Haar eerste wandkleed maakte Marijke Jager voor haar moeder, toen een zusje werd geboren was ze veertien. De interesse is gebleven, maar ze deed verder weinig anders met wandkleden dan wat hobbyisme.
“Mijn man was zeeman op de wilde vaart en ik mocht mee. De reizen duurden soms wel negen maanden of langer. Dan moet je iets te doen hebben aan boord, dus nam ik een koffer vol lapjes mee. De eerste reis ging naar de Eskimo´s in het uiterste noorden van Canada. Dat heeft veel indruk op mij gemaakt, de paarse luchten met die witte sneeuw daaronder. De hele sfeer, dat was prachtig! Dat was de inspiratie voor mijn eerste kleden.”
Na de periode van kinderen krijgen deed Marijke creatieve handvaardigheid. Daarin vond ze de textiel naast het hout het leukst. Daarom werd het de textiele werkvormen.
“Ik merkte dat het in mijn vingers zat. Door de werkgroep Kerk en Hobby ben ik begonnen het bijbelse aspect uit te werken. Met zes kleden ben ik naar een galerie voor hedendaagse religieuze kunst in Den Haag gegaan. Ze wilden mijn werk graag hebben, dus van daar is het verder gegaan. Ik heb wel geprobeerd iets anders dan de religie als inspiratiebron te hebben, maar dat heeft dan die zelfde spanning niet. De uitbeelding van de sporen van God die mensen raken past bij mijn weg in het leven, het begeleidt mij ook. Het is een gezoek dat je hebt in je leven. Het is niet alleen mijn zoektocht, maar het is ook de plaats die God daarin krijgt in het leven. Dat is steeds weer opnieuw. Dan denk ik: o ja, zo zit het. In eerste instantie doe ik het voor mezelf. Ik maak het ook vanuit mezelf.”
Ze naait lapjes aan elkaar tot wandkleden ontstaan. Maar ze scheurt ook lappen aan stukken. Want het leven is onvolmaakt, gescheurd, uit elkaar getrokken. Dat wil ze zichtbaar maken. Voor Marijke Jager bestaat de kunst uit stof, maar ze gebruikt ook wel ander materiaal. Om een werkstuk vorm te geven schildert ze eerst het gevoel.
“Ook schilder ik wel om iets te onthouden. Het zit dan in mijn hoofd, maar het werken aan een enkel kleed duurt lang. Terwijl ik daarmee bezig ben spelen er veel dingen door mijn hoofd. Dan denk ik: zo kan het ook, en dat is ook een mooi idee. En dan schilder ik het gauw, want dan houd je het vast. Ik verknip veel stof. Zo heb ik dozen vol afvalmateriaal, maar meestal past dat nergens anders in. Want het is net de kleur niet die ik wel moet hebben.”
Marijke weet niet goed meer wat kunst is.
“Vroeger dacht ik dat ik het wist, maar hoe ouder ik wordt hoe minder dat ik het weet. In de oudheid is het eigenlijk wel duidelijk wat kunst is, maar nu vind ik het veel vager allemaal. Kunst is heel persoonlijk, het is een smaak. Voor mij moet kunst een soort schoonheid in zich hebben. Het moet ook iets duidelijk maken en dan kan het niet altijd schoonheid in zich hebben. Kunst is een moeilijk begrip. Ik houd van het ambachtelijke in de kunst. Werken met de emotie is het meest mooie wat er is voor mij. Ik ben er bang voor om een kunstje te maken, een maniertje te vinden. Op een gegeven moment gaat het te gemakkelijk, dan wissel ik van kleur om iets anders te doen.”
En wat is dan die kunst waarmee zij zelf bezig is.
“Religieuze kunst wordt erg opgerekt. Voor mij is het dat ik Gods verbintenis neem, het wezen van God in mijn werk. Dat je die als relatie daarin ziet. Dat is voor mij wat er in zit. Maar ik wil niet evangeliseren. Ik beeldt af wat mij ten diepste beweegt. Op een tentoonstelling ligt altijd een uitleg. Dat is nodig, want voor sommige mensen is een vierkantje en wat lijnen te abstract. Mijn werk wordt steeds meer abstract. Om de mensen een kapstok te geven moet je daar een paar regels achter zetten. Ik vertel er graag over, heel kort en heel summier. Dat werkt, want dan ontstaat er een soort wisselwerking tussen de mensen en het werk.”
Het beeld van de gekruisigde Jezus is duidelijk, maar Marijke duidt het gevoel daarbij wat Jezus aan het kruis is. Ze geeft niet werkelijk weer wat daar is gebeurd, maar de gedachte die er achter zit, het voor mensen ongrijpbare gevoel dat daarbij is.
“Ooit maakte ik het kleed van Jezus waarom ze onder het kruis dobbelden. Dat is tijdens de Paastijd in elkaar gerommeld als een hoop op tafel te gooien. Dat heeft alleen de emotie van dat moment, het is in wezen niets, het heeft niet eens de vorm van een kleed.”
Truus Braster had ooit het idee ook iets te moeten kunnen. Dat kwam niet omdat ze getrouwd was met een kunstenaar, want er was geen concurrentiestrijd. Ze was er gewoon aan toe en begon er daarom mee. Ze liet zich boeien door kleuren, niet van de verf maar van het garen. Truus Braster is wever. Het dunne naaigaren mengt zich net zo vloeiend als verf, dat fascineert.
“Een draad van een andere kleur erbij en het effect veranderd direct. De kleur die in je hoofd zit is zonder palet te maken, dat is fantastisch. Dat is heel boeiend. Hier in de flat inspireert de omgeving die ik zie. Alleen de luchten al en die horizon! Het hele Friese landschap met alle strakke lijnen erin boeit me enorm. Friesland heeft geen beperking. Dat is terug te vinden in mijn werk.”
Een tijdlang stond het weefgetouw stil te verstoffen. Maar nu is Braster weer los en heeft een nieuwe ketting opgezet. Er zijn volop ideeën.
“Het zit in mijn hoofd en op die inspiratie denk ik door. Ik maak heel summiere schetsen. Maar dat is eigenlijk niet van belang, want ik zie het. Het is veel kijken, meer kijken dan werken, of het nog een beetje over moet. En dan benijd ik schilders. Want die kunnen nog eens een partij overschilderen, maar dat kan met weven nooit natuurlijk. Je moet wel weten wat je doet, want je kunt het niet opnieuw opzetten. Maar ik kan wel teruggaan tot waar ik vind dat het fout is gegaan, hoewel dat een duivels karwei is.”
Er zijn weinig wevers, weet Truus Braster.
“Het gaat met de mode op en af. Op een moment waren wandkleden in, toen die kale bakstenen muren in de huizen kwamen. Daar tegenaan is geen schilderij te hangen. Het is die tijd ook dat ik ben begonnen. Nu zijn er bijna geen mensen meer te vinden voor het weven.”
Het weven doet Truus met de hand aan een weefraam. Ze heeft er geen lessen voor gevolgd, maar leerde het zichzelf. Opdrachten doet ze nauwelijks, want het moet uit haar hoofd komen.
“Ik heb geen behoefte om de beste te zijn. Ik vind het al fijn om er toch bij te horen en een naam te hebben, niet die van mijn man maar mijn eigen naam. Ik heb veel tentoonstellingen gehad en dat vond ik ook altijd erg leuk. Maar dat is er de laatste jaren niet meer van gekomen, maar dat vind ik ook wel prima. Ik ben nu oud en ik ben blij dat ik nog kan werken. Of het goed wordt of niet, het is fijn dat ik bezig ben. Het doen daar gaat het om. Dat is echt heerlijk, vooral als ik met die garens bezig ben. Maar er zijn bijna geen garens meer, want de mensen handwerken en weven niet. Dat is een praktisch probleem op dit moment.”
Truus Braster doet niets met negatief gevoel.
“Kunst is in de eerste plaats iets wat een plezierig of eventueel een onplezierig gevoel kan opwekken. Voor mij plezierig. Misschien komt dat naarmate ik ouder ben geworden. Negativisme is een modeverschijnsel tegenwoordig. Dat alles negatief moet zijn, ook in de kunst. Het is misschien ouderwets dat ik het positief wil zien. Maar het positieve is mij altijd beter bevallen dan het negatieve, daar heb ik mij nooit aan gewaagd. Nu breng ik wel zwarte draden in mijn werk, dat heb ik eerder nooit gedaan. Bij kunst heb ik een warme emotie, want zo begint het ook bij een kunstenaar. De abstracte kunst boeit mij, als kijker kan ik daar in gaan zitten. Landschappen waardeer ik wel, maar dan moeten ze niet al te duidelijk aanwezig zijn. Dan vind ik het vervelend worden. Het klinkt simpel, maar ik wil mooie dingen maken. En als mensen zeggen dat ze het goed vinden, dan is dat mooi. Je kunt nooit altijd goed werken. Ik heb wel dingen hangen die gewoon niet best zijn. Sommige emoties kunnen vals zijn en wanneer je dat na een aantal jaren ziet, denk je van: dat is het toch niet. Dan knip ik het in stukken om het met de vuilnisman mee te geven. Die troep daar kan ik niets mee, ik moet verder.”
Niet altijd willen de handen doen wat het hoofd weet.
“Er zijn dingen die ik er maar niet uit krijg. Daar word je wild van, maar het lukt niet. Ik heb het zo vaak geprobeerd, maar die diepte krijg ik er niet in. Misschien wel wanneer je naar de natuur werkt, maar dat doe ik helemaal nooit. Ik werk in lijn en kleur. Wanneer een werk klaar is wil ik in de eerste plaats het gevoel hebben dat het af is. Zo heb ik het ervaren toen ik dat zag.”
ELSKE SCHOTANUS: snel vanuit het moment iets vatten
“Dit is gewoon mijn ding!”
Elske Schotanus schrijft, maar is geen schrijver. Elske tekent, maar vind zichzelf geen kunstenaar. “Het is een moeilijke keuze, want ik heb maar beperkt de tijd. Het boek waar ik aan bezig ben moet er komen. Daar krijg ik voor betaald. Schrijven is een heel andere manier van werken. Een boek, daar zit je met je gedachten helemaal in. De tekening is de snelle handeling van het moment. Maar wanneer ik in een week niet teken begint het te kriebelen. Het tekenen was er eerder dan het schrijven, maar is nu wat naar de zijkant gedrongen. Voor mij zijn beide belangrijk, het schrijven zowel als het tekenen.”
Het tekenen naar model doet ze bij het creativiteitscentrum. Niet omdat de cursus nodig is, het is een gemakkelijke manier om aan een model te komen.
“Het is een wisselwerking tussen je eigen stemming en degene die poseert. Het kan een heel mooi model zijn waarvan ik de tere lijnen wil raken. Maar soms kan ik weinig met een model, ligt die iemand of deze houding me niet. Dan ga ik experimenteren, want ik wil er toch wat mee doen en er iets van maken. Dan is de keuze in gebruik van materiaal en manier van werken anders, dan is het minder dat op papier krijgen van wat ik zie. Zo kan het werk verschillend uitpakken, want modeltekenen werkt niet op een trucje.”
Veel van de werkstukken belanden in de prullenbak, want Elske is kritisch op zichzelf. Op een ochtend komt ze wel met twintig tekeningen thuis. Daar zijn altijd bij waar ze niet tevreden over is. “De eerste werken zijn vingeroefeningen, omdat het dan nog niet zo goed wil. Wanneer je moe bent raken de vingers in de knoop. Thuis sorteer ik het kaf van het koren. Ik werk hier en daar nog wat bij – is het qua compositie handig nog een lijn te trekken om een achtergrond te krijgen dan doe ik dat. Daarna fixeer ik de tekening en zet er een datum onder. Dan gaat het naar de zolder, want daar exposeer ik gestapeld horizontaal. Er is geen galerie die hier belangstelling voor heeft. Naakt, zegt men, loopt niet, want mensen willen dat niet boven de bank hebben. En het is wel wat ik voor het grootste gedeelte maak, naakten. En men wil olieverf. Maar olieverf ligt me niet, want ik hou van de snelle beweging, snel vanuit het moment iets vatten.”
Schrijven is herschrijven. Een verhaal kan in één ruk goed op papier staan, maar meestal slijpt Elske nog aan de tekst. Ze haalt de typefouten er uit, schuift met alinea’s en brengt vaart en levendigheid in. Schrijven is meer schilderen dan tekenen.
“Voor mij is kunst datgene wat mij intrigeert. Ik weet wel wat kunst niet is. Je kunt alleen maar af gaan op wat jezelf het mooist vindt, dat wil niet zeggen dat alles wat iedereen mooi vindt dan ook kunst is. Het wil ook niet zeggen dat wat kunst genoemd wordt mooi is. En daarbij is kunst altijd datgene wat ik kunst vind. Soms is het verhaal er omheen de kunst, maar niet dat wat ik zie. Het verhaal moet de kunst verkopen, maar dan is het voor mij geen kunst. Niet het verhaal er omheen moet mij iets zeggen, maar het ding op zichzelf. Kunst moet je iets doen of het doet je niets. Dingen kunnen kunst zijn terwijl ik ze niet mooi vind, want kunst kan ook op een andere manier gevoelens oproepen. Je kunt urenlang over kunst discussiëren en filosoferen, maar het is en blijft altijd een: voor mij... Daarom zijn er ook zoveel kunsttijdschriften en kunstprogramma’s.”
Oefening baart kunst. Ze wordt telkens beter, ontwikkelt zich in het afbeelden.
“Ik ben altijd bezig met wat mij het meest na ligt, wat bij me thuis hoort, dat ben ik. Ik zal nooit iets maken wat mogelijk beter past in een bepaalde stal. Zo werkt dat niet. Ik heb gekozen voor een genre en een kleurpalet, terwijl het geen kunst is om van vandaag op morgen te zeggen ik ga van de blauwe naar de knalrode kant. Dat kan ik zo doen, maar ik doe het niet. Er moet een moment komen dat je tevreden bent over wat je doet. Mijn palet is blauw en grijs. Het zijn kleuren die me liggen. Een beetje somber, dat is mijn palet. Soms besluit ik eens een andere kleur te gebruiken. Ik begin een schilderij dan in knalrood en geel. Werk het bij en ga nog even bijwerken en dan opeens is het toch weer blauw.”
"Kunst is een nietszeggend woord. Ik zou niet weten wat dat is. Het komt van het werkwoord "kunnen", maar als je iets kunt dan ben je daarmee nog geen kunstenaar. Het is geen prettig woord om voor een beroep toe te passen”, zei keramiste Mieken Wit meer dan twintig jaar geleden. Zij overleed in 1991.
“Het is de taak van mensen zoals ik om een ander te laten zien wat jij ook ziet, dan kunnen ze er óók van genieten.”
Annalies Hoornweg is keramist. Gefascineerd door het materiaal, waarvan ze de vorm naar haar hand zet. Door het vuur van de oven veranderd de zachte klei in harde steen. Wanneer ze een periode niets doet krijgt ze de kriebels. Na de opleiding aan de academie voor beeldende kunsten Minerva in Groningen liet ze de draaischijf voor wat het was en ging met platen klei werken.
“Op de draaischijf zijn eigenlijk alleen maar ronde vormen te maken, maar mijn voorkeur gaat meer uit naar rechtere vormen. Ik bouw mijn werk meest met platen op. Daar snij ik vormen uit en die zet ik aan elkaar. Eerst maak ik schetsen van wat ik in mijn hoofd heb. In karton maak ik de vorm ruimtelijk, want in het platte vlak oogt het anders dan wanneer je iets in de ruimte ziet. Zo kan ik zien of de verhouding naar mijn zin is. Het model gebruik ik als mal om de platen uit te snijden.”
Annalies laat zich inspireren door architectuur, religie en dood.
“Gedenktekens die door mensen zijn gemaakt en worden achtergelaten in het landschap. Opeenhopingen van stenen, bouwwerken waarin mensen dingen gedenken – iets van zichzelf achter willen laten. Wat me bezig houdt is dat mensen dingen om zich heen creëren om te gedenken. Ik geef daar opnieuw uitdrukking aan en maak kleine kasten. Zielenhuisjes van klei. Daar verwerk ik dingen in die ik gevonden heb. Zo geef ik weer wat mij bezig houdt. Poorten spraken me aan. In het verleden werd een poort in het landschap gezet als een soort herinnering aan een overwinning – de triomfboog. Maar de poort is ook een overgang, de deur, om van de ene naar de andere periode te komen.”
Annalies maakt hoofdzakelijk vrij werk dat de weg vindt naar galeries en krijgt regelmatig een opdracht. Daarnaast geeft ze les in het maken van keramiek.
“Kunst is voor mij een uitdrukkingsvorm van waar ik mee bezig ben. Het is leuk wanneer het een ander aanspreekt, maar ik maak het hoofdzakelijk vanuit mijzelf. Niet gericht op de klant, maar meer omdat ik de behoefte heb om het te maken. Het werk is verweven met mijn zijn. Kunst moet iets toevoegen, je moet erdoor geraakt worden. Het drukt een emotie uit. Ik probeer met anderen te delen wat mij geraakt heeft. Je kunt niet iedereen bereiken. Soms doorziet men niet wat zichtbaar is, dan leg ik de gedachte achter het werk uit. Wat iemand daarmee doet is aan de persoon zelf: je wordt door iets gegrepen of niet, je vindt iets mooi of juist niet. Wat je ziet is eigenlijk een momentopname, want voordat iets klaar is gaat het in mijn hoofd al weer verder. Dat kun je een nadeel noemen van keramiek. Voordat het uiteindelijk helemaal klaar is gaat er toch veel tijd overheen. Je maakt het werk, het moet drogen, dan moet het geschuurd, gekleurd, en herhaaldelijk gebakken. Wanneer ik het weer over zou moeten doen wordt het waarschijnlijk toch anders.”
De bron van inspiratie kan verschuiven. Zo heeft ze nu geen idee waarmee ze over vijf jaar bezig zal zijn. Wanneer Annalies terugkijkt, heeft het altijd raakvlakken met haar persoonlijke leven op een bepaald moment. Op dat moment zelf realiseert ze het zich niet, maar achteraf is het te herkennen.
“Ik probeer voortdurend dingen uit. Voordat ik iets uitvoer gaan daar heel wat proeven aan vooraf. Het bewerken van het materiaal, wat kan wel en wat kan niet. Soms blijf ik op dezelfde weg, toch zit er altijd beweging in. Ik herhaal mezelf niet. Vroeger heb ik wel serviezen gemaakt, maar dat ging ten koste van mijn vrije werk - het bevredigde me niet. Ik maak iets omdat ik het wil en niet om dat het lekker verkoopt. Daarom is er van elk werkstuk maar één exemplaar, het is uniek. Dat ben ik.“
“Kunst maken is niet leuk. Leuk kleien bestaat niet. Het is een grote strijd.”
Hij heeft altijd wel iets met beeldende kunst gehad, maar muziek is de basis. Hij zong in een knapenkoor en wilde viool spelen, maar zijn ouders vonden dat het de accordeon van zijn broer moest zijn. Daarom bouwde hij zelf maar een viool, een vierkante kist met wat snaren eraan. Een eerste aanzet als instrumentenbouwer. Na de militaire dienst en het stichten van een gezin koopt Wim een oude piano en raakt verzeild in de operawereld.
“Ik heb in veel producties meegewerkt, mooie solorollen gezongen. Maar ik kreeg last van doofheid, het werd moeilijk om te intoneren. Op toneel kon ik niet meer zingen, dus ben ik muziek gaan schrijven. Voor de cursisten van de kleilessen, want ik had intussen de keramiek ontdekt als uitingsvorm, stelde ik een geluidsband samen met new-age muziek. Ik wilde hen de draaitechniek aanleren tegen een muzikale achtergrond. Mijn muziek was de basis waaruit hun bewegingen voortkwamen. Meestal zijn de mensen namelijk te druk bezig met hun handen. Dat wiel draait wel, je hoeft bijna niets te doen. Het zijn allemaal mooi afgemaakte bewegingen. Nooit abrupte acties, want dan gaat het werkstuk slingeren. Draaien is eentonig, het is een herhaling van hetzelfde. Heb je die techniek onder de knie dan moet je creatief aan het werk. Dat moet ik hen niet leren, dat moet uit henzelf komen. Later maakte ik zelf muziek met behulp van de computer en heb daarmee een aantal cd’s uitgebracht. Die muziek was gecomponeerd in alpha golven, zo dat de mensen in een meditatiestatus raakten. Wel bij bewustzijn maar in rust.”
Het keramiek is de rode draad, maar op de muziek valt Vogelsang telkens weer terug.
“Ik heb een instrument gebouwd wat iedereen kan bespelen. Het is een vijftonig gestemd instrument en het klinkt oosters. Er is geen muziek voor, dus wat ermee mogelijk is moet ik nog ontdekken. Ik heb het ding pentatonium gedoopt. Wanneer je nog nooit gespeeld hebt kun je vanuit je gevoel dat instrument bespelen en merk je dat je geen fouten maakt. Het is in dezelfde ontspannende lijn, want dat zoek ik in de muziek. Ik kan niet tegen atonale muziek. Muziek moet mooi zijn, muziek is pure emotie. Ik ben geen goede pianist, maar ik speel iedere dag op de piano. Dan komen er een aantal componisten langs en kijken over mijn schouder mee. Ik kan dat helemaal technisch niet aan, maar ik voel dat gewoon. Daar gebeurt iets, dat ben ik helemaal niet. Dan ben ik een stuk gereedschap, dat is wel lekker want dan speel je het van je af en kun je weer verder.”
Wim Vogelsang werkt thematisch in zijn kunst. Mens, maatschappij en natuur. Van een thema ontstaat telkens een serie keramische objecten. Meestal vanuit een gestileerde vorm tot een abstracte uitwerking.
“Het proces van het bedenken van een vorm is het meest belangrijk, het uitvoeren daarna is niet interessant meer. Het creatieve proces zit in je hoofd, een denkproces van maanden of jaren misschien wel. Dat kan heel verschillend zijn. En dan moet ik het uitvoeren en dat is eigenlijk stomvervelend. Het technisch uitvoeren van je creatieve gedachte. En dan hoop je maar dat je technisch zo begaafd bent dat wat je in je hoofd hebt kunt omzetten in het beeld. Dat is met muziek precies zo. Je kunt wel een prachtige symfonie in je hoofd hebben, maar je krijgt het nooit op papier.”
Met klank heeft Wim een extra stuk gereedschap om bij iemand aan en over te komen. Het maakt het beeld zo compleet.
“Kunst is wat anders dan kunstig. Kunstig is handig, leuk gedaan - technisch goed gedaan, maar het heeft niets met kunst te maken. Kunst is emotie, kunst is gevoel. Kunst is de andere kant van de rationele benadering. Kunst is gestolde emotie, behalve wanneer het muziek is. Muziek is vluchtige kunst, zodra je het speelt is het weg. Maar het blijft wel hangen. Kunst is een vorm van herkenning. Je vindt een kunstwerk mooi omdat er iets inzit wat jou raakt, omdat je het herkent. Het werkstuk moet spreken, maar ik wil het altijd graag uitleggen want dan luisteren mensen en krijgen meer oog voor kunst. Voor mijzelf wil ik iets benoemen. Dat is een beperking, want de naam kan afbreuk doen aan de emotie die men erbij voelt. Abstracte kunst heeft veel meer verrassende elementen dan realistisch werk. Realisme is technisch heel knap, maar de fantasie krijgt niet veel ruimte.”
“Ik zou wel ruig willen schilderen. Nu ben ik nog te netjes.”
Gewend om als huisschilder met kwast en verf om te gaan is de stap naar penseel en linnen voor Matthijs Huitema niet zo groot. De oude leerschool die hij heeft doorlopen bracht hem de liefde voor het tekenen en schilderen bij.
“Vooral omdat mijn vader een schildersbedrijf had heb ik daarvoor gekozen. Het leek me een mooi vak. Van de HBS ben ik verwijderd, want ik zal wel geen talent hebben gehad. Op de ambachtsschool ben ik verder gegaan, vanaf de eerste dag voelde ik me daar thuis. Daarna kon ik niet naar de kunstacademie, dus ben ik nog vier jaar naar de schilderschool in Utrecht geweest. Op die school hield ik me veel bezig met tekenen en decoreren. Prachtig is dat; de kleuren en vormen en lijnen.”
Het gebeurd meer dat een huisschilder ook kunstschilder is.
“Vroeger was dat inherent aan het vak. Een huisschilder was al bijna kunstschilder. Dat lag bijvoorbeeld voor de oorlog aan de ambachtelijke opleidingen, dat de mensen echt wel wat moesten kunnen. Met marmertechnieken en houtimitaties moet je kunnen tekenen, want anders lukt je dat niet. Er werden gipskoppen als model gebruikt. Nu wordt meer de nadruk gelegd op het ondernemerschap en minder op de kunst van het tekenen en het schilderen.”
Huitema haalt zijn inspiratie uit de oude boerenarchitectuur, zoals hij dat noemt. Bouwvallige schuren, autowrakken, scheefgezakte hokken. Hij weet niet waarom, maar als jongen had Matthijs daar al binding mee. De reden zou kunnen zijn dat die kromme lijnen meer leven in zich hebben dan de rechte lijnen van de hedendaagse architectuur.
“Eigenlijk heb ik te weinig tijd om te schilderen en aquarelleren. Ik heb al 30 jaar een schildersbedrijf en dat slokt veel van mijn dagen op. Ooit wil ik nog eens een serie grote schilderijen maken, want het meeste van mijn werk is op handzaam formaat. Mijn stijl is overwegend realistisch, maar ik kan ook abstract werken. Dat heb ik op die school geleerd, wanddecoraties met rechte en kromme lijnen bijvoorbeeld. Dat is wel meer versiering, maar toch ben je aan het abstraheren.”
Wat is kunst?
“Elke vorm van expressie die kan worden gemaakt. Maar het zou wel een bepaalde kwaliteit moeten hebben. Ik vind bijvoorbeeld het werk van Herman Brood en Karel Appel prachtig, maar dat van Corneille vind ik helemaal niets. Maar met het werk van Helmantel kan ik weer wel goed uit de voeten. Want wie beoordeelt die kwaliteit, het is heel erg subjectief. Kunst is erg persoonlijk. Als het goed is moet je in kunst iets kunnen beleven, maar ook dat is van persoon tot persoon verschillend. Zoals de Schreeuw van Edvard Munch, dat zal wel een en al emotie zijn, maar ik vind er geen barst aan. Dat schilderij is veel waard, maar ik heb het er niet voor over.”
Als het goed is moet het werk van Huitema de kijker emotie brengen.
“Sommige dingen die ik maak zijn wel kunstig. Zo nu en dan maak ik wel kunst. Het lukt niet altijd om de expressie te pakken, het kleurgebruik mooi te krijgen en dus goed over te komen. Ik heb een schriftelijke cursus van de Famous Artist School gedaan om bepaalde technieken te leren. Maar ik doe geen kunstje. Ik zoek vernieuwing en experimenteer met paletmessen in een kleurige vlakverdeling door onverdunde verf dik op te brengen. Ik wil niet vervallen in overdaad – een veelheid van hetzelfde maken omdat het goed aanslaat. Ik wil variatie scheppen met kleuren. Misschien wel hetzelfde patroon, maar met een totaal andere indruk door het spel van de kleuren. Ik maak iets moois voor aan de wand, een mooi schilderij. Daar bedoel ik verder niets mee, ik heb geen verhaal. Ik maak composities waar de mensen met plezier naar kijken en waar ze telkens iets nieuws in zien.”
Hoewel Matthijs de omgeving in beeld brengt, heeft hij geen schetsboek op zak. Onderweg worden foto’s gemaakt die thuis een uitwerking krijgen. Op locatie werkt hij niet.
“Ik heb wel eens buiten gezeten te aquarelleren, maar dat wil haast niet. De verf droogt veel te snel, er komt stof in of het blad waait weg. De echte kunstenaar heeft veel rommel om zich heen nodig om te kunnen werken. Ze maken dan robuuste schilderijen, woest en krachtig, expressief. Dat is een echte begeestering. Ze smeren de verf uit en slaan op het doek, dat is prachtig. Dat is bezieling! Daar voel ik me helemaal in thuis, wat die mens voelt dat kan ik aanvoelen. Ik kan me voorstellen dat die mensen zich opwinden en het doek een lel geven, want het moet eerst hier ergens vandaan komen en dan staat het erop.”
"Iedere kunststroming is een voortborduren op eeuwen historie”, zei kunstenaar Hans Wijnstok me bijna twintig jaar geleden. Maar het blijft een bron van waarheid. “Ondanks dat er zoveel is geëxperimenteerd zodat het lijkt alsof alles al gedaan is, is het altijd nieuw. Dat is juist het mooie van kunst; iets meer individualistisch bestaat er niet. Je kunt nooit hetzelfde maken. Neem het stilleven, er worden al 2000 jaar stillevens gemaakt, maar het gaat er juist om wat die vent of die vrouw daarmee doet..”
"Je kunt mensen vertellen wat er achter een bepaald kunstwerk zit en dan begrijpen ze het wel. Je moet er een bijsluiter bij doen”, wist Pim de Boer in dezelfde tijd. En ook dat heeft een lange adem. “Voor sommige mensen is het heel duidelijk, ze zien iets - vlakken, kleuren - en zeggen: dat kan mijn zoontje ook. Ze weten alleen niet wat voor kunstvorm het is. Abstracte kunst daar moet je naar leren kijken, want abstractie betekent niets anders dan de vorm versimpelen. Altijd zit er iets achter, maar mensen kunnen dat vaak niet zien wanneer ze alleen maar naar de kleuren kijken. Moderne kunst is nodig om mensen wakker te schudden, het mag choqueren. Maar kunstenaars kunnen geen beschaving veranderen, het zijn geen filosofen.”