De liefde van juffrouw Izabela voor de salons was er een op leven en dood, daarvan afstand te doen kon alleen door het graf: maar met elk jaar en zelfs elke maand die verstreek, kreeg ze een grotere hekel aan de mensen: ze kon niet begrijpen dat een vrouw, mooi, goed en welopgevoed zoals zij, alleen omdat ze geen middelen had, door de wereld in de steek werd gelaten ...! 'Wat zijn dat voor mensen, o barmhartige God...!', fluisterde ze soms terwijl ze van achter de gordijnen naar de langsrijdende rijtuigen keek van de dandy's die onder allerlei voorwendselen het hoofd van haar ramen afwendden om maar niet naar haar te hoeven buigen. Zouden ze soms denken dat zij naar hen uitkeek...? Maar zij keek immers ook echt naar hen uit...! Dan welden hete tranen in haar ogen; van woede beet ze op haar mooie lippen en met een ruk aan het koord schoof ze de gordijnen voor de ramen. 'Wat zijn dat voor mensen...! Wat zijn dat voor mensen...!' her haalde ze voor zichzelf, en ze schaamde zich een scherper epitheton te gebruiken, aangezien deze lieden tot de wereld behoorden. een 'naarling' kon in haar ogen alleen Wokulski genoemd worden. De ironie van het lot was nog groter, want van een ooit bestaand legioen waren nog slechts twee van haar aanbidders over. Over Ochoocki maakte ze zich geen illusies: die was met zijn gedachten meer bij een of andere vliegende machine (wat een waanzin!) dan bij har. Nog wel werd ze, zij het niet al te veelvuldig, geassisteerd door een maarschalk en een baron. De maarschalk deed haar denken aan een dood en uitgewassen varken zoals je het soms op straat op slagerskarren zag liggen; de baren op zijn beurt leek op ongelooid leer, waarvan ook hele stapels op karren te zien waren. Beiden vormden zij vandaag de dag haar allerlaatste gezelschap, zelfs vleugels, als zij - zoals wel werd gezegd - werkelijk een engel was ...! Het afschuwelijke samengaan met deze twee oude mannen achtervolgde juffrouw Izabela dag en nacht. Soms kwam het haar voor dat ze gedoemd was en voor haar de hel al tijdens haar leven was begonnen. Op momenten als deze dacht juffrouw Izabela aan Wokulski als een drenkeling die uitziet naar het licht op een verre over. In haar grenzeloze bitterheid ervoer ze een vleugje opluchting, in de wetenschap dat er hoe dan ook een onalledaagse man gek op haar was, over wie in de hogere kringen zoveel werd gesproken. Dan moet ze denken aan beroemde wereldreizigers of rijke Amerikaanse industriëlen die jaren achtereen in de mijnen hadden gezwoegd en die haar van tijd tot tijd in Parijse salons van een afstandje waren getoond.










