een psalmdichter, maar tovert ook eenvoudig verzen en vergezichten uit de mouw, en bewerkt het papier creatoef met oneliners, limericks, topos en de haiku. Net zo makkelijk. En in elke vorm omzeilt hij een kwinkslag niet, want ook in ernst is de glimlach dichtbij.
En dan beeldend kunstenaar Marius van Dokkum, hij ziet de humor in de wereld. Ook al probeert de mens zo ingetogen mogelijk met ernst het zijn te leven. De schilder/tekenaar haalt het leven in zijn creaties als het ware onderuit, zaagt figuurlijk de poten onder de stoel vandaan en zet de hoogmoed beeldend te kijk. Maar ook kan hij heel serieus aan realistische portretten werken en ruimtelijke beelden vormen. Zijn beschouwingen van de wereld zijn werkelijk, hij doet er echter wat zout en peper bij om de eigenwaan enigszins te kruiden, de inbeelding uit te beelden en de opgeblazenheid door te prikken.
Rikkert en Marius vonden elkaar al eens in het genre diergedichten. Een kijk op de wereld door de ogen van de mens op het dier. Echter eerder het dier dat meent mens te zijn, althans zich zo tracht te gedragen. Een samen optrekken van twee fantasten middels geïllustreerde gedichten of tekeningen met ondertitels, waarin dieren net mensen zijn en mensen zich gedragen als zijn het dieren. In een soort van fabels, fabelachtige poëzie, voer Rikkert diverse gedachte en bedachte dieren ten tonele. “Ik ben geen duif en geen parkiet / geen kraai en geen kanariepiet / en ook een ekster ben ik niet, / ik ben gewoonweg kierewiet.” Stel je dat eens voor, maak daar eens een beeld van. Marius bedacht bij de verzen beeldende illustraties. Tekeningen die de woorden tot leven wekken.
Illustreerde Van Dokkum bij de eerste samenwerking “Door de wolf geverfd” nog ongekleurd de poëzie van Zuiderveld om de woorden te versterken met uitleggende beelden. In de nieuwe uitgave “de rijmelaarse kat” nemen de vrolijk gekleurde tekeningen een meer prominente plaats in. Zijn de rollen omgedraaid en is het dat de gedichten het tekenwerk illustreren. Wat was er eerder de tekening of het vers, de kip of het ei. Daardoor is het echt een kijkboek geworden meer dan dat het een (voor)leesboek is. Of dat het kind zich kan vinden in de tekening, opgaan in de creatie van de kunstenaar die aansluit bij de fantasie. Het kind kan zelf een verhaal bedenken bij de beelden, waar de volwassene de uitleg in de rijmen krijgt. Maar natuurlijk kan de ouder weer kind zijn en zich verkneukelen aan en in de tekeningen. Het hoeft niet altijd zo serieus te zijn.
De dieren in de Rijmelaarse Kat bevolken een wonderlijke wereld. In hun doen en laten zijn het net mensen. Meneer De Uil van de Fabeltjeskrant wist dat destijds al goed te duiden zittend op zijn boomtak: “Want dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensen-wensen, en dezelfde mensen-streken.” De wereld bekijkend met een knipoog. Want het schijnt allemaal niet zo ernstig als het lijkt, althans in de westerse wereld. Het is een dolle boel daar in het rijk van de gelaarsde kat, het sprookje dat ook al het menszijn op de hak nam. Echter is het land van de rijmelaarse kat surreëel, de fantasie viert er hoogtij. Marius van Dokkum weet dynamiek te brengen op papier, de tekeningen zijn in het platte vlak volop in beweging. Vooral in de grote complexe platen valt er veel te zien en voldoende op te merken. Het zijn waarlijk kijkplaten met oog voor detail zonder het grote geheel uit zicht te laten.
Waar Rikkert Zuiderveld in taal virtuoos karakters kan neerzetten, zo meesterlijk tekent Marius van Dokkum deze op papier. De dieren hebben allemaal de aard van de werkelijke dierenwereld, maar acteren net iets meer uitvergroot het temperament van de mens. In de tekeningen beleef ik de dierenwereld zoals deze zich in vertaling van de mensenwereld aan de fantasie van Van Dokkum voordoet. In de gedichten herbeleef ik deze beelden in taal. En andersom. Ik lees de verzen, beleef de woorden, en herbeleef deze vrolijke fantasie in beelden, de tekeningen die aan de gedachte vorm geven. Gewone alledaagse voorvallen en gebeurtenissen krijgen woord en beeld: “Een luipaard is geen paard / en hij is ook niet lui. / Hij heeft alleen wel vaak / een slaperige bui.” En dat dan in een letterlijke opvatting uitgebeeld met een wolk in gapende slaap. En er is een apart over dieren die aan sport doen. En mol die verspringt, tennissende konijnen, een varken dat zich schoonspringt, kippen aan het biljart, een wielrennende Klara koe, een zeilende olifant en nog vele splorten meer. Hoe de kangoeroe roeit daarvoor moet zelf maar een “de rijmelaarse kat” aangeschaft worden. “Zwemmen / Alle vissen wilden meedoen, / ook de haring en de schol. / Maar de walvis dook in ’t water, / en toen was het zwembad vol.”
Door de afbeelding raakt de handeling mijn ogen. Door de gedichten raakt het de taal. Kan ik de gebeurtenis benoemen. Kan ik het begrijpen, gaat de papieren beweging vooraf aan mijn fantasie. Wordt het benoemd nog voor ik er zelf duiding aan kan geven. Dan staat het vast, hoewel het een spel met taal is in combinatie met het getekende. Door het gedicht in relatie te brengen met de afbeelding is de handeling duidelijk. Dat is wel jammer, het maakt de beleving statisch. Ik kan niet zelf een voorstelling fantaseren. Eigenlijk zal ik me als een kind laten voorlezen zonder in het boek te kijken. Dan krijg ik zelf mijn beeld voor ogen en deze kan sterk afwijken van kunstenaars interpretatie. Of ik ben het kind dat plaatjes kijkt en niet kan lezen nog. Echter ben ik de volwassene voor welke beide dingen – het woord en het beeld – zich samenvoegen, zodat ik de fantasie van zowel van Van Dokkum als van Zuiderveld herbeleef. En die fantasie heeft vele uitwassen. Ik kan me voorstellen dat Rikkert weleens schaterlacht bij de taalvondsten die hem invallen. En dat Marius grijnst wanneer hij het potlood grappige lijnen laat tekenen. Het is allemaal niet serieus en met ernst hoeft dat ook niet.
De rijmelaarse kat. Teksten Rikkert Zuiderveld, illustraties Marius van Dokkum. Uitgave Art Revisited, 2025.
De Rijmelaarse Kat. Art Revisited online store for affordable Art! Art cards, Art books, Art calendars and Giclées.
EEN EXPOSITIE OP DE LEESTAFEL, OM EEN BOOM OP TE ZETTEN
Het lijkt een makkie. Neem een bosje penselen en wat kwasten, pak er een doos verf bij en vul een beker met water. Scheur een vel zwaar papier uit een schetsboek. Meng dan de verf met water zonder de kleuren te besmeuren. En maak met het penseel lijnen en gebruik de kwast voor vlakken om een figuratie op te zetten. Gebruik desnoods je handen of een spons om speels details uit te werken. Klaar is kees, een kind kan de was doen. Zo oogt het resultaat in eenvoud. Maar zo makkelijk gaat dat niet. Aan een eenvoudig schijnende verftekening gaat een heel proces vooraf: veel kijken, goed zien, serieus beschouwen en diepgaand denken. Aanvoelen en mijmeren, bevoelen en reflecteren.
Wie het boek The Infinite Tree of in goed Nederlands De Eindeloze Boom doorbladert waant zich in een bos. Achter elke boom staat een andere, bij het omslaan van iedere bladzijde doemt een nieuwe studie op. Twijgen slaan in mijn gezicht, takken druk ik aan de kant. Kunstenaar Ron Dirven, die deze gebonden expositie van eigen werk door Robert Zandvliet heeft laten cureren, geeft de dwaler handvaten om te beschouwen. Maar ook wel stuurt hij mij het bos in en zet een emotionele abstractie op. De oorsprong is echter nooit ver weg. Evenals de natuur veelvormig is zo is de kunst van Dirven pluriform. De boom als bron waaruit de inspiratie voort vloeit en de compositie ontspringt. Van origine is de stam de oorsprong. De drager van de geschiedenis. De wortels vertellen over het verleden terwijl de bladeren uitvliegen van de takken naar de toekomst.
Het schijnt dat Ron Dirven gefascineerd is geraakt door het laatste schilderij van Vincent van Gogh. Geïnspireerd door de grillige lijnen en vlakken die een veelheid aan boomwortels tot een eenheid maken. In dat beeld schuilt de gebrouilleerde geest van de maker. Zijn strijd met het leven komt er in tot uitdrukking. Maar ook zijn olijfbomen en knotwilgen zijn zelfportretten. Dat Dirven daarin zijn oorsprong tot het componeren van zijn beeldtaal vindt is niet zo vreemd, want hij is directeur-conservator van het Vincent van Goghhuis in Zundert. Het geboortehuis van de schilder, waar echter de reden om zijn kunst er nu te tonen flinterdun is. Daarom is er in de tot museum omgevormde pastorie regelmatig een confrontatie met hedendaagse kunstenaars, die zich in een naastgelegen atelier op het werk en de idee van Van Gogh kunnen richten. Daaruit komen de meest interessante projectmatige producten en composities voort.
Ron Dirven werkt echter in eigen atelier aan zijn oeuvre met de boom als bron van inspiratie. De boom die het leven is, de stamboom van het zijn. Maar zijn fascinatie is breder, Dirven beschouwt de natuur als geheel. In al de veelvormige uitingen zoekt hij naar eenvoud. Deze vindt hij het meest karakteristiek in de weerbarstige stammen, de verhoutte stengels tot grillige takken, de bladeren en de vruchten. In eenvoudig meervoudige tekeningen werkt hij deze inspiratie uit. In een speelse stijl zijn het vrolijke en fantasierijke verbeeldingen geworden. Door de kleurstellingen met water uit te drukken ontstaan transparante voorstellingen, geen compacte bosranden of massieve doorkijkjes. Geen indruk waarin ik door de bomen het bos niet meer zie.
Ron Dirven staat zich er in de buitenwereld niet op voor kunstenaar te zijn, omdat hij niet als schilderende museumdirecteur geafficheerd wil worden. Daarom heeft hij jaar en dag in afzondering iedere maandag van elke week aan zijn portfolio gewerkt. Daarvan is nooit een tentoonstelling gekomen totdat collega Robert Zandvliet artist in residence in Zundert werd. Zandvliet zag de kwaliteit en bezag de originaliteit van Dirvens werk en raadde hem aan daarmee in de openbaarheid te treden. In eerste instantie is het boek The Infinite Tree daarvan de weerslag. Een logboek als beschrijving van zijn bevlogen fascinatie voor het machtige hout.
Steeds opnieuw ging en gaat hij de strijd aan met het materiaal om vooral de stam en de takken in een oogwenk krachtig op papier te zetten. Het gebruik van meer water geeft het beeld de ruimte om zich te ontvouwen en daarmee kan de kunstenaar de controle enigszins los laten. Hoewel het resultaat een statische afbeelding is, eigen aan de boom als standvastig karakter, gaat er tegelijkertijd een dynamische kracht vanuit. Alsof iedere ademtocht als windkracht 8 er langs schuurt en de emotie tot boven de kruin laat stijgen. Dirven studeert en improviseert om het moment te raken waarop het werk zichzelf lijkt te maken en hij doorgeefluik is van iets buiten hemzelf. “Het is het moment waarop je alle ratio, elk vooropgezet plan of ambitie los durft te laten”, schrijft Rebecca Nelemans in de inleidende tekst van het boek. “De sprong diep in de duisternis van het niet sturen, niet weten, zoeken naar het moment van onvermogen om uit te drukken, daar ontstaat het onzegbare (…) dat zo kenmerkend is voor de beeldende kunst.”
Een kind kan de was niet doen. Het opzetten van een boom in de meest eenvoudige vorm is geen kinderwerk, hoewel deze jeugdige figuur zonder rugzak spontaan een meesterwerk kan creëren. Op de simpele manier waarop een kind de wereld beschouwt en kan uitdrukken, kan de kunstenaar eenvoudig zijn of haar emotie in de afbeelding tekenen en penselen. Of zoals Zandvliet meent dat alles in het werk van Dirven op zijn plek valt: “Er is niets in deze werken wat te veel of te weinig is of niet klopt.” Het beleven straalt van de werken af, de veelvormigheid van de natuur maakt indruk op zowel de kunstenaar in het veld als de beschouwer in zijn werk. Het boek is een expositie op de leestafel, waarin A5 vellen tussen de A4 bladen zijn gestoken om de beleving van het bos te waarborgen. In de afzondering en de stilte tussen de vier muren van het atelier is een robuust oeuvre ontstaan dat de wereld aankan. Een weergaloze beeldbeschrijving die staat als een huis boom. En zoals de natuur zich van diverse kanten laat bekijken, heeft Ron Dirven in zijn studies van het hout een veelzijdig vermogen opgebouwd. Hij tovert als het ware met de verf en schept aldus speelse creaties in legio variaties op het fenomeen boom. Ron Dirven is zichzelf, maar in het diepst van zijn wezen een beetje Vincent van Gogh: veel kleur en een snelle penseelstreek met ruimte voor emotie.
The Infinite Tree – De Eindeloze Boom. Ron Dirven. Tekst Rebecca Nelemans. Uitgave The Eriskay Connection, 2025.
A repetition of trees as a metaphor for life, delicately expressing something about the inner world of its creator.
GEDACHTEN ZOEKEN WOORDEN OM TE KUNNEN BESTAAN. EEN BEELD ZOEKT VORM OM GEZIEN TE KUNNEN WORDEN
De lijn is zijn houvast, zijn steun en toeverlaat. In de tekening waarvan de lijn de grondtoon is voelt hij zich geborgen. Daarin verborgen sluit Hans Klein Hofmeijer zichzelf bij wijze van spreken af van de buitenwereld. In zijn veilige binnenwereld is de tekening een verbeelding van zijn, zijn wezen. Het klinkt als een paradox, maar zijn uiting geeft inzicht in wie hij als kunstenaar is. Hij zoekt zekerheid. Dat uit zich in fantasieën, want de werkelijkheid is niet heilig. In een bedachte vorm kan Klein Hofmeijer dan schuilen. Hij verschuilt zich tussen de lijnen in het vlak. Niet zichtbaar als een herkenbaar zelfportret, want dan zou hij zich al te veel openbaren.
Wie goed naar zijn werken kijkt ziet de geest daarin ronddwalen, zoekend naar beschutting om zichzelf bijeen te houden, zich te herbergen om het zijn in onderkomens vast te zetten. Wie serieus zijn composities bekijkt merkt de zoektocht van een kunstenaar die zichzelf maar nauwelijks kan vinden. En die met moeite een onderdak in zijn kunst weet te ontdekken. Iedere poging om een nieuw bewijs van het zijn weer te geven mondt uit in een volgende inspanning te speuren naar de ultieme schuilplaats voor de ziel. Ieder experiment heeft de bezieling, maar reikt nog niet aan het definitieve onderkomen. Klein Hofmeijer blijft puzzelen, maar zal telkens het laatste stukje missen. De zichzelf opgelegde opgave blijft een mysterie, het zijn is een raadsel.
Klein Hofmeijer houdt zich in zijn kunst bezig met het wezen van alle dingen en met het leven. Geschreven teksten bij de tekeningen geven een filosofische contemplatie weer. De kunstenaar bekijkt, beleeft en beschouwt zijn wezen. Woorden dat te uiten zijn niet genoeg en vullen tekeningen aan, maar het getekende is vaak niet voldoende uitdrukking te geven aan de woorden. Woord en beeld zijn een eenheid. De titel is het werk wanneer ik de ogen sluit. Het nabeeld op mijn netvlies geeft daaraan uitdrukking. In zijn zoektocht naar de ultieme verbeelding van wat nauwelijks te verbeelden is beloopt hij diverse trajecten, schreef ik in mijn beschouwing van The Blue Drawings, een eerdere uitgave in eigen beheer van Klein Hofmeijer.
Dit nieuwe werk uit de bloemlezing vindt de oorsprong in het waterrijke Zeeland, waar slakken en schelpen inspirerende huizen zijn om in te schuilen. Daar aan de oever van de onpeilbare bruisende waterdiepte vindt Klein Hofmeijer op het strand de beschutting voor de gedachte. Weer een divers traject in zijn streven een vinger te krijgen achter de uiterste voorstelling. In het slakkenhuis is zijn vorm voor geborgen verborgenheid te vinden, zijn diepste wezen kan daarin schuilend verschuilen, opgesloten wegkruipen. Die vorm is zijn uitdrukking om het mij te verbeelden. Echter niet sec een cilindervormig hoopje, maar een dynamische cirkelvorm die erupereert, uitbarst in een harige wolk zoekend naar houvast in de omgeving. Een wirwar aan lijnen is in orde, als de tentakels van een zeeanemoon die een prooi betasten. Want zo wil Klein Hofmeijer mijn geest bevoelen, terwijl uit het schelphuis kruipend hij de wereld probeert te (be)grijpen.
Het muzengekras in het muzenverblijf schuurt aan mijn kennis, ik herken niet meteen wat ik zie maar de titel zet me in het juiste spoor. Zo is er summier uitleg van de abstracte inhoud. Ik onderscheid de bedoeling en raak gaandeweg ervaren in het kijken. Mijn denken schuilt in de bedachte omhulsels, mijn weten vindt plek in de behuizingen. De tekeningen zijn gezet op gebruikt papier met rafelranden, op de keerzijde van gescheurde nota’s, notities uit een tijd voor nu. Deze documenten reïncarneren in de kunst van Klein Hofmeijer. Het is geen recycling of hergebruik, want de vellen krijgen een nieuw leven, een oprechte betekenis. De idee krijgt een fantasievolle uitbeelding, de gedachte herlichaamt op papier. Daarin schuilt de kunstenaar, zoals de dichter zich verbergt in de poëzie. En daarin kan ik voor de duur van mijn aandachtige blik op bezoek zijn, aan tafel bijschuiven en de kunstenaar ontmoeten.
Mijn ogen en geest hebben een aangename tijd met het beleven van een bloemlezing uit de werken op papier 2022-2023. Het is een dwarsdoorsnede uit de stranduren in Zeeland, het verblijf in het atelier aan de oever van de Westerschelde met uitzicht op de Noordzee. Er is namelijk meer om de rede in te laten vluchten. Het getoonde werk in het boek is een representatieve selectie en verbeelden fraai het zoeken naar een onderkomen om de gedachte bijeen te houden, vast te zetten en te herbergen in de tekening. Zijn dat eerst scheerlijnen om geschoorde ruimtes vast te leggen, want hoe veilig is het onder de lijnen. Maar dat bij elkaar houden en bijeen zijn is een statisch gegeven op den duur. Dus breekt de kunstenaar uit zijn huis om dynamisch te bewegen als een golfslak. Een niet bestaand object dat de vorm vindt in een bestaand wezen. In dat slakkenhuis kan Klein Hofmeijer nog altijd kruipen wanneer de buitenwereld te dreigend is voor zijn scheppend wezen.
Maar hij kan zich tevens statisch bewegen, dynamisch de stilstand aandrijven. Dan moet er eerst een golfslakachtig onderkomen worden vorm gegeven. Daartoe doet de kunstenaar diverse pogingen, die alle van hoogwaardige kwaliteit zijn. Hij zag dat het goed was, maar het kon beter en was nog niet best. In de pogingen groeit Klein Hofmeijer zichtbaar in zijn gefantaseerde wereld. De uitdrukking verfijnd zich en komt langzaam aan richting een Mij beeld, een abstract zelfportret verbeeldt een realistisch weergegeven slakkenhuis waaruit de geïnspireerde geest explodeert. Het is opgesloten maar moet uitweg hebben zich te openbaren.
In de bloemlezing geeft kunsthistoricus Rick Vercauteren woorden aan de verbeeldingen. Uitleg aan de uitdrukking. Hij beschouwt de bijeen-houdingen, de her-bergingen, de onder-komens en vast-zettingen. Het schrijft het mysterie van deze kunstvorm als inspirerend kunnen echter niet kapot. De magie wordt meer diepzinnig doordat Vercauteren het werk van Klein Hofmeijer in de tijd en de ontwikkeling zet. Hoe hij daar op het strand van Dishoek een schuilplaats vindt om te verbeelden, zichzelf beziet in het diepzwarte water en groeit in zijn werk. Het boekje is een bewijs van zijn, een teken van leven, een proeve van bekwaamheid. Een wezenlijke verklaring. Opgeluisterd met de golven van de zee vastgelegd door fotograaf Dolph Kessler. Onder dat bruisende oppervlak heeft meer plaats dan bovenwater vermoed wordt. Het is een metafoor om de gedachte in te dompelen, het wezen onder te laten duiken. Het slakkenhuis heeft wonderwel de vorm van een golf. Het kromt zich om voort te bewegen. Zo buigt Klein Hofmeijer zich naar zijn geest om door te gaan op het pad in de kunst dat hij is ingeslagen. En ik reis met hem mee.
Een bloemlezing uit de werken op papier 2022-2023. Hans Klein Hofmeijer. De stranduren, met een beschouwing over bijeen-houdingen, her-bergingen, onder-komens, vast-zettingen door Rick Vercauteren. Uitgave in eigen beheer van de kunstenaar, 2025.
De vertelling lijkt de magie te verliezen wanneer beelden voorgetekend zijn. Maak ik een eigen voorstelling bij het beluisteren van het hoorspel, de strip als afgeleide daarvan kan onttoverend werken. Ook de film naar het boek is meestal een minder aftreksel daar je eerder in gedachten een eigen figuratie maakte tijdens het lezen. En die figuren zien er net even anders uit dan de acteurs in de film. Het persoonlijke beeld heeft de magie van het verhaal, de tekenaar of regisseur zet daar de eigen idee tegenaan. Die voorstelling strookt lastig met mijn persoonlijke beeld, zodat de betovering wat mij betreft verloren raakt. Daarom dacht ik dat de sprookjesstrip over het hoorspel van Elly Nieman en Rikkert Zuiderveld de magie van Het Oinkbeest teniet zou doen. Want heb ik een min of meer duidelijk beeld voor ogen wanneer ik dat muzikale verhaal beluister, het in plaatjes te zien als een graphic novel zou het mysterie onthullen. Zo dacht ik. Maar niets is minder waar.
Inge Bogaerts zat als jong meisje vastgeplakt aan de bruine luidsprekerbox in de kamer. Tussen de verzameling van vader had ze een luisterverhaal ontdekt en kwam bij de eerste klanken vanaf het vinyl onmiddellijk onder de betovering van de fantasierijke vertelling. Ze ging helemaal op in het spel van Elly en Rikkert, die met verve het Oinkbeest vertolkten. Ze luisterde weer en nog een keer. En weer eens weer. Omdat ze het zo dikwijls had beluisterd en zich in ruime mate een idee vormde, kan ze op latere leeftijd als tekenaar die gedachten van toen terughalen en letterlijk uitwerken. Exact in de sfeer zoals het duo dit bij het schrijven voor ogen moet hebben gehad. Bogaerts is als het ware in de huid van de Zuidervelds gekropen. Kijkt met hun blik naar het verhaal. Zij figureren daar in, zoals ze ook in het hoorspel zij de verschillende figuren een stem gaven.
Het Oinkbeest dat zich afspeelt in de sfeer van ‘De Kauwgomballenboom’ en ‘Als ik een bijtje was’. Dromerig, enigszins kinderlijk, met een licht filosofische klank en een morele ondertoon. In die typische stemming waarop Elly en Rikkert patent lijken te hebben. Een moderne gebroeders Grimm of Hans Andersen, die met hun fantasierijke verhalen de lezer een spiegel voorhouden met een vriendelijk belerend plot. Een volksverhaal dat ook kinderen aanspreekt. Zo'n vertelling maakten de muzikale echtelieden begin jaren 70 van de vorige eeuw. De anarchie van de woelige jaren 60 waren net over gewaaid, maar de bloemrijke sfeer die liefde ademde klonk door in het volgende decennium. De geur van cannabis hing nog in de lucht. Het Oinkbeest paste vrolijk en opgeruimd in de idee van die jaren 60.
Deze makers zijn met de tijd mee gegaan, opgegroeid met hun publiek en zij met hen. De jaren waaruit ze zijn ontsproten hebben ze echter niet los gelaten. Nog altijd sijpelt het sprankje hoop dat alles beter zal worden van de provo-tijd erin door. De flowerpower is niet verdwenen, de bloem steekt nog in het haar, de tegencultuur leeft door in Vledderveen. Doordat Elly en Rikkert tijdloos zijn kunnen zij voor de eeuwigheid componeren, schrijven en musiceren. Het verhaal van Het Oinkbeest is daarom universeel. Hoewel gegoten in een enigszins kinderlijke jas sluit het thema aan bij jong en oud. Het land waarin Het Oinkbeest belandt is een verzamelplaats van geloof, hoop en liefde. Maar de bewoners moeten nog worden lek geprikt om te doorzien dat het leven alleen maar goed is. Het Oinkbeest laat hen kijken met nieuwe ogen en laat beleven wat ze niet voor mogelijk hadden gehouden.
De vrolijke sfeer die Elly en Rikkert wisten vast te leggen in hun sprookjesachtige vertelling weet Bogaerts naadloos over te brengen in de tekeningen. En ze voegt zelfs meer details en handelingen toe dan het hoorspel aangeeft. Dat spel heeft in de muzikale intermezzo's ruimte om de fantasie te laten stromen. Door die melodieën kan de luisteraar zelf de loop van het verhaal invullen. En dat heeft Bogaerts destijds volop voor zichzelf gedaan. Daardoor kan ze nu extra cachet aan het verhaal geven en handelingen vormen die toen werden gesuggereerd. De uitwerking is daarom niet een slap aftreksel maar een sterke afgeleide van het origineel. Het voegt zelfs iets toe. Geeft beeld aan de gedachte.
Doordat Bogaerts op jonge leeftijd zo vaak het hoorspel heeft beluisterd, kan zij zich goed inleven in de vertelling. Weet ze hoe de personages figureren tot de verhaallijn. Wat de mimiek is en hoe de eigenschappen zijn. In haar vertaling is het een drukte van belang in het bos. De kleine dingen die na meerdere malen beluisteren in het hoorspel te horen zijn, iedere keer weer ontdek ik iets nieuws en anders - het is maar in welke stemming ik ben en hoe open de oren staan. En ook de strip lees ik eens weer, bekijk het opnieuw met andere ogen. En steeds ontdek ik in de schijnbare te drukke wirwar van kleuren, vlakken en lijnen details die ik eerder niet heb opgemerkt. De strip is levendig, vol vrolijkheid, zelfs de mindere stemming wordt meer opgeruimd weergegeven. Het is er kortom een vrolijke boel. Even vrolijk als dat het er in de studio destijds moet hebben toe gegaan. Een feestje voor oor en oog. Bij de plezierige klanken kom je als het ware los van de aarde, bij de lollige tekeningen gaan je gedachten met je gevoelens aan de haal, op de loop. Het kan niet waar zijn, maar op een dag kan het wel zo gebeurd zijn. Er doet zich meer voor tussen verstand en emotie, wanneer ik me maar als kind kan inleven. Voor het kind is alles mogelijk, hun taal en fantasie maakt van een muis een olifant, zet monsters onder het bed en spoken op het behang.
Zoals Bogaerts destijds bij de teksten en liedjes haar hart liet veroveren, zo betovert zij met haar tekeningen de lezer van nu. De luisteraar is kijker geworden. De muzikale reis is een tocht naar de verbeelding. Is onze tijd vooral gericht op beelden die verhalen moeten vertellen, Bogaerts haakt hier mooi op in door haar herinnering te verbeelden. De teksten te volgen, en haar fantasie daar bij in te vullen. De idee van het duo is nauwlettend in de gaten gehouden en kunstig in beeld gebracht. En zelfs zo dat de lezer ofwel kijker daar zelf nog invulling aan kan geven. De vertelling heeft ook iets surrealistisch. Het is niet echt en toch kun jij je er werkelijk in inleven. De fantasie zweeft boven de werkelijkheid. Het zijn welhaast Jeroen Bosch achtige taferelen die zich op de pagina's ontvouwen. In elk geval in de sfeer van het grote blikken harmonie orkest dat over de bergen trekt. Over die angstaanjagende Jeroen Bosfiguren is een zachtmoedig sausje gegoten. En op de stoeprand zitten twee vreemde vogels. “Zoals we door de straten lopen / En de wonderlijkste kleren kopen / Zijn we net / Twee vreemde vogels / / Jij met je ravenzwarte haren / Je kanariegele vest / Kijk de mensen staan te staren / Die zijn anders dan de rest”.
De liedjes op papier klinken niet, maar dansen over en door de bladzijden. In je hoofd zing je zo de tekst mee, ook al heb je nog nooit het hoorspel gehoord. Het is deze speelse kracht van de tekenaar die naadloos aansluit bij de ludieke uitingen van de muzikanten. Het mag een kinderlijk sprookje zijn, het is een volwassen beeldverhaal waarin jong zowel als oud zich kan inleven. Het houdt een spiegel voor en wie als Alice in Wonderland door deze spiegel durft te stappen komt in een wonderlijke wereld van metaforen, beeldspraken en zinnebeelden. Het onbekende raakt bekend, het vreemde wordt gewoon. Wie anders is van lijf en leden, wie tegendraads denkt, wordt liefderijk opgenomen in de groep. Iedereen is gelijk zo is de boodschap, we sluiten niemand uit. Kom erbij!
Dan kan ik me onopvallend en een beetje gegeneerd in een hoekje inleven in de wereld van het kind. Want zou ik in deze wondere walgelijke wereld niet eens graag weer kind zijn. Onbevangen door de ogen van Het Oinkbeest het goede in de wereld opnieuw ontdekken. Daarvoor hoeft niemand zich te schamen, dat worden als een kind is een groot goed. Niet het kind zijn op zich, maar het inleven alsof je weer kind was. Kijk door de ogen van Het Oinkbeest, figuurlijk door het beeldverhaal te bekijken en te lezen. Letterlijk door het boek te openen en de twee gaten in de omslag voor je gezicht te houden. Kijk door, kijk anders, kijk opnieuw. En ontdek.
Het Oinkbeest. Een sprookjesstrip. Inge Bogaerts. Beeldverhaal naar het hoorspel van Elly Nieman & Rikkert Zuiderveld. Uitgeverij Oogachtend, 2025.
Hij is een autoriteit in het hiernamaals. Hoewel hij nog niet uit onze tijd is heeft hij veel kennis van hetgeen er gebeurd nadat er achter deze tijd een punt is gezet. Doordat hij veel spreekt met mensen waarvan de klok bijna is stil gezet en met mensen waarvan de wijzers stil stonden, maar bij wie het uurwerk toch weer werd opgewonden, hem hun ervaringen op de grens van leven en dood vertelden. Aan hem, Hans Stolp, omdat hij daarvoor open staat en hen niet als zijnde fantasten de deur wijst. Theoloog Hans Stolp is met de dood bezig. In zijn werk als pastor begeleidt hij stervende mensen tot de grens is bereikt. Niet enkel volwassenen maar ook kinderen, die een eigen beleving van hun levenseinde hebben zo merkte Stolp op in de symboliek en de taal die zij bezigen.
Stolp schreef een groot aantal boeken over leven en dood, en het leven na de dood. In een nieuw handzaam zakboek probeert hij in duidelijke taal antwoorden te geven op de vragen rond de dood. Vooral over het zijn na het leven. Hij luistert naar de fluisteringen in de kosmos, de geestelijke taal die gestorvenen spreken op de weg naar een hoger leven in de dood. Hans Stolp gaat uit van reïncarnatie, dus dat het leven almaar doorgaat. Dat de dood niet het einde is. Dat het leven na de dood een geestelijk leven is, slechts een tussenfase om terug te keren naar de aarde. Dat kan een troost zijn voor de achterblijvers, de nabestaanden die afscheid namen van het lichaam waaruit het leven getreden is.
Hans Stolp geeft in de eerste hoofdstukken van het boek ervaringen weer van mensen, verhalen die hem werden verteld en kennis die hij opdeed. Daarin is een rode draad de liefde. Is de liefde er niet dan kan de mens niet ervaren dat de dood niet het einde betekent, dat over de grens van de tijd naar de eeuwigheid duizend dingen gebeuren nog tussen hemel en aarde. Wie er niet voor openstaat, zo is zijn stelling, daarvoor blijft het mysterie een gesloten boek. “Als jij, als achterblijvende, denkt dat de dood ook werkelijk het einde van het leven is, zul je zulke ervaringen (namelijk: de dood is niet het einde, de dood is in wezen het begin van een heel nieuwe levensweg) niet kunnen opdoen; datgene, waar je niet voor openstaat zul je niet kunnen zien.”
Zijn geloof en hoop essentieel voor het christelijke leven, liefde is de drijvende kracht erachter. Aanhangers van de christelijke leer gaan uit van een leven na de dood. Het is hun geloof. Hans Stolp gelooft niet, hij weet het zeker - hij is een weter. Maar de liefde, wie dit niet heeft waakt triest bij een overledene en ziet niet dat deze op het moment van overlijden de geliefden die hem voorgingen ontmoet en begroet. De liefde brengt hen samen. Door de liefde helpen de tot geesten geworden doden de mensen die op aarde zijn achtergebleven. Door wat mannen en vrouwen Stolp vertellen maakt hij op dat overledenen de levenden bijstaan in doen en laten op aarde. Zij ervaren dit aan den lijve, niet lichamelijk maar geestelijk.
Hij zet daar een eigen filosofisch heden tegenaan, een verhaal dat soms uit de lucht gegrepen lijkt. Waarbij ik me al lezende afvraag waar deze kennis een grond en oorsprong vindt. Maar wanneer je erin gelooft, wanneer je de kunde van Stolp als waarheid aanneemt, dan biedt het inderdaad troost en bemoedigt het de verdrietige ziel. Dan is de dood niet het einde. Voor aardse begrippen is het einde een afscheid, maar wie over de grens in de tijd kijkt weet dat het vertrek uit het nu niet voor eeuwig zal zijn. Het lichaam zal niet meer gezien worden, maar de geest blijft rondgaan. Deze blijft in gedachten aanwezig, zit in het hart en geeft kracht, heeft antwoorden op levensvragen.
Zonder fysiek aanwezig te zijn staat de overledene de levende met raad en daad terzijde. Hoe dat werkt en op welke manier dat is te ervaren, daar gaat het verhaal van Hans Stolp in dit boek over. Het is een vertelling waarin je liefdevol moet geloven, wil je er de troost die er tussen de regels door in geschreven is uit halen. Zo is dat met het religieuze geloof, zo is dat met de idee die Stolp uitdraagt. Door de jaren en door de ervaringen met levenden en doden is Stolp tot deze kennis gekomen. Door zijn kunde als theoloog kan hij het plaatsen in het geloof, het weten van het leven na de dood.
Het eerste deel dus, zo tot pagina 100, spreekt Stolp over de verbindende kracht van de liefde. Die merkt hij op uit de ervaringen. Maar schrijft ook over ervaringen na de dood, waarbij de lezer zich kan afvragen waar die kennis vandaan komt. Het is een leer die hem door meesters is overgeleverd. "Tot de vele leermeesters die ik in mijn leven kreeg en die mij beetje bij beetje lieten zien wat de dood nu eigenlijk is, behoren zieken en stervenden", schrijft Stolp. Ook stervende kinderen leerden hem over het feit dat dood gaan niet zo erg is, dat je er niet tegenop hoeft te zien. Worden we als een kind, zoals Jezus Christus al profeteerde, dan is de dood geen onoverkomelijk einde van het leven. Door de eenvoud, onbevangenheid en puurheid van een kind kan de volwassene met evenveel vertrouwen de dood tegemoet gaan.
De kracht van de liefde is beslissend op de reis uit het lichamelijke leven in een geestelijk zijn, de kracht van de hogere liefde. Totdat de tekst in het boek begint te zweven is het verhaal van Stolp bemoedigend, kun je het als troost ervaren in de rouwperiode na het sterven van een geliefd persoon. Dat kan, wanneer je zonder scepsis in Stolps woorden geloofd. Dat je het niet terzijde schuift als fantasie en het vastklampen aan waarheden die onmogelijk realistisch kunnen zijn. Want waarom zou je “Over het leven na de dood” openslaan en lezen, omdat je nieuwsgierig bent naar wat daar is of kan zijn. Iedereen gaat eens uit de tijd, verlaat het leven. Het kan angst aanjagen, dus wanneer je gelooft dat de dood geen einde is of kan zijn berust je en valt een vredig aanvaarden jouw in.
Hans Stolp heeft zijn gedachten in leesbare taal opgeschreven om het mysterie voor een ieder te ontrafelen. Het is geen sinecure om te weten dat het einde geen afgesloten feit is. Daar gaat een verandering in denken aan vooraf. Het is geen klakkeloos aannemen van wat Stolp propageert en zelfs profeteert, maar ik kan wel meegaan in zijn beredenering en er inspiratie uit putten in dit leven. Hij gelooft in een hiernamaals, maar weet dat er geen hemel is zoals religieuzen aanhangen. Naar zijn idee, die algemeen als reïncarnatie te boek staat, gaat de gestorven persoon geestelijk door diverse fasen om uiteindelijk opnieuw op de aarde in het leven te verschijnen. Deze procedure beschrijft Stolp uitvoerig en dit is het meest interessante deel van het boek. De reis langs planeten en door werelden, het afleggen van krachten en het terugkijken op het geleefde leven. Het opklimmen en het neerdalen. Het ontvangen van nieuwe krachten en het vooruitzien in een te ontvangen leven. Niet een ieder keert meteen terug, er kunnen jaren of zelfs eeuwen overheen gaan voor men reïncarneert in een nieuw wezen en een vernieuwd zijn.
Stel je ervoor open en je zult weten. Geloof erin en put er moed en vertrouwen uit. Bereid je in het leven voor op de dood, zo draagt Stolp uit. Het leven wordt zoveel makkelijker wanneer je weet dat de dood niet het einde betekent. Je hoeft er niet in te geloven, het mag. Je kunt de redenatie van Stolp als fantasie van je af schuiven, maar het ook lezen als interessante levenswijsheid. Een wijsheid die liefde verkondigt, en daar kan niets op tegen zijn. De liefde waarmee de doden de levenden bijstaan. De liefde waarmee het leven de dood tegemoet gaat. Het boek mag een gids zijn naar de wonderlijke wereld na dit leven, mits je daarvoor open staat kun je aan de hand van Hans Stolp worden geloodst naar de overkant en terug.
Over het leven na de dood. Wat gestorvenen vertellen. Hans Stolp. Uitgeverij AnkhHermes, 2024.
'Over het leven na de dood' van Hans Stolp brengt troost, hoop en verbondenheid: we zijn nog steeds in contact met onze gestorven geliefden.
Hoe beschrijf je een verhaal dat geen woorden nodig heeft om verteld te worden? Dat enkel en alleen spreekt door beelden. Hooguit een inleidende regel heeft om toch vooraf een sfeer uit te drukken. Maar waarvan de taal beeldend is, of eigenlijk het beeld de taal is, de tekeningen de woorden zijn. Een verhaal dat je dus woord voor woord, plaat voor plaat kunt lezen. Het beeldende verhaal zou zelfs een storyboard voor een film kunnen zijn, zo gedetailleerd is de voortgang van de vertelling in beeld gebracht. Het opnamescript heeft dan nog aanwijzingen nodig voor de regisseur en de cameraman, maar de stemming is gezet en de opstelling vastgesteld, de plaats bepaald.
De graphic novel, ECHO van Remco Schoppert, is echter meer dan een blauwdruk voor een rolprent. Het is van zichzelf al min of meer een stopmotion film. Want laat de strip de figuratie niet bewegen, hoewel er veel actie is binnen de kaders, het suggereert dynamiek. De lezer, of zeg maar de kijker, voegt al ziende deze levendigheid toe en completeert zo het bevroren beeld. De figuratie heeft geen klanknabootsende woorden nodig, zoals je wel ziet in vooral klassieke comics als Batman en Spiderman: whoosh, vroom, smash, wham. In ECHO spreekt de handeling tussen de lijnen door en voelt de kijker het gedoe en de opschudding aan zijn water.
Zo'n verhaal, hoe omschrijf je dat? De woorden waren al onbruikbaar voor de tekenaar, hij kon het zonder doen. De alfabetische taal wisselde hij in voor visuele grammatica. Schoppert kan zo omschrijvend precies beelden dat ik stil val, de pen neerleg zonder te omschrijven. Ik kan wel een redelijke tekening maken, al zeg ik het zelf, maar zo beeldend het beeldverhaal in lijn en vlak uit te leggen is onbegonnen werk. Ik zal mij toch moeten beperken tot een definitie van het beeld in woorden. De tekening was en de taal is nu mijn medium om een verhaal dat zonder woorden is verteld uit te leggen. Zo dat mijn lezers kijkers worden om de grafische roman tot zich te nemen. Dat ik hen kan overhalen ECHO aan te schaffen en het verhaal van Remco Schoppert beeldend te lezen.
Het is zaak geconcentreerd de plaatjes te bekijken, de strip te volgen. En de gedachten mee te laten gaan in de flow van het verhaal om de idee van de kunstenaar te doorgronden. Niet meteen is deze duidelijk, het is een vertelling voor de lange adem. Om nog eens weer op te pakken en door te nemen, als een koffietafelboek vertrouwend op de afbeeldingen om de aandacht vast te houden. Zoals je een psychologisch getinte film meerdere malen moet bekijken om het plot te begrijpen. Schoppert wijkt meerdere malen van het pad af om terug te grijpen op het verleden. Die overgangen zijn niet meteen waarneembaar en geven de beeldende vertelling een mysterieuze sfeer. De strekking van het verhaal echter is universeel, het gevoel spreekt algemeen aan. Pijnlijke herinneringen en onzekerheid, afscheid en hereniging. Bewondering van zoon tot vader, zoektocht naar bevestiging. Loslaten, opnieuw beginnen.
De biografie van de man in het verhaal is triest en dat uit zich in met neerslag en modder doordrenkte platen. De strip is vrijwel zonder kleur. Enkel het geblokte vest van de hoofdpersoon en met een soort van logo betekende velletjes papier lichten geel op. Het is de kleur van het optimisme dat in de pessimistische druilerigheid van het verhaal als lichtpunt aan het eind van de tunnel dient. Maar geel symboliseert ook voorzichtigheid, een waarschuwing voor naderend onheil. Angstvallig blikt de hoofdpersoon in het verleden, minder behoedzaam gaat hij de toekomst tegemoet. Het verhaal hoef ik hier niet uit de doeken te doen, want de strip spreekt voor zich en moet gezien worden. Dat heeft geen woorden nodig en die zal ik op deze plek dan ook niet geven. Het is een verhaal echter van twijfel en ontzag. De echo van het verleden klinkt weer in het heden en galmt in de toekomst. De eerste en enige zin zet aan het begin de toon van het in 6 delen uiteenvallende verhaal. In mediatermen seizoen 1, 6 afleveringen.
Het is verleidelijk hier toch kort de sfeer en de verhaallijn neer te zetten, omdat het lot van de man zo aansprekend is. Zo invoelbaar is, hoewel het in leven en werken veraf staat. De beeldende vertelling zit zo goed in de inkt, het verhaal kan zo duidelijk zonder woorden, dat het een gangbaar relaas is met gevoelens en stemmingen die op vrijwel iedereen van toepassing zijn. Het is een verhaal dat zichzelf vertelt. Toch nog maar eens proberen, in de herhaling dus. Een (gefantaseerd?) relaas dat triest begint, over bergen en door dalen gaat - want het is eenzaam aan de top waarvan je diep kunt vallen. Er is geluk en tegenslag, een zoektocht naar bevestiging van zowel de vader in crime als de zoon in quest. Het verleden kan zeer doen, bloedende sporen achterlaten. Maar vergeven is nog geen vergeten. Wat doe je om gehoord te worden door de bureaucratie die je plat walst en de grond instampt. Wat doe je wanneer je bestaan dreigt weg te zakken, de opbouw dreigt te verzakken, te verdwijnen in een moeras van de vooruitgang. Een verlaten pompstation, ooit met vlag en wimpel en veel tromgeroffel geopend, moet wijken voor een betonnen kunstwerk dat de oevers verbindt. Er is protest en een vermeende moord. De tegenstand leidt schipbreuk en waar het start met water eindigt het ook zo. Het einde zal ik hier niet onthullen, want dan is de lol eraf.
Tussendoor trekt een tekening of meerdere daarvan de rode draad door het verhaal, of in dit geval een gele lijn. De spiegeling van een gezicht op het wateroppervlak is het beeldmerk van het verhaal: “In het water zit hij voor eeuwig gevangen, stilte is zijn lot.” De man komt uit het water en verdwijnt erin terug. De zoon leeft nog lang en gelukkig met vrouw en kinderen, maar ondanks de pret knaagt het verleden. Een psychologische thriller van het beste soort. Met uitgewerkte tekeningen, die dynamisch blijven in gedetailleerde uitdrukking. Het is de sfeer hangend tussen lijn en vlak die het verhaal woordloos vertelt. De verhaallijn wordt uitstekend vast gehouden hoewel er meerdere keren ineens over de schouder wordt terug gekeken. Dat vergt aandacht en concentratie, dat maakt opmerkzaam en oplettend.
Zo gedacht en geschreven, bedenk ik me paradoxaal, heeft geen enkel beeldend kunstwerk woorden nodig. Hoogstens een uitleggende titel of een richting gevend kort commentaar. Van de kunstenaar zelf wel te verstaan. Want deze is de enige die kan oordelen en achtergrond duiden. De recensent behoeft daar niets meer aan toe te voegen. Het verhaal zit al in het beeld besloten. De mond kan dicht, de pen kan neer. Punt.