Van uitgebuit tot afgedankt
(Photo: Pieter van den Boogert)
Een jonge Nederlandse fotograaf brengt in beeld hoe onze kleren zo goedkoop kunnen blijven en wat er gebeurt als we ruimte in onze kasten maken voor de nieuwste mode.
De steden Dhaka en Chittagong vormen het hart van de Bengaalse kledingindustrie. Hier begon fotograaf Pieter van den Boogert (1985) aan zijn zoektocht naar de oorsprong van onze chino's en sweaters. Tijdens zijn stage bij fotojournalist Kadir van Lohuizen kwam hij in contact met een medestudent uit Bangladesh. Diens oom had een kledingfabriek in Dhaka; hij wist deuren voor de fotograaf te openen die anders gesloten waren gebleven. Van den Boogert kreeg, telkens na plechtig theedrinken met de directeur, in verscheidene fabrieken toestemming om foto's maken. 'Van journalisten houden ze niet echt in de Bengaalse textielindustrie,' merkte Van den Boogert. 'Een Amerikaanse reporter die ook bij een fabriek naar binnen wilde, kreeg meteen de geheime dienst op bezoek. Ik stelde me dus elke keer voor als kunstacademiestudent zonder journalistieke aspiraties.'
Via een lange trap zette Van den Boogert voet in de eerste fabriekshal, die hoog boven de omliggende huizen uittorende. Gesluierde vrouwen waren druk in de weer achter rijen naaimachines. 'Werknemers zijn in deze fabriekshal radertjes in een machine, ze lijken bijna geen mensen meer.' Af en toe liep er een floormanager langs. Zijn taak: er scherp op toezien dat de werknemers hun productiequota haalden. Van den Boogert: 'Omdat ik mensen op de werkvloer niet mocht spreken, ging ik thuis bij ze langs. Wat ze aan mij vertelden, ging voornamelijk over geld: ze waren ervan bezeten. Niet heel vreemd, als je bedenkt dat de meesten in bittere armoede leven.' Zelfs enkele kinderen van een jaar of twaalf moeten in de fabriek hun steentje bijdragen, vertelt de fotograaf. 'Voor de meeste gezinnen is er simpelweg geen andere keus.'
Na een twaalf uur lange werkdag komen de elektrische naaimachines tot stilstand. Einde shift. Althans, voor de mensen die niet hoeven over te werken; een groot aantal moet door tot in de late uurtjes. De flikkerende tl-buizen, die vanaf de straat te zien zijn, verraden de 'ruime werktijden'. Collega's die wel naar huis mogen, vertrekken naar een van de vele sloppenwijken. Dhaka is een van de dichtstbevolkte steden ter wereld; meer dan de helft van de mensen woont in een slum.
H&M en C&A
In de textielhandel gaan wereldwijd jaarlijks honderden miljarden om. Nederland importeerde in 2008 voor zeven miljard euro aan kleding, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Veel van die kleding werd verkocht via bekende modeketens zoals H&M en C&A. Deze bedrijven laten een groot deel van hun productie uitvoeren in Aziatische lagelonenlanden, zoals Bangladesh, waar op dit moment anderhalf tot twee miljoen mensen in de kledingindustrie werken. 'Om de wereldwijde concurrentie aan te kunnen, houden Bengaalse bedrijven de lonen laag,' zegt Van den Boogert. De lonen behoren tot de laagste ter wereld. In geval van protest dreigen eigenaren hun werknemers met sluiting of verhuizing van de fabriek. Textielarbeiders moeten vaak onbetaald overwerken. Door gebrekkige naleving van de veiligheidsvoorschriften vinden bovendien regelmatig ernstige incidenten plaats. In december vorig jaar brak er brand uit in een fabriek die levert aan grote afnemers als GAP en Wrangler. Achtentwintig werknemers konden niet op tijd wegkomen.
Afvalberg
Het drieluik What We Wear is onderdeel van Van den Boogerts afstudeerproject aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (KABK) in Den Haag. Hij bracht de mondiale kledingketens in beeld: van de naaiateliers in Zuidoost-Azië tot aan de textielmarkten aan de Afrikaanse Goudkust. Eerder maakte hij de serie DDR Zeitgeist, over het commerciële gebruik van het DDR-verleden in de huidige Bondsrepubliek. De rode draad in zijn prille loopbaan vormt de vraag hoe mensen en hun idealen door bedrijven kunnen worden misbruikt. 'Ik ben als fotograaf geboeid door de schaduwkanten van onze welvaart.'
Op een van de foto's is een grote afvalberg met tweedehands kleding te zien die in een vochtige loods ligt te wachten op verscheping naar Afrika en Oost-Europa. Volgens Van den Boogert het resultaat van onze consumptieverslaving: 'Omdat mensen zo goedkoop mogelijke kleding willen hebben, ontstaan grote overschotten.'
Boosdoeners zijn volgens hem modeketens die met hun reclameslogans Nederlanders verleiden tot het kopen van jaarlijks miljoenen kilo's aan spijkerbroeken en T-shirts. Een groot deel ervan belandt uiteindelijk in containers, geplaatst door goede doelen. Na inzameling verkopen zij de kleding aan commerciële sorteerbedrijven in Nederland, Litouwen en andere landen. Die sorteren de kleren en verkopen die vervolgens weer door aan handelaren op bijvoorbeeld de Kantamanto Market in Accra, Ghana. Wat op de bazaar niet wordt verkocht, blijft beschimmeld achter op de vuilnisbelt of komt in handen van daar rondscharrelende koopjesjagers. Dan is de kledingkaravaan eindelijk op de plaats van bestemming: een Afrikaanse stortplaats, ver buiten ons gezichtsveld.
Zie voor meer informatie op de blog van Pieter van den Boogert.
gepubliceerd in Vrij Nederland, 16 juli 2011.







