Er woont nu een marter in mijn hart, Die kleine spier die ziekte doorstond en verrukking, genezing en smart En waarmee ik zal verderleven, liefhebben En Scheppen. Want de mens is rond. Eens splijt zijn kern, een kei Rolt plotseling door de pas En alles is verbrijzeld en bevroeren. Zij het november, zij het mei, In gistend fruit vormt zich een gas En kleine dieren knagen aan het koren. Dat heb ik geleerd. Nog ben ik jong Maar ik ben oud. Al wat ik bezong Verschrompelt vlug, wat ik bemin bestaat, hoewel ik het verzin En door mijn woorden waadt het einde Nader, duidelijker dan het begin.















