Meedoen op het wereldtoneel, mét behoud van soevereiniteit. Tot voor kort, schrijft historicus Mark Mazower, was het de grondtoon van het denken over de wereld.
De Amerikaanse president Woodrow Wilson reisde in 1919 af naar het door oorlog verscheurde Europa. In Genua, de geboortestad van Christoffel Columbus, hield hij een toespraak. 'Het is een plezier,' zei de president, 'om deelgenoot te zijn van het realiseren van de idealen waaraan hij zijn leven heeft gewijd.' Wilson doelde niet op Columbus, maar op diens stadsgenoot, de architect van Italië en apostel van het nationalisme Giuseppe Mazzini (1805-1872).
De Italiaan speelt een belangrijke rol in Governing The World van historicus Mark Mazower. Fraai beschrijft hij erin de opkomst en ondergang van het streven naar internationale samenwerking.
Daarbij prikt hij een reeks hardnekkige mythes door. Een ervan is de suggestie - vaak gedaan door conservatieven - dat meedoen op het wereldtoneel ten koste gaat van nationale soevereiniteit. Volgens de Brit is het tegendeel waar: vanaf de negentiende eeuw gingen nationalisme en internationalisme hand in hand.
Mazzini was een voorbeeld van zo'n denker die beide idealen met elkaar wist te verenigen. Rond het roerige jaar 1848, toen Europa werd opgeschrikt door het revolutionaire spook, was de schrijver en activist een intellectuele superster. Zijn pleidooi voor een natiestaat met universeel kiesrecht en sociale gelijkheid kreeg veel navolging. Onder exiles, radicalen en nationalisten was hij een graag geziene gast. Maar hij was eveneens voorstander van internationale samenwerking. Tegenover het 'reactionaire' Concert van Europa, een diplomatiek consultatiebureau van Europese grootmachten opgericht na de val van Napoleon in 1815, stelde hij dat regeringen op gelijke voet hoorden samen te werken en dat het afgelopen moest zijn met duistere deals.
Mondaine Paasheuvel
Vanaf de sixties van de negentiende eeuw ontstond een revolutie in het politieke denken. Het 'internationalisme' nam een ware vlucht: evangelische christenen, vrijhandelsutopisten, vredesactivisten, en zo verder. De tewaterlating van het eerste stoomschip symboliseerde het begin van een nieuwe tijd, waarin continenten samensmolten en activisten, zakenlieden en intellectuelen uit alle delen van de wereld met elkaar in contact raakten. De telegraaf sloot Europese hoofdsteden aan op overzeese metropolen: een bericht vanuit Amsterdam was sneller in New York dan in Stadskanaal. De wereld werd kleiner en daarmee maakbaar, in de ogen van wereldverbeteraars als Mazzini.
Het woord 'internationalist' gold lange tijd als verwijzing naar het Rode Gevaar, zo bepleitten Marx en Lenin al vroeg een communistische tegenhanger. De Internationale kreeg uiteindelijk vorm in 1864 en mondde later uit in een soort mondaine Paasheuvel, de Komintern.
Een van Lenins belangrijke tegenstrevers was Woodrow Wilson. De president was net als Mazzini een groot voorstander van zelfbeschikking. Zijn beroemde 'veertien punten'-speech uit 1918 zou de fundering leggen voor de latere Volkenbond. Wilsons bijnaam was in die tijd 'God van de Vrede'. Maar in de jaren dertig viel zijn droom in duigen. Met de opkomst van het nazisme en de falende economische aanpak van de Depressie door de Bond leek zijn geesteskind ten onder te gaan. Zelfbeschikking leidde in broeierige melting pots niet tot vrede, maar tot rampspoed. Toch was dit niet het eindstation voor de Bond. Tijdens de Tweede Wereldoorlog onderging die een metamorfose: de inboedel werd vanuit Genève overgevlogen naar New York en uitgezonden soldaten in 'conflictgebieden' (het nieuwe jargon) gingen voortaan blauwhelmen heten. De Verenigde Naties waren geboren.
Het traumatische einde van het Europese imperialisme en de opkomst van Amerika waren niet de nekslag van de VN; die maakte door de dekolonisatie en het begin van de Koude Oorlog juist een doorstart. Het aantal landen groeide vanaf die jaren explosief: elk kalenderjaar moesten er nieuwe stoeltjes worden bijgezet in de hal van de Algemene Vergadering. Vanaf 1961, na de tweede dekolonisatiegolf, zou de Derde Wereld de raad volledig domineren.
De huidige malaise in het Westen valt volgens Mazower te verklaren door de opkomst van het neoliberalisme uit de jaren zeventig. Het unilateralisme van de regering-Bush zorgde dat de VN en de mensenrechten volledig uit de mode raakten. En de droom van een Verenigde Staten van Europa is intussen uitgelopen op een Griekse tragedie en heeft de democratische natiestaat volledig uitgehold. De boosdoeners volgens Mazower: onze laffe politici en de 'Brusselse elite'. Dat is een pittige stelling. Een uitgebreide onderbouwing ontbreekt helaas: slechts twintig van de meer dan vierhonderd pagina's gaan specifiek over Europa. Niettemin biedt Governing The World veel stof tot nadenken, vooral in een tijd van Arabische Herfst en falende diplomatie.
Mark Mazower, 'Governing The World. The History of an Idea', The Penguin Press, 416 p., € 25,99
Een minuscuul plaatje, meer is een boekcover op Amazon niet. Op de Kindle is het omslag zelfs bijna verdwenen. Alleen liefhebbers lijken bij de aanschaf van een e-boek nog te letten op het digitale dust-jacket.
‘Voor de hardcover blijft een markt’, beweert Chip Kidd, die als designer werkte voor John Updike en Haruki Murakami. ‘Covers zijn de naamplaatjes op een singlesavond. Je loopt naar iemand toe begint met die persoon te praten.’ Zijn kleurrijke speech op een TED-conferentie sloeg aan bij het publiek. Maar de door hem aangedragen oplossingen zijn niet radicaal genoeg, menen collega’s.
Silicon Valley-blogger @craigmod, die eerder schreef voor de Old Gray Lady en nu blogt over de haute couture van de cover, pleit voor een nieuwe omgang met het boekomslag. ‘The covers are dead! Dead! Dead like the record jacket! Dead like the laser disc sleeve! Dead like the 8-track cartridge sticker! Dead like the squishy Disney VHS container! Dead like the cassette tape insert! Dead like those damned CD jewel cases and their booklets! Dead like DVD and Blu-ray box art!’ Het einde van het dust-jacket hoeft volgens Mod niet het einde te zijn van zijn professie: de cover is dood, lang leve de cover!
Mods revolutionaire voorstel liegt er niet om: we moeten omslagen hacken. Met de komst van het e-boek kan de inhoud - inclusief omslag - ieder moment aangepast worden. De kosten van een nieuw ontwerp zijn laag, simpel te verspreiden, en als lezer ontvang je tijdig een bericht wanneer er een update (of aanbieding) is. Een nieuwe marketingtool is geboren, meent Mod.
Ook predikt hij een nieuw evangelie voor designers, waarbij de vormgeving de gehele tekst beslaat, van begin tot eind, als een Gutenbergbijbel. Als voorbeeld noemt hij Frank Chimero’s laatste e-boek, waarin zijn typografie op iedere pagina herkenbaar is, en de allure heeft van een volwaardige omslag.
Maar is het een ideale oplossing te noemen als je tijdens het lezen plotseling gestoord wordt met reclame voor een ander boek? ‘Absoluut niet’, geeft Mod ruiterlijk toe. Maar het is als een revolutionair die het Ancien Régime wil omverwerpen: ‘Willen we iets veranderen, dan moeten we onze grenzen verleggen.’ Desnoods met (virtueel) geweld.
Een studie in de VS is voor Chinese tieners het hoogste doel. Talloze bureautjes loodsen ze voor grof geld een topuniversiteit binnen.
Bij de ingang van de beroemde campus staat een groep Chinese scholieren in de zomerse hitte. Het bordje van de gids verraadt de bestemming: Princeton University. De monumentale campus van de universiteit, op een uur rijden van New York, vormt deze zomer het decor van talrijke Chinese zomerkampen.
Tienduizenden Chinese tieners gaan in twee weken langs de beste universiteiten van de VS, waaronder Harvard en California Tech. Ze hebben maar één doel voor ogen: over een paar jaar studeren aan een Amerikaanse topuniversiteit.
Door het economische hoogtij en de hogere yuan-koers kunnen steeds meer Chinese ouders hun kroost in Amerika laten studeren. ‘De groei van het aantal Chinese studenten is de laatste vijf jaar dramatisch’, zegt China-kenner Tom Melcher. De komende jaren verwacht hij een toename van 20 á 30 procent.
Voor veel Chinese ‘tijgerouders’ staat een diploma van Princeton gelijk aan een glansrijke carrière. Dit in tegenstelling tot Chinese universiteiten, die door de massale toestroom van studenten flink in achting zijn gedaald. Kroonprins Xi Jinping liet zijn dochter aan de Harvard University studeren.
Een driejarige bachelorstudie aan Princeton, inclusief leefgeld, kost meer dan 150.000 dollar (121 duizend euro). Voor veel Chinese studenten blijkt dat geen obstakel. In het academisch jaar 2010-2011 studeerden 157.558 Chinezen aan Amerikaanse colleges: een groei van 20 procent in vergelijking met het jaar ervoor, meldt het onafhankelijke Institute of International Education. Het aantal Chinezen dat koos voor een bachelor groeide met meer dan 40 procent. Bij studies zoals bedrijfskunde zijn Amerikaanse studenten al veruit in de minderheid.
Deze groeiende bron van inkomsten voor Amerikaanse onderwijsinstellingen heeft een keerzijde: misleiding, fraude, belastingontduiking. Omdat ouders bereid zijn tienduizenden dollars neer te leggen, liggen profiteurs en fraudeurs op de loer. Zij weten via schimmige praktijken Chinese kinderen binnen te loodsen bij topuniversiteiten, tot groot ongenoegen van Amerikaanse studenten. Zij maken zich zorgen over de groeiende aanwezigheid van clubjes Chinezen op de campus. Een gebogen man slalomt tussen de kinderen door bij de ingang van de campus. Zijn naam is Wan Yunkai (64), de eigenaar van het Beijing Neo-Linde Training Center, dat de rondleiding verzorgt. Jaarlijks organiseert zijn bedrijf – waarvan China duizenden gelijksoortige kent – drie zomerkampen.
Elke zomer neemt Yunkai negentig kinderen onder zijn hoede. Concurrenten als New Oriental leiden jaarlijks meer dan tienduizend kinderen rond. Tijdens het zomerkamp bezichtigt de groep niet alleen universiteiten: ook wordt een bezoek gebracht aan de beroemdste plekken van Amerika, zoals het Witte Huis.
Beijing Neo-Linde gaat af en toe wel creatief om met de waarheid. Zo staat op een van de websites dat deelnemers ‘Amerikaanse professoren’ te spreken krijgen. Princeton zegt van niets te weten en wijst op diens eigen, gratis tours voor bezoekers. Beijing Neo-Linde laat weten dat alleen mensen van buiten de universiteit lezingen geven.
Verder zijn er foto’s te zien van breed lachende, Chinese tieners op Princeton. De boodschap lijkt duidelijk: een zomerkamp brengt je dichter bij een studie in Amerika. Volgens experts klopt hier niets van. ‘Deze kampen helpen totaal niet bij het vergroten van je kans op toelating’, zegt Melcher, zelf de directeur van Kemeixin, een Chinees bedrijf dat studenten met Amerikaanse ambities bijstaat. Een woordvoerder van Beijing Neo-Linde geeft toe dat de tours inderdaad niet helpen bij de toelatingsprocedures.
De winstmarges van de rondleidingen zijn relatief klein. ‘Agenten verdienen veel meer geld met andere diensten’, zegt Chinakenner Melcher. Hij doelt op het werk dat bedrijven als Beijing Neo-Linde verrichten bij de toelatingsprocedure voor Amerikaanse universiteiten. Voor deze hand- en spandiensten gaat de portemonnee ver open. Bij Beijing Neo-Linde kost het ongeveer 15 duizend dollar. Met de rondleiding erbij stopt de teller rond een bedrag van 21 duizend dollar: 17 duizend euro. Dan is er nog geen cent collegeld betaald. Bovendien is de kans op toelating tot de universiteit klein. Eind maart maakte Princeton bekend dat nog geen 8 procent van de meer dan 26 duizend aanmeldingen waren goedgekeurd.
In 2010 schreef Melcher een geruchtmakend rapport voor het adviesorgaan Zinch China over deze bloeiende industrie. Op basis van interviews kwam hij tot een harde conclusie: liefst 90 procent van alle referentiebrieven, 70 procent van de essays, en de helft van alle cijferlijsten van Chinese studenten waren vervalst.
17 miljard euro
Dat is volgens hem het werk van bedrijven als Beijing Neo-Linde. ‘Veel van de Chinese applicaties zijn volledig ge- schreven door derden. Zorgwekkend.’ Beijing Neo-Linde ontkent dat het aan fraude doet, maar geeft wel toe dat het essays ‘aanpast’ en dat professor Wan Yuankai ‘af en toe’ referentiebrieven schrijft voor klanten.
Per jaar leveren internationale studenten – van wie bijna een kwart Chinees – de Amerikaanse universiteiten 17 miljard euro op, berekende onlangs het Institute of International Education. Hoewel onder Amerikanen angst leeft voor de opkomst van China, is de groei van de Chinese economie van levensbelang voor het land. Zeker voor Amerikaanse universiteiten die kampen met opdrogende inkomstenbronnen en forse bezuinigingen.
De tour nadert zijn einde bij de campusingang aan de Nassaustraat. De kinderen verzamelen zich bij de bus, onder wie Lu Yanting (17). Zij is samen met haar ouders overgevlogen. Dit is haar tweede reis: vorig jaar bezocht ze onder meer Columbia University in New York. Achter het meisje staan haar ouders, die zelf ook betalen voor hun deelname, geconcentreerd mee te luisteren. ‘Je kan gewoon eerlijk antwoorden’, zegt haar moeder. Lu kijkt weg. Na enig aandringen vertelt ze dat ze eigenlijk architectuur wil studeren, in plaats van financiële economie, wat ze een ‘veilige optie’ noemt. ‘Ik wil dolgraag naar Amerika.’
Binnenkort ook in dit theater: 'Algebra, The Movie'
Wereldberoemde professoren die via YouTube reclame maken voor hun vakken. Voor Nederland nog ongekend, aan Harvard al een paar jaar gemeengoed.
Een reusachtige beer laat zijn kalkwitte hoektanden zien. Voor hem staat een bosje behaarde mannen, gewapend met enkele speren, en angstig kijkend naar de voor hun uittorende bruine kolos. In het volgende shot doemt een wild uitgedoste neanderthaler op, wegrennend voor een vlug naderende neushoorn. Op de achtergrond klinken popdeuntjes, vergezeld van een Attenborough-stem die toelichting geeft.
Deze mise-en-scène heeft alles weg van een trailer voor een nieuwe BBC-serie over de evolutie van de mens. Helaas – voor de fans. Het fragment komt uit een zogenaamde ‘course trailer’ of ‘video feature’, een promo- tiefilmpje gemaakt door Dan Lieberman, een evolutieprofessor aan Harvard University.
Met behulp van digitale uithangborden, voorzien van klinkende geluidsovergangen en pakkende snapshots, weet – met hem tientallen andere Harvard-docenten – de belevingswereld van twintigers te raken.
‘In het begin had ik gemengde gevoelens om mijzelf op die manier aan te prijzen’, vertelt Lieberman, die zijn filmpje samenstelde door shots uit bestaande documentaires en films aan elkaar te knipplakken. Lieberman is evolutionair bioloog (‘The Barefoot Professor’) aan Harvard en doet onderzoek naar de kunst van het hardlopen. ‘Maar het bleek eigenlijk enorm mee te vallen. Deze korte films zijn een manier om studenten te bereiken via de YouTube-stijl waaraan ze gewend zijn.’
Hoogleraren en docenten spelen steeds vaker de hoofdrol in hun eigen onlinevideo’s. Sinds kort is er bijvoorbeeld Coursera, een educatief platform waarop leken kostenloos een onlinecollegereeks kunnen volgen. MIT en Harvard lanceerden vorige week het e-auditorium edX. De twee universiteiten verwachten minimaal een half miljoen bezoekers voor hun virtuele colleges. Die zijn gratis te volgen, maar wie een diploma wil, zal toch echt collegegeld moeten betalen. Feitelijk zijn de onlinecolleges dus reclamespots voor het echte werk.
Het idee om daarbovenop een academische promofilm te maken is enkele jaren terug geboren, in 2008. ‘Het zou arrogant zijn om te beweren dat wij de eersten waren’, zegt Harvard-decaan Stephanie Kenen heel bescheiden. Te bescheiden, want iedereen beaamt dat Harvard de eerste was. De uitvinder was Shigehisa Kuriyama, een japanoloog. Hij maakte zelf een promofilmpje voor zijn college en vroeg van zijn studenten om er zelf ook eentje samen te stellen.
Een nieuwe rage was geboren; inmiddels zijn de course trailers het gesprek van de dag in de Amerikaanse academia. ‘De president van Harvard, studenten en hun ouders; iedereen vond het geweldig’, vertelt decaan Kenen. ‘Trailers zijn interactiever en passen beter bij de belevingswereld van studenten dan een vakbeschrijving van honderd woorden. Studenten leven in een digitaal universum. Ouders kregen de kans om te zien waarmee hun kinderen bezig zijn, terwijl studenten met eigen ogen kunnen zien waaruit ze kunnen kiezen.’
Navolging
Het initiatief kreeg navolging aan Harvard: sinds 2009 kent men een eigen promofilmprogramma. Docenten kunnen met de hulp van een video-expert reclamefilms maken voor hun vakken – ook daarvan staan er al enkele tientallen online.
Afgelopen jaar maakte het studentenblad The Harvard Crimson een top drie van de beste promo’s. De winnaar was niemand minder dan Niall Ferguson, de Hollywood-historicus van Harvard. De winnende film is een remake van zijn documentaire uit 2006, The War of the World. Ferguson speelt zelf de hoofdrol, terwijl een aaneenschakeling van explosies en iconische beelden dient als decor. Een recept voor succes: de Schot trekt volle zalen in Cambridge.
Harvard begint navolging te krij- gen van andere (Amerikaanse) universiteiten. Twee jaar terug hoorde ook Trent Dougherty, een filosofieprofessor aan Baylor University – niet ver van Dallas – van de ontwikkelingen. ‘Ik was meteen enthousiast en begon een experiment om studenten beter te informeren over mijn vakgebied.’
Het maken van de film voor zijn college kostte ongeveer twee dagen. Zijn trailer ging over het gedachtengoed van C.S. Lewis – onder twintigers vooral bekend als kinderboekenschrijver. ‘Hierdoor hadden eerstejaarsstudenten vaak verkeerde verwachtingen. Met deze promofilms wilde ik ze meer informatie verschaffen over Lewis’ intellectuele visie. De trailer had geen revolutionair effect, maar er was een merkbaar verschil in het aantal studenten dat zich thuisvoelde bij mijn col- lege.’
Of zijn deze trailers slechts een goedkope truc om studenten naar de lege collegebankjes te lokken?
Dougherty zegt zonder enige schroom: ‘Over aandacht had ik nooit te klagen: mijn colleges liepen altijd vol. Mijn doel was niet het aantrekken van meer, maar juist van betere studenten.’
De hoogleraar is voorlopig nog een eenzame pionier in Texas. ‘Sommige collega’s begrepen er helemaal niets van. Al vonden ze het geweldig om te zien dat ik studenten op een nieuwe manier probeerde te benaderen.’
Aan de West Chester University in Pennsylvania zijn ze al een paar stappen verder. Op de website is inmiddels een heel scala aan trailers te vinden, variërend van The Chemistry of Beer tot eentje voor een college conflictoplossing.
Initiatiefnemer van dit project is mediaprofessor Michael Boyle. Voor collega’s in Nederland heeft hij een tip: ‘Je hoeft geen film te maken die bol staat van special effects en andere geavanceerde technologie. Het gaat uiteindelijk om de kwaliteit van je boodschap en de manier waarop je dat verkondigt. Maar bovenal: blijf jezelf. Je wilt studenten namelijk niet teleurstellen.’
Een verzekeraar betaalde in 1991 losgeld voor een gestolen Frans Hals en Van Ruisdael. Nu zijn de kunstwerken opnieuw ontvreemd.
Op de overloop hoorde hij het hout kraken, voetstappen kwamen dichterbij. Samen met zijn vrouw zat hij rechtop in bed: plots ging het grote licht van de slaapkamer aan. Ze keken recht in de loop van een revolver. De overvaller waarschuwde: 'We komen de Frans Hals halen, draai je om, als je rustig blijft, gebeurt er niets, geen gein want er zijn vrouwen gegijzeld.'
Ze draaiden zich op hun buik, met hun handen gekruist op de rug. De polsen van het echtpaar werden strak vastgebonden. Verderop lag in een slaapkamer een andere bewoonster vastgebonden aan haar bed - met plastic tape over haar mond.
Onder bedreiging van een vuurwapen moest de beheerder - wiens polsen ondertussen vrijgemaakt waren - de alarminstallatie uitschakelen. Daarna liepen ze samen de trap af, richting de toegangsdeur van het museum. Binnen hing De twee lachende jongens van Frans Hals. Geschatte waarde: vijf miljoen gulden. Na enig gewrik kreeg de dief het schilderij van de wand. 'Ik neem ook de Jacob van Ruisdael mee,' riep hij zijn gijzelaar toe. Hij doelde op het schilderij Bosgezicht met bloeiende vlier van de Haarlemse kunstschilder. Op een onbewaakt moment zag de beheerder kans om de alarmknop in te drukken.
De politie spoedde zich richting het Hofje, maar was te laat. Via de tuindeur wist de man te ontsnappen; om de hoek stond een vluchtauto geparkeerd. De dief stopte de schilderijen in de kofferbak, waarna de wagen verdween in de nacht.
De verklaring die beheerder Jo Slieker aan de politie aflegde van wat er op die nacht van 13 oktober 1988 gebeurde in het Leerdamse museum Hofje van Aerden, leest als een misdaadroman. Alle ingrediënten voor een bestseller zijn aanwezig: een nachtelijke overval, drie mensen gekneveld, bedreiging met een vuurwapen, een rappe ontsnapping, twee Hollandse meesters gestolen en voor miljoenen guldens schade.
Op 27 mei van dit jaar werden dezelfde doeken opnieuw uit het Hofje ontvreemd. Dit keer verliep het zonder gewelddadigheden. De politie vermoedt dat de daders gericht naar de meesters op zoek waren: andere, meer waardevolle werken bleven onaangeroerd. Voor de rechercheurs zijn er slechts twee aanknopingspunten: de lijst die verderop in een heg werd teruggevonden en een donkere Mercedes of BMW die 's nachts met hoge snelheid en gedimde lichten werd gesignaleerd. Zolang het onderzoek nog loopt, doet de politie geen verdere mededelingen. Ondanks alle aandacht, ook in het televisieprogramma Opsporing Verzocht, kunnen de rechercheurs alleen maar gissen naar de vraag waarom de dieven gericht zochten naar de Frans Hals en de Van Ruisdael.
Vrouwenhofje
Het idee voor een Hofje was afkomstig van Maria Ponderus (1672-1764), de vrouw van Pieter van Aerden, een Haagse notaris en procureur. Na zijn overlijden in 1719 liet Van Aerden een aanzienlijke erfenis achter voor zijn echtgenote. Die bestond uit geld, een schelpenkabinet en een zeventiende-eeuwse schilderijencollectie. Om de arme familietak te ondersteunen, liet Ponderus uit liefdadigheid in Leerdam een hofje bouwen. In de buurt van het Zuid-Hollandse plaatsje woonden veel bloedverwanten en de bevriende Oranjes stelden een kavel ter beschikking. Op de ruïnes van een middeleeuws kasteel in Leerdam werd het Hofje gebouwd. In het complex kwamen vrouwen te wonen die aan allerlei eisen moesten voldoen: ze moesten lid zijn van de familie, vrijgezel, protestants en van onbesproken gedrag. Dat is met de jaren aardig veranderd; nu geldt alleen nog dat de vijf vrouwen die er wonen een smetteloos verleden moeten hebben. Als ze toch over de schreef gaan, komt de binnenvader die het vrouwenhofje beheert in actie. Boven hem staat de beherend regent, de directeur van het Hofje. En op een afstandje wordt hij op zijn beurt weer gecontroleerd door enkele regenten, een soort commissarissen.
De Regentenkamer vormt het hart van het Hofje, dat sinds enkele jaren een museum heet. In de ruimte kwam de schilderijencollectie van de Van Aerdens te hangen. Die bestaat uit zeventiende-eeuwse doeken van onder meer de stillevenschilder Cornelis de Heem en van Hendrick Dubbels, die winterse taferelen en landschappen schilderde. Een privéverzameling die beroemd is in kleine kring. De twee lachende jongens van Frans Hals is zelfs wettelijk beschermd, zo belangrijk is het schilderij voor het Nederlandse culturele landschap. 'Een voorwerp van bijzondere cultuurhistorische betekenis', volgens de Wet tot behoud van cultuurbezit waar het schilderij onder valt. Met die wet poogt de Nederlandse staat particuliere kunsteigendommen te behouden. Alleen als de minister toestemming geeft, mogen ze bijvoorbeeld aan het buitenland verkocht worden.
Bewaarkosten
In augustus 1991 kwamen de werken terug naar het museum. Er is destijds door een anonieme verzekeraar een half miljoen gulden 'bewaarkosten' betaald aan tussenpersonen die in ruil daarvoor de Frans Hals en Van Ruisdael teruggaven. Deze term was van de hand van toenmalig minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin. Als antwoord op Kamervragen van de PvdA en GroenLinks liet de minister weten dat alleen een niet nader bekende verzekeringsmaatschappij deze 'bewaarkosten' had betaald, en dus niet justitie of het ministerie van Cultuur (WVC) zoals talloze andere bronnen melden. Van de daders was echter nog geen enkel spoor. 'Een mistige zaak,' noemt een oud-wethouder van Leerdam de losgeldaffaire.
De huidige directeur van het Hofje, Maarten Kruyswijk, probeert elk verband tussen de roof van nu en die van drieëntwintig jaar terug de kop in te drukken. 'De roof was zinloos, want de schilderijen zijn onverkoopbaar. Ze zijn overal bekend en staan bovendien geregistreerd als gestolen,' zegt hij in een reactie.
Maar kunstroof loont, blijkt uit verschillende zaken uit het verleden. Zo werden in 1990 uit het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch drie Van Goghs gestolen. Vier jaar na dato kwamen de twee nog altijd vermiste doeken - de andere was eerder achtergelaten in een kluisje - terug na bemiddeling van de advocaat Vincent Kraal. Zijn cliënt, de inmiddels geliquideerde vastgoedbaas Kees Houtman, was in een hasjzaak veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf. Het Openbaar Ministerie had vier jaar geëist en ging in hoger beroep. Houtman was bang dat hij jaren langer achter slot en grendel moest. Hij had de twee Van Goghs uit het Noordbrabants Museum via via in handen gekregen, en hij wilde ze best inleveren als het OM zijn hoger beroep zou intrekken. Deal, dacht justitie. En de Van Goghs kwamen terug naar Brabant.
Net als bij het Leerdamse Hofje wordt in legio andere zaken losgeld betaald, beweren beveiligingsexperts en criminologen. Onder wie ook de advocaat en onderzoeker Edgar Tijhuis, die sinds jaren onderzoek doet naar kunstroven. 'De dieven wenden zich in dit soort gevallen rechtstreeks tot de eigenaar of diens verzekeraar en eisen daarbij losgeld voor de veilige terugkeer van de gestolen werken. Dit wordt wel "artnapping" genoemd.' Volgens Tijhuis is slechts een topje van de ijsberg bekend: er zijn talloze gevallen waarover niets in de krant komt te staan. 'In de schaarse literatuur hierover wordt vaak aangegeven dat kunst bijvoorbeeld in een kluisje op het station opduikt. Onduidelijk is dan wat er is gebeurd, maar het is niet onaannemelijk dat er dan losgeld is betaald voor teruggave.'
Beul van Baarle-Nassau
Hoe ging dat in 1988 bij het Hofje van Aerden, de enige zaak waar in Nederland losgeld is betaald én persaandacht voor was? Wie waren de daders ? En hoe heeft de politie uiteindelijk de gestolen schilderijen teruggekregen?
Aanvankelijk was de politie hoopvol gestemd: er was landelijke media-aandacht, tientallen tips stroomden binnen en een speciaal rechercheteam van twintig man werkte aan de zaak. Maar zonder resultaat, niemand kon worden opgepakt. 'We zaten op een dood spoor,' vertelt Bert Diesveld, toenmalig hoofdrechercheur bij het Leerdamse korps. 'Na een paar maanden vermoedden we dat enkele Arabische oliesjeiks achter de roof zaten. Maar dat bleek uiteindelijk ook op niets uit te lopen.'
In datzelfde jaar werden het Kröller-Müller Museum en het Stedelijk Museum beroofd, en in 1990 ook het Noordbrabants Museum. De roof in het Noordbrabants Museum bleek verband te houden met die in Leerdam. Via geluiden uit het criminele circuit was de politie erachter gekomen dat de daders van beide roven in dezelfde hoek moesten worden gezocht.
In 1992, drie jaar na de roof, konden uiteindelijk twee verdachten worden opgepakt nadat een goede bekende van de daders uit de school was geklapt. Dat was de vriendin van de hoofdverdachte, Marie Louise J., die de vluchtauto bestuurde waarmee de dief uit Leerdam was verdwenen. Gerrit Behm, oud-rechercheur in Leerdam, verhoorde de Amsterdamse vrouw samen met een collega: 'Ze was onderzoektechnisch een zeer plezierig contact. Buiten dat we een klik hadden, gaf ze belangrijke informatie over de roof.' Aan de rechtbank vertelde ze talloze details van de voorbereiding tot aan de uitvoering van de roof. Helmut van der S., verdachte en inmiddels haar ex-vriend, was woedend: 'We praten hier over een aan cocaïne verslaafde prostituee,' zei hij tegen de rechter. De vrouw was doodsbang en dook onder. De advocaat van de verdachte deed er alles aan om Marie Louise J.'s geloofwaardigheid in twijfel te trekken, maar tevergeefs. Op de rechter maakte alles weinig indruk, hij achtte de verdachte schuldig.
De in Duitsland geboren Van der S. werd in datzelfde jaar tot vier jaar en zes maanden gevangenisstraf veroordeeld. Zijn medeverdachte Adrie B., een Beverwijkse tapijthandelaar, kreeg vier jaar wegens uitlokking van de roof. Van der S. ging daarna nog veel vaker de gevangenis in. Hij bleek ook een van de daders te zijn van de roof in het Noordbrabants Museum. Samen met zijn Zeeuwse handlanger Jo de M. had hij de Van Goghs meegenomen uit 's-Hertogenbosch.
Overigens was dat nog maar kinderspel vergeleken met wat hij in de Belgische Kempen uithaalde. In 1999 viel hij samen met een andere handlanger zes kapitale villa's binnen waar zij telkens een vrouw verkrachtten voor de ogen van hun vastgebonden man. Een gruwelijke zaak die tot veel ophef leidde in België. Sindsdien staat hij daar bekend als 'de Beul van Baarle-Nassau'. Helmut van der S. werd in 2002 veroordeeld tot dertig jaar cel.
Bruinsma's laatste wens
De gestolen doeken kregen na de roof een nieuwe bestemming: de georganiseerde misdaad. Niemand minder dan topcrimineel Klaas Bruinsma had er via een buitenlandse hasjtransactie de hand op weten te leggen. Doordat de tegenpartij niet aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen, werden de schilderijen als handelswaar gebruikt. Dat vond Bruinsma helemaal niet erg. Hij omringde zichzelf graag met een intellectueel aura; 'de Dominee' hield van klassieke muziek en las de werken van grote denkers.
In juni 1991 kwam abrupt een einde aan het leven van Bruinsma. Voor het Hiltonhotel in Amsterdam werd hij geliquideerd. Zijn oude meesters kregen daarna een andere eigenaar, zijn Chileense bodyguard Charlie da Silva, de man die in 2003 tijdens een televisieuitzending van Peter R. de Vries Mabel Wisse Smit afschilderde als maffialiefje van Bruinsma. De Zuid-Amerikaan verkeerde jarenlang in kringen rond 'die Lange', zoals hij hemzelf noemde, en ze leerden elkaar goed kennen toen hij werkte op de Neeltje Jacoba.
'Als laatste wens,' zei Da Silva achteraf, wilde Bruinsma de gestolen doeken teruggeven aan het Hofje om te voorkomen dat cultuurhistorisch erfgoed verloren zou gaan. Omdat Bruinsma veel geld had verloren bij de hasjdeal, zou hij er geld voor willen terugzien.
Of dat inderdaad Bruinsma's laatste wens was, zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar het voorstel kwam in de zomer van 1991 terecht op het bureau van Ton Lith, leider van het IRT-team dat de georganiseerde criminaliteit moest bestrijden. Samen met twee teamleden ging hij de gesprekken aan met de zogenaamde 'tegenpartij' - Lith wil niets over hun namen kwijt. Voor die onderhandelingen was afstemming met de verzekeraar nodig, die met losgeld op de proppen zou moeten komen. Het IRT-team stond tijdens de hele operatie ook nauw in contact met het Openbaar Ministerie. 'Zij hebben op hun beurt weer overleg gevoerd met het departement van Justitie. Wie precies toestemming gaf, weet ik niet,' zegt Lith.
Dat gesprek ging gepaard met een hoop herrie, bevestigen bronnen bij politie. Losgeld betalen aan criminelen zonder ook maar één dader in handen te krijgen, was not done. Maar omdat de Frans Hals voor de kunstwereld té belangrijk werd geacht, kreeg Lith van bovenaf groen licht. Losgeld was niet langer taboe, een top secret operatie was begonnen. Da Silva raakte bloednerveus omdat hij wist dat de meeste losgelddeals voor criminelen eindigen in een fiasco (lees: celstraf). Uit vrees om 'gepiepeld' te worden, betrok hij misdaadjournalist Peter R. de Vries bij de onderhandelingen - ze kenden elkaar van een vorige zaak. De eerste afspraak vond plaats in het Postillion hotel Bunnik. Op die zondagavond van 25 augustus 1991 reed De Vries eerst een paar rondjes op het parkeerterrein van het hotel; hij vertrouwde de zaak niet. Toen de kust veilig was, parkeerde hij zijn auto en liep hij door naar een afgehuurd zaaltje. Bij binnenkomst zag hij naast Da Silva drie politiemensen zitten die vooralsnog lijdzaam wachtten. Hun ongeduld groeide echter met de minuut. Vooral toen de misdaadjournalist alle ins en outs van de deal wilde weten; dat ging ze een brug te ver: 'O, nee! Dat denk ik helemaal niet! Dat is nergens voor nodig. Ik ga hier geen interview geven,' zou Lith hebben gezegd. Lith zelf ontkent dat de misdaadjournalist bij de onderhandelingen aanwezig was.
Om te voorkomen dat ze hem na afloop heling of een ander strafbaar feit zouden aanwrijven, wilde De Vries zwart-op-wit garanties zien. Aan tafel ontstond groot tumult, schreef De Vries naderhand in Aktueel. 'De commissaris schuift zijn stoel met een ruk achteruit. "Geen sprake van!" zegt hij gedecideerd. En vervolgens werpt hij een woedende blik op X. (Da Silva, BvD) en zegt: "Dit was niet de afspraak!"' Da Silva is net als Lith boos: 'Dit begrijp ik ook niet. Je had alleen gezegd dat je hem wilde spreken en nu moet je ineens een brief hebben.' De gemoederen liepen hoog op, waarna Lith de tegenpartij onder druk zette: 'Dit wordt niks zo, X.! Dit was ook niet de afspraak.' Waarna De Vries ervoor kiest om niet langer mee te doen. De politie en Da Silva sluiten alsnog een deal: een half miljoen voor twee Hollandse meesters, die samen miljoenen guldens waard waren.
Losgeldonderhandelingen
De politie riep de hulp in van het Frans Hals Museum. Dat moest als dé kenner op het gebied van oud-Hollandse meesters de echtheid bepalen van de terug te krijgen doeken. Uiteindelijk vroeg de directeur van het museum zijn Frans Hals-expert Ella Hendriks om bij te springen. Hendriks: 'Met niemand mocht ik over de zaak praten, zelfs niet met mijn directe collega's. Van de zaak wist ik alleen om welke schilderijen het ging en dat de politie elk moment kon bellen om mij op te pikken, verder helemaal niets.'
Na een mislukte poging waarbij de tegenpartij 'zenuwachtig' werd, kwam op donderdag 29 augustus 1991, enkele dagen na de losgeldonderhandelingen, opnieuw een telefoontje.
Hendriks: 'Ik was 's ochtends een schilderij aan het restaureren, toen ik gebeld werd. Binnen een kwartier zou de politie voor de deur staan. Twee agenten haalden mij toen op in een gepantserde wagen met geblindeerde ramen.' Een van hen was rechercheur Diesveld, die later die dag bij de verzekeraar het koffertje met losgeld zou ophalen. De deal vond plaats in een 'woonwijk' langs 'een snelweg': de betrokkenen willen de precieze locatie niet bekendmaken. Sommigen weten het simpelweg niet, zoals de uit Groot-Brittannië afkomstige kunsthistorica: 'Ik was pas enkele jaren in Nederland.'
Op het politiebureau in Utrecht zaten acht politiemensen in een hot center waar ze wachtten op wat zou gaan komen. 'Wij stonden voortdurend in contact met de wagen, waarin twee collega's en de kunsthistorica zaten. De spanning was te snijden,' beschrijft Diesveld.
Hendriks: 'Eenmaal bij het huis aangekomen, liepen twee agenten (van het IRT-team, BvD) naar binnen waar twee mensen met de schilderijen wachtten. Ik bleef in de auto, omdat het te gevaarlijk was. Bang was ik niet echt, omdat de agenten gewapend waren. Het klinkt heel idealistisch, maar vanuit mijn vakgebied wilde ik koste wat kost de schilderijen terugkrijgen. Van de politie hoorde ik dat ik slechts tien minuten de tijd had. De dieven waren zo zenuwachtig dat ze elk moment de deal konden afbreken. Ik moest dus heel vlug bepalen of de werken echt waren. Toen ik het schilderij in handen kreeg, zag ik meteen dat het een Frans Hals was. Dat bleek uit de manier waarop het schilderij aangespannen was: aan de randen van het schilderij kun je zien of het met touwtjes vastgemaakt is, wat een typisch zeventiende-eeuwse schilderpraktijk is. Daarna reed de auto met de schilderijen terug naar het politiebureau.'
Bij terugkomst van de in doeken gewikkelde schilderijen, vierde men op het bureau een feestje. Overal waren lachende gezichten te zien, opluchting alom. Er werden foto's gemaakt als presentje voor de kunsthistorica. Op een ervan is te zien hoe agenten nieuwsgierig De twee lachende jongens bekijken.
Op dezelfde dag belde Da Silva met De Vries om een advertentie te plaatsen in weekblad Aktueel, waarvan hij de hoofdredacteur was. Een week later viel te lezen: 'De laatste wens van een piraat is vervuld. Leerdam, dacht je dat ik niet wist hoe belangrijk ze voor jullie waren? Arrigato - Klaas Bruinsma.'
De schilderijen werden na de overdracht door Behm en Diesveld naar Leerdam gereden, waar ze veilig werden opgeborgen in een kluis op het bureau. Op maandag, enkele dagen later, werden het echtpaar Slieker, die bij de roof gekneveld waren, en Aernout Tukker, de toenmalig beherend regent, gevraagd om naar het bureau te komen. 'We zijn op mijn kamer gaan zitten,' beschrijft Diesveld. '"Er is goed nieuws, de schilderijen zijn terug," vertelde ik. Ze vielen van verbazing zowat van hun stoel af. Slieker dacht altijd dat hij verdacht werd van de roof, terwijl hij zich eigenlijk als held had gedragen tijdens de overval. We liepen daarna naar boven, waar hij de schilderijen voor het eerst na jaren weer terug zag. Hij was helemaal van de kaart, begon de stukken te omhelzen en gaf iedereen zoenen.'
Frappant
Eind goed, al goed. Althans, zo leek het. Maar de schilderijen zijn opnieuw verdwenen. Tot grote verbazing overigens van de meeste betrokkenen van toen. Zij wisten ondanks alle persaandacht niets van de recente roof of hadden nooit durven denken dat zoiets opnieuw zou kunnen gebeuren. 'Ik hoor nu pas voor het eerst dat de schilderijen weg zijn, zeer frappant,' reageert de toenmalige korpschef verbaasd als hij wordt geconfronteerd met de laatste inbraak. Zijn voormalige kompaan Behm hoorde van een van zijn collega's over wat er tijdens die meidagen in Leerdam was gebeurd: 'Ik dacht: ze zijn weer vrij. Dat blijkt dus niet zo te zijn, maar er moet een link zijn met de oude zaak. Dat kan niet anders. En dat heb ik ook gezegd tegen de rechercheurs die nu met de zaak bezig zijn.'
Met de kanttekeningen van criminologen in het achterhoofd roept dat de vraag op of het allemaal verstandig was, onderhandelen met de duvel en zijn ouwe moer. Dezelfde ingewijden tonen zich eensgezind in hun antwoord: ja. Spijt van hun rol bij de losgeldaffaire hebben ze niet, het was een 'legitieme actie' om 'belangrijk cultuurhistorisch erfgoed terug te krijgen', zeggen ze. Lith: 'Ik heb geen spijt. Voor mij was de Leerdamse zaak een bijzonder geval.'
Maar wat als straks de schilderijen opnieuw tegen losgeld worden aangeboden? Gaat de verzekeraar of het museum dan opnieuw door de knieën? De meeste betrokkenen willen daar niet over speculeren. De beherend regent van het Hofje houdt echter alle opties open: 'Ik sluit het betalen van losgeld niet uit. Wij hebben er alleen zelf geen geld voor. Dat is uiteindelijk aan de verzekeraar om over te beslissen.'
Een jonge Nederlandse fotograaf brengt in beeld hoe onze kleren zo goedkoop kunnen blijven en wat er gebeurt als we ruimte in onze kasten maken voor de nieuwste mode.
De steden Dhaka en Chittagong vormen het hart van de Bengaalse kledingindustrie. Hier begon fotograaf Pieter van den Boogert (1985) aan zijn zoektocht naar de oorsprong van onze chino's en sweaters. Tijdens zijn stage bij fotojournalist Kadir van Lohuizen kwam hij in contact met een medestudent uit Bangladesh. Diens oom had een kledingfabriek in Dhaka; hij wist deuren voor de fotograaf te openen die anders gesloten waren gebleven. Van den Boogert kreeg, telkens na plechtig theedrinken met de directeur, in verscheidene fabrieken toestemming om foto's maken. 'Van journalisten houden ze niet echt in de Bengaalse textielindustrie,' merkte Van den Boogert. 'Een Amerikaanse reporter die ook bij een fabriek naar binnen wilde, kreeg meteen de geheime dienst op bezoek. Ik stelde me dus elke keer voor als kunstacademiestudent zonder journalistieke aspiraties.'
Via een lange trap zette Van den Boogert voet in de eerste fabriekshal, die hoog boven de omliggende huizen uittorende. Gesluierde vrouwen waren druk in de weer achter rijen naaimachines. 'Werknemers zijn in deze fabriekshal radertjes in een machine, ze lijken bijna geen mensen meer.' Af en toe liep er een floormanager langs. Zijn taak: er scherp op toezien dat de werknemers hun productiequota haalden. Van den Boogert: 'Omdat ik mensen op de werkvloer niet mocht spreken, ging ik thuis bij ze langs. Wat ze aan mij vertelden, ging voornamelijk over geld: ze waren ervan bezeten. Niet heel vreemd, als je bedenkt dat de meesten in bittere armoede leven.' Zelfs enkele kinderen van een jaar of twaalf moeten in de fabriek hun steentje bijdragen, vertelt de fotograaf. 'Voor de meeste gezinnen is er simpelweg geen andere keus.'
Na een twaalf uur lange werkdag komen de elektrische naaimachines tot stilstand. Einde shift. Althans, voor de mensen die niet hoeven over te werken; een groot aantal moet door tot in de late uurtjes. De flikkerende tl-buizen, die vanaf de straat te zien zijn, verraden de 'ruime werktijden'. Collega's die wel naar huis mogen, vertrekken naar een van de vele sloppenwijken. Dhaka is een van de dichtstbevolkte steden ter wereld; meer dan de helft van de mensen woont in een slum.
H&M en C&A
In de textielhandel gaan wereldwijd jaarlijks honderden miljarden om. Nederland importeerde in 2008 voor zeven miljard euro aan kleding, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Veel van die kleding werd verkocht via bekende modeketens zoals H&M en C&A. Deze bedrijven laten een groot deel van hun productie uitvoeren in Aziatische lagelonenlanden, zoals Bangladesh, waar op dit moment anderhalf tot twee miljoen mensen in de kledingindustrie werken. 'Om de wereldwijde concurrentie aan te kunnen, houden Bengaalse bedrijven de lonen laag,' zegt Van den Boogert. De lonen behoren tot de laagste ter wereld. In geval van protest dreigen eigenaren hun werknemers met sluiting of verhuizing van de fabriek. Textielarbeiders moeten vaak onbetaald overwerken. Door gebrekkige naleving van de veiligheidsvoorschriften vinden bovendien regelmatig ernstige incidenten plaats. In december vorig jaar brak er brand uit in een fabriek die levert aan grote afnemers als GAP en Wrangler. Achtentwintig werknemers konden niet op tijd wegkomen.
Afvalberg
Het drieluik What We Wear is onderdeel van Van den Boogerts afstudeerproject aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (KABK) in Den Haag. Hij bracht de mondiale kledingketens in beeld: van de naaiateliers in Zuidoost-Azië tot aan de textielmarkten aan de Afrikaanse Goudkust. Eerder maakte hij de serie DDR Zeitgeist, over het commerciële gebruik van het DDR-verleden in de huidige Bondsrepubliek. De rode draad in zijn prille loopbaan vormt de vraag hoe mensen en hun idealen door bedrijven kunnen worden misbruikt. 'Ik ben als fotograaf geboeid door de schaduwkanten van onze welvaart.'
Op een van de foto's is een grote afvalberg met tweedehands kleding te zien die in een vochtige loods ligt te wachten op verscheping naar Afrika en Oost-Europa. Volgens Van den Boogert het resultaat van onze consumptieverslaving: 'Omdat mensen zo goedkoop mogelijke kleding willen hebben, ontstaan grote overschotten.'
Boosdoeners zijn volgens hem modeketens die met hun reclameslogans Nederlanders verleiden tot het kopen van jaarlijks miljoenen kilo's aan spijkerbroeken en T-shirts. Een groot deel ervan belandt uiteindelijk in containers, geplaatst door goede doelen. Na inzameling verkopen zij de kleding aan commerciële sorteerbedrijven in Nederland, Litouwen en andere landen. Die sorteren de kleren en verkopen die vervolgens weer door aan handelaren op bijvoorbeeld de Kantamanto Market in Accra, Ghana. Wat op de bazaar niet wordt verkocht, blijft beschimmeld achter op de vuilnisbelt of komt in handen van daar rondscharrelende koopjesjagers. Dan is de kledingkaravaan eindelijk op de plaats van bestemming: een Afrikaanse stortplaats, ver buiten ons gezichtsveld.
Zie voor meer informatie op de blog van Pieter van den Boogert.