Beschouwing omtrent invorderingen en inhoudingen van het rijbewijs
Invordering
Onlangs stond ik een cliënt bij waar het rijbewijs van was ingevorderd.  Bij een alcoholcontrole bleek namelijk dat hij met een slokje teveel achter het stuur was gekropen. Wanneer de politie overgaat tot invordering van het rijbewijs, is het voor de betrokkene vanzelfsprekend niet meer mogelijk om het voertuig in kwestie te bestuderen. De politie kan tot invordering van het rijbewijs overgaan wanneer zich twee omstandigheden voordoen. Allereerst is invordering mogelijk als naar aanleiding van een alcoholonderzoek vast is komen te staan dat het wettelijk toegestane alcoholpromillage is overschreden, te weten 570 ug/l. Voor beginnende bestuurders is dit 350 ug/l. Ook bij weigering om aan een alcoholonderzoek mee te werken kan het rijbewijs worden ingenomen. Een tweede mogelijkheid van invordering is wanneer er een dusdanige overtreding wordt begaan wat tot gevolg heeft dat de algemene verkeersveiligheid niet meer kan worden gewaarborgd.  In casu was er overigens een alcoholpromillage van 595 ”g/l  gemeten. De uitkomst van deze kwestie wordt besproken.
Inhouding
Wanneer de politie het rijbewijs heeft ingevorderd rust er op hen de verplichting om het rijbewijs binnen drie dagen naar de officier van justitie te zenden. De officier van justitie dient vervolgens binnen een termijn van tien dagen te beslissen of het rijbewijs voor een langere periode dient te worden ingehouden. Anders dan de termijn van drie dagen is de termijn van tien dagen voor de instandhouding van de invordering fataal. Bij overschrijding van die termijn is de officier van justitie gehouden om het rijbewijs terstond aan de rechthebbende terug te geven.
In dit geval laat de officier van justitie na om binnen de wettelijke termijn te beslissen.
Dit termijn vangt overigens aan vanaf de dag dat het rijbewijs in de handen van de opsporingsambtenaar is gekomen. Op deze termijn is de Algemene Termijnen Wet van toepassing. Kort houdt dit in dat als de tiende dag eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, de termijn wordt verlengd naar de eerstvolgende dag welke niet op een zodanige dag valt.
De officier van justitie had het rijbewijs in dit geval dus terstond aan de betrokken moeten terug geven. Dit is echter niet gebeurd. Tot overmaat van ramp voor betrokkene heeft de officier van justitie op dag elf besloten om het rijbewijs voor een periode van zes maanden in te houden. Opvallend is dat dit termijn van zes maanden voor de officier van justitie overeenkomst met het  wettelijk maximaal wat de officier van justitie in zulke gevallen kan instellen. Dit houdt dus in dat de officier van justitie, bij passief handelen van de betrokkene, de gang naar de rechter met maar liefst 26 weken kan vertragen.
Het is voor de betrokkene van belang om spoedig te handelen. De oplossing is het opstellen van een (pro forma) bezwaarschift en deze te richten tot de rechtbank van het arrondissement waar de invordering heeft plaatsgevonden. In casu is cliënt binnen drie werkdagen door de rechter gehoord.
De toets
De officier van justitie is gehouden de inhouding van het rijbewijs aan twee cumulatieve voorwaarden te toetsen. Allereerst het bloedonderzoek. Uit dit onderzoek moet blijken dat in het bloed van betrokkene meer dan 785 ug/l (1.8â°)  alcohol is gevonden. In casu is daar ruim aan voldoen. De tweede voorwaarde is het recidivecriterium. In het voetspoor van vaste jurisprudentie  dient telkens wanneer over (verdere) inhouding moet worden beslist, bezien te worden of op grond van bepaalde feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het artikel over rijden onder invloed zal begaan. Zeer van belang is in dit verband om te weten dat de wetgever zich baseert op de resultaten van een onderzoek, waaruit gebleken is dat er een relatie bestaat tussen de hoogte van het geconstateerde AAG en de kans op recidive. (bron van het onderzoek is: C. van der Werff, Recidive 1977, WODC nr. 67, 1986, blz. 17 e.v.) Dit wettelijk vermoeden wordt dus aanwezig geacht indien uit het onderzoek van de uitgeademde lucht blijkt dat het AAG van de bestuurder hoger is dan 785 ÎŒg/l (=1,8â°) dan wel, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het AAG van de bestuurder hoger is dan 785 ÎŒg/l (=1,8â°).Â
In deze casus kon middels deze constructie aannemelijk worden gemaakt en was aannemelijk dat er geen sprake is van een wettelijk vermoeden van recidive, omdat er bij client een een beduidend lager AAG is gemeten dan 785 ÎŒg/l (=1,8â°), te weten 595 ÎŒg/l (=1,369â°). De rechter ging in casu met deze redenatie mee. Punt van aandacht is dat indien uit het ademonderzoek niet blijkt respectievelijk er geen ernstig vermoeden bestaat dat sprake is van een AAG van meer dan 785 ÎŒg/l (=1.8â°) de officier van justitie slechts tot inhouding kan besluiten indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een soortgelijke feit zal begaan. Aanwijzing van het bestaan van een zodanig gevaar voor recidive zal ontleend kunnen worden aan eerdere processen-verbaal of veroordelingen wegens alcoholdelicten, eerder opgelegde rijverboden, alsook aan de omstandigheid dat de betrokken bestuurder bekend staat als frequent gebruiker van alcohol en/of drugs of andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen beĂŻnvloeden. Volgens de richtlijn van het OM wordt aan deze voorwaarde voldaan indien tegen de bestuurder in een periode van 5 jaar voorafgaande aan de invordering twee of meer keren proces-verbaal is opgemaakt of hij onherroepelijk is veroordeeld dan wel hem een transactie in een soortgelijke kwestie is aangeboden. In casu was dit niet het geval.
Bij de beoordeling van een invordering en inhouding van het rijbewijs is het van belang om helder te hebben dat deze sanctie geen staf jegens de betrokkene is, maar moet worden bezien in het licht van een speciaal-preventieve maatregel. De ratio van deze maatregel is om de veiligheid van de weg te waarborgen. De beslissing tot inhouding is dus  geenzins een 'determination of a criminal charge', als bedoeld in artikel 6 eerste lid EVRM. Gelet op het ingrijpende karakter ervan zullen echter noch invordering noch inhouding ter vrije beoordeling van politie en OM kunnen staan en te allen tijde door de rechter moeten kunnen worden getoetst. Blijkens de jurisprudentie is daarnaast inhouding van het rijbewijs alleen in zeer ernstige gevallen toegestaan. (zie: HR 12 oktober 1976,NJ 1977, 66)
Naleiding
Uit de rechtsgeleerde literatuur en de jurisprudentie blijkt ontegenzeggelijk dat de ratio van de invordering (en inhouding) van het rijbewijs niet is gericht op het âstraffenâ van de bestuurder, maar is gericht op de bescherming van overige verkeersdeelnemers. De rechter heeft in casu beslist dat de invordering en inhouding  van het rijbewijs door de officier van justitie voor een periode van 26 weken  in afwachting van de strafzaak niet houdbaar is en heeft de officier van justitie bevolen om het rijbewijs terstond aan cliĂ«nt te overhandigen. Gezien de huidige stand van de jurisprudentie lijkt mij dit de enige conclusie die in casu kan worden getrokken.
Deze casus duidt mijns inziens op een voorbeeld van min of meer âdetournement de pouvoisâ oftewel misbruik van bevoegheden door de officier van justitie. En dan doel ik op het uitstellen van de rechtsgang voor de wettelijk maximale periode van 26 weken door de officier van justitie. Zij het opgemerkt; in een casus waar de feiten ontegenzeggelijk vaststaan. Het rijden onder invloed keur ik geenzins goed. Temeer omdat ik dit een verwerpelijke gedraging vind waar hard tegen zou moeten worden opgetreden. Maar de officieren van justitie zullen het met mij hartelijk eens zijn, of misschien ook niet, dat het zeker niet de bedoeling is dat maatregelen die hoofdzakelijk de algemene preventie van het verkeer dienen worden ingezet om de betrokkene te straffen.Â