Toen ik vijftien was, fietste ik vaak dronken naar huis. Zo hard mogelijk, over stoepranden en rotondes, vaak zonder verlichting. Toen ik zestien was, sneed ik met botte scharen in mijn armen en bovenbenen. Niet zo diep dat het ging bloeden, maar wel diep genoeg om rode striemen achter te laten, die nu zijn veranderd in haast onzichtbare witte lijntjes. Als ik dan de volgende dag nuchter was, en me in het holle tl-licht van de schoolwc’s op het toilet liet zakken, dan keek ik naar mijn benen en zag ik die rode, rafelige lijnen op mijn bovenbeen. Ik vond ze mooi om te zien, esthetisch haast. Maar ik proefde ook altijd gal van schaamte in mijn keel branden. Ik vertelde het aan mijn beste vriendinnen, die het weer doorvertelden aan de populairdere meisjes in de klas. Vriendschap was voor mij een synoniem van strijd. Ik versleet meer vriendinnen dan spijkerbroeken, meer tranen dan goed voor me was, meer ruzie dan ik ooit gehad heb in elke andere periode van mijn leven. Ik rookte sigaretten met mijn oudere collega’s, of stiekem in het bos achter mijn vaders huis, terwijl ik de smaak van tabak maar slecht kon verdragen. Mijn moeder deed dat ook, onder de afzuigkap in haar badjas, na weer een mislukte date. Met haar praatte ik niet echt. Zij had voor mij net zo goed een alien kunnen zijn. Ik lag op de bank, zij kookte. Ik herinner me sperziebonen op de vloer van onze betegelde keuken. Onbegrip op de grond. Mijn moeder huilend in bed. ’s Avonds fantaseerde ik over de toekomst. De leegte in mij zou vast ooit gevuld worden met een vriendje, of een leuke studie. Het echte leven moest nog beginnen. Ik was slechts aan het wachten. Om acht uur ging de wekker, het regende altijd. Het was altijd bewolkt als ik te laat aankwam op school. Ik had altijd de eerste vijf uur wiskunde. Als ik de leidinggevende van de supermarkt waarin ik werkte in de stad zag, werd ik knalrood. Hij appte me dat hij me knap vond. Hij woonde samen met zijn vriendin. Hij was zes jaar ouder. Maar ik was speciaal, dat zei hij die avond toen ik achterop zijn fiets zat naar het café, en hij me zijn handschoenen gaf. Om vier uur ’s nachts liep ik naar huis. Hij zwaaide toen hij wegfietste. Zijn vriendin keek me niet aan. Toen ik thuiskwam gaf ik over in de wasbak. Ik kroop in bed en sliep zeventien uur. De volgende dag kwam ik te laat bij wiskunde. ’s Avonds aten we aardappelen. Mijn broer droeg de hele wereld op zijn schouders. Eén keer gooide hij zijn bord op de grond. Tegen mij zei hij dat hij het liefst wilde dat ik dood was. De scherven sprongen alle kanten op. Als iemand zijn stem tegen me verheft raak ik nog steeds in paniek. Dunne, witte lijntjes in mijn borstkast.
Ik zette laatst de tv aan. Het was een zondagavond. De ramen stonden open en de zon ging onder. Ik lag met mijn hoofd op jouw borst. Ik zapte langs een praatprogramma. Een vage bekende Nederlander liet foto’s zien van zijn jeugd. Hij beweerde dat de middelbareschooltijd de beste van je leven is. Ik herinnerde me de sperziebonen. Ik herinnerde me de witte lijntjes. Ik heb erom gelachen. Ik zapte door.