In de jaren vijftig en zestig was de bromfiets en het gebruik ervan een soort indicatie van de aanstaande verandering der tijden. Jeugd in opstand tegen ouderen (niet alleen hun eigen ouders) en het gevecht van die ouderen om hun waarden en normen te handhaven of te doen gelden.
Veel is er eigenlijk niet veranderd. En de indicator, het rijwiel met hulpmotor, lijkt ook hetzelfde. De problemen die ouderen nu ondervinden worden even prominent in beeld gebracht als toen. En het begrip voor de jeugd is er niet veel beter op geworden. Nu ja, we weten er wel veel meer van (de sociale wetenschap is immers serieus gegroeid en beter geworden sinds de jaren zestig) maar we doen er nog niet zoveel mee. De opmerkingen van burgemeesters en Geert Wilders over probleemjongeren en het ingrijpen dat ze zeggen te willen doen, geven aan dat de nood hoog is.
Maar ook het aanduiden van jonge stadsbewoners als probleemjongeren is net zoiets als ze nozems noemen. Een term die ongrijpbaar is, is waarschijnlijk niet een etiket waardoor iedereen (en misschien wel juist de ouderen) zich geroepen voelt om mee te denken, mee te helpen en mee te werken aan de oplossingen. Ik voel me in ieder geval niet uitgenodigd, terwijl ik bij de hangende en in mijn straat rondscheurende scootercoureurs zelf nog wel eens de neiging heb om een praatje te maken. Ik weet dat ze me een ouwe lul vinden en ik begrijp van hun ook niet veel, maar als we praten, zijn we niet aan het vechten.
Ik ben een softie, ik weet het.