Terwijl de lichtjes in de kerstbomen branden en de dagen op hun kortst zijn, kijken wij alvast vooruit naar de vsv-plannen voor na de zomer van 2016. Wat verandert er? En wat blijft hetzelfde?
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap presenteerde eind november in ‘s-Hertogenbosch de vsv-plannen voor de toekomst. Wiel Cals, Projectleider vsv en Plusvoorzieningen: “In grote lijnen gaan we verder zoals voorgaande jaren. Zo blijven de drie geldstromen bestaan: een pot met programmamiddelen, de plusvoorziening voor overbelaste jongeren en de prestatiemiddelen voor scholen en instellingen die de normen halen. Wel verandert wie er voor welke geldstroom verantwoordelijk is. Momenteel ontvangt en beheert de contactschool de eerste twee geldstromen. Na de zomer van 2016 beheren de RMC’s de programmamiddelen. De contactscholen blijven wel verantwoordelijk voor de plusmiddelen. Omdat sommige maatregelen niet precies binnen de kaders van één geldstroom passen, wordt het nog belangrijker om goed samen te werken en prioriteiten te bepalen.”
Kwetsbare jongeren
Daarnaast wordt de doelgroep uitgebreid. “Kwetsbare jongeren uit het praktijkonderwijs en het passend onderwijs krijgen expliciet de aandacht. Dit betekent dat vertegenwoordigers vanuit deze onderwijsvormen officieel aanschuiven bij het samenwerkingsoverleg. Een goede zaak, want door deze nieuwe opzet kunnen we nog beter samenwerken voor deze jongeren. Dat is belangrijk omdat er vaak sprake is van meerdere problemen tegelijk. Kwetsbare jongeren hebben maatwerk nodig. Denk bijvoorbeeld aan het succesvolle Buddyproject.”
Sterke samenwerking
Cals kijkt met vertrouwen naar de toekomst. “De bestaande samenwerking staat en is sterk. Het opgebouwde netwerk biedt een goede basis om verder te gaan. Door steeds te evalueren is het helder waar de schoen wringt en ligt de focus op de werkelijke problematiek. Dus ja, ik ben optimistisch. We moeten nieuwe maatregelen handen en voeten geven. Ook verdienen de prestatienormen voor het mbo onze agenda. Er ligt dus nog werk genoeg.”
Omdat hij ‘meer wilde doen voor jongeren binnen het onderwijs’ maakte Mark van Kaam de overstap van de gemeente naar ROC Leeuwenborgh Opleidingen. Wat valt hem op? “Overheid en onderwijs zijn twee verschillende werelden die meer begrip voor elkaar mogen hebben.”
“School en gemeente vinden iets van elkaar”, legt hij uit. “Scholen moeten zich beter realiseren dat de gemeente gebonden is aan regels. En de gemeente moet begrijpen dat scholen zich met veel meer zaken bezighouden dan het stukje dat zij zien. Er gebeurt veel meer dan het registreren van verzuim bijvoorbeeld. Natuurlijk, het is belangrijk en moet goed gebeuren. Maar dat geldt ook voor andere zaken. We streven uiteindelijk dezelfde doelen na voor onze jongeren.”
Studieloopbaanbegeleider
Mark van Kaam startte op 23 februari 2015 als studieloopbaanbegeleider Zorg & Welzijn Sittard niveau 3 & 4 en teamondersteuner Loopbaanportaal bij Leeuwenborgh. Daarvoor was hij jongerenconsulent, RMC-consulent en leerplichtambtenaar bij de gemeente Sittard-Geleen. Ook werkte hij als jeugdadviseur bij de Stichting Jeugd-Punt en op de afdeling Jeugdzaken van de gemeente Venlo.
‘Voor iedere student het onderste uit de kan’
Spin in web
Een verrassende overstap. “Dat valt mee. Als RMC-consulent was ik via het BAS-project (Bewust Aanwezig op School) al veel op scholen te vinden. Ik hield me ook bezig met het monitoren van de overstap van vmbo naar mbo. Ik probeerde ervoor te zorgen dat jongeren daadwerkelijk op het mbo terecht kwamen. Een van de scholen waar ik mee samenwerkte was Leeuwenborgh. In mijn laatste functie als jongerenconsulent was ik veel bezig met doorverwijzen en het beoordelen van criteria voor het verkrijgen van een uitkering. Leuk werk, maar ik wilde méér doen. Bij Leeuwenborgh ben ik spin in het web. Ik werk in het belang van de student samen met allerlei partijen. Dat is heel dynamisch.”
Meer begrip
Van Kaam merkt wel duidelijke verschillen tussen de gemeente en het onderwijs. “Er mag meer begrip zijn voor elkaar. Ik probeer wanneer er onderlinge onenigheid is die te nuanceren, omdat ik situaties van beide kanten kan bekijken.” Maar de samenwerking verloopt toch goed? “Wat mij betreft wel, maar het kan nog beter. De doelgroep staat in de regio heel goed in de spotlight, maar de samenwerking is niet integraal genoeg. Ik vind dat er contact moet zijn tussen mensen van verschillende disciplines van de samenwerkende organisaties. Niet alleen met één vast aanspreekpunt of één team per organisatie.”
Passend aanbod
Heeft de overstap nieuwe inzichten opgeleverd? “Absoluut. Ik heb onderschat hoeveel er op scholen gedaan wordt voor jongeren. Ik dacht dat school er is voor het onderwijs en dat er een grens zit aan de zorg en begeleiding voor jongeren. Het blijkt dat Leeuwenborgh echt het onderste uit de kan haalt voor studenten. Denk bijvoorbeeld aan counseling of School Maatschappelijk Werk bij multi-problematiek. Voor iedere student is er een passend aanbod. Dat vind ik mooi.”
De vsv-cijfers van het schooljaar 2013-2014 zijn officieel bekend. Hoe hebben RMC38 en 39 het over het algemeen gedaan? En wat zijn de resultaten voor de grote steden? Over de gehele linie is een lichte daling te zien. RMC 38 scoort onder het landelijk gemiddelde. RMC 39 scoort er net iets boven. Opvallend is wel de stijging in vsv’ers op niveau 1. Dit is vaak boven de door het ministerie gestelde norm.
Algemene conclusie voor RMC 38
Daling van 725 vsv’ers in 2012-2013 naar 643 in 2013-2014; 1,8 % wordt 1,6 % (landelijk 1,9% )
Totaal vo blijft vrijwel gelijk van 131 naar 128 in 2013-2014: 0,5 % (landelijk 0,5 %)
Totaal mbo neemt af, daling van 595 naar 515; van 4,9 % naar 4,2 % ( landelijk 5,3 % ), met stijging mbo niveau 1 en daling mbo niveau 2,3 en 4
Venlo: daling van 2,6 % naar 2.2 %
Totaal vo: blijft 0,7 %
Totaal mbo: daling van 6,8 % naar 5,4 % > stijging niveau 1 en daling niveau 2,3 en 4
Venray: daling van 1,6 % naar 1,4 %
Totaal vo: van 0,3 % naar 0,4 %
Totaal mbo: daling van 4,4% naar 3,6 % > daling niveau 1, lichte stijging niveau 2 en daling niveau 3 + 4
Roermond: daling van 3,2 % naar 2,7 %
Totaal vo: daling van 0.8 % naar 0,6
Totaal mbo: daling van 8,2 % naar 7,2 % > sterke stijging niveau 1, stijging niveau 3 en 4, daling niveau 2.
Weert: lichte stijging van 1,4 % naar 1,5 %.
Totaal vo: gelijk gebleven op 0,3 %
Totaal mbo: lichte stijging van 3,8 % naar 4,0 %. Sterke stijging niveau 1, lichte stijging niveau 2, daling niveau 3 en 4.
Algemene conclusie voor RMC 39
Daling van 866 in 2012-2013 naar 792 in 2013-2014 > 2,2 % wordt 2 % (landelijk 1,9 %)
Totaal vo blijft gelijk
Totaal mbo neemt af > daling van 704 naar 638 > 6,1 % wordt 5,7 % (landelijk 5,3 %) met lichte stijging mbo niveau 1 + 2 en daling mbo niveau 3 + 4.
Parkstad: daling van 2,3 % naar 2,2%
Totaal vo: daling van 0,6 % naar 0,5% > stijging vo onderbouw en H/V bovenbouw, daling vmbo bovenbouw
Totaal mbo: daling van 6,0 naar 5,8 > stijging niveau 1 + 2 en daling niveau 3 + 4
Westelijke Mijnstreek: daling van 2,0 % naar 1,9%
Totaal vo: daling van 0,5 % naar 0,4 % > stijging vo onderbouw en H/V bovenbouw, daling vmbo bovenbouw
Totaal mbo: daling van 6,2 % naar 5,9 % > stijging niveau 1 + 2 en daling niveau 3 + 4
Maastricht Heuvelland: daling van 2.2 % naar 1.9 %
Totaal vo: stijging van 0.6 % naar 0.7% > stijging vmbo bovenbouw, daling vo onderbouw en H/V bovenbouw
Totaal mbo: daling van 6.4 % naar 5.4 % > daling in alle niveaus
Details op school-, gemeente- of regioniveau bekijken? Kijk dan hier.
“Er is veel bereikt met de middelen die we hebben ingezet de laatste jaren. Nu is het moment om kritisch te kijken naar wat we gedaan hebben en naar de middelen op zich. Wat werkt? Wat kan beter? En wat is er geborgd in organisaties en in de hoofden van mensen?”
Aan het woord is Monaïm Benrida, accountmanager van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor onder meer de regio’s Noord- en Zuid-Limburg. “Het is tijd om een pas op de plaats te maken. Wat werkt goed en wat niet? Wat kan er nog beter en waar kunnen we beter mee stoppen?
Noord- en Zuid-Limburg moeten doorgaan met VSV, nieuwe middelen ontwikkelen, bestaande verbreden en versterken of anders inzetten. Mijn devies: wees eerlijk tijdens het reflecteren en durf stappen te zetten. Regio’s bepalen zelf welke maatregelen blijven, welke niet en welke nieuwe noodzakelijk zijn.”
Intergrip en warme overdracht
“Neem bijvoorbeeld het nieuwe Intergrip-systeem. De eerste resultaten zijn zeer positief. Maar het is goed om kritisch te kijken naar de verdere ontwikkeling om het nog succesvoller in te zetten. Ook de overstap van een eerste naar een andere mbo-instelling is een belangrijk onderwerp. De eerste mbo-instelling krijgt via Intergrip alle benodigde informatie. Bij een verandering van studiekeuze en van instelling, krijgt de tweede dit echter niet. Terwijl zij daar wel recht op hebben. Welke stappen zijn noodzakelijk? De sleutel zit in het maken van goede afspraken. We moeten niet bang zijn om zaken anders te organiseren wanneer dat nodig is. Maar ook uitbreiden kan een conclusie zijn.”
Verdeling gelden
Bovendien is het zaak om kritisch te kijken naar het verdelen van de gelden. “Wat kunnen scholen en instellingen zelf bekostigen en wat niet? En als een aanpak goed werkt, kan het dan misschien ook anders of scherper? Belangrijk hierbij is dat bestaande bovenschoolse afspraken niet moeten komen te vervallen. Die moeten blijven bestaan. Hoe kunnen regio’s daarvoor zorgen?”
Jongeren in een kwetsbare positie
Nog een vraag is de aandacht voor jongeren in een kwetsbare positie. Die wordt nog belangrijker. “Hoe kunnen we deze jongeren beter bedienen? Het doel is om maatwerk te bieden. Dat kan via onderwijs, werk of een combinatie van beide. Nu is het tijd om te inventariseren wat er tot nu toe gedaan is, wat beter kan en welke maatregelen succesvol zijn. Door de veranderingen binnen het onderwijs zijn bovendien misschien nieuwe kwetsbare groepen ontstaan. Bereiken we die jongeren al via bestaande kanalen of is een andere aanpak noodzakelijk? Allemaal vragen waar de regio’s de komende tijd een antwoord op moeten vinden.”
Nieuwe accountmanager
Monaïm Benrida praat zelf na 1 februari niet meer mee over de bestaande en nieuwe koers. Hij wordt projectleider bij de directie kennis binnen het ministerie van OCW. “Na acht jaar is het tijd voor een nieuwe stap. De reden is tweeledig: in de eerste plaats vind ik dat wanneer je van anderen verwacht dat zij zich continu verbeteren en ontwikkelen, je dat ook zelf moet (blijven) doen. Ik heb de kans gehad om mezelf te ontwikkelen. Een nieuwe functie is een logische volgende stap. Daarnaast denk ik dat het voor de regio’s zelf goed is om een frisse, nieuwe blik te krijgen in de gedaante van een nieuwe accountmanager. Een nieuw persoon kan duidelijk in kaart brengen wat werkt en wat niet. Ik heb er het volste vertrouwen in dat mijn opvolger in RMC 38 en 39 kan helpen met het bereiken van nieuwe doelen en successen.”
De jongere centraal stellen, zo snel mogelijk een totaalbeeld schetsen en kijken of- en waar precies de ondersteuning nodig is. Dat doet Jongeren@Work in Maastricht-Heuvelland. Coördinator Ineke Hameleers: “Als je de goede vragen stelt, kom je snel tot de kern. Dat doe je vooral sámen met collega’s en partners.”
Jongeren@Work (J@W) is sinds vijf jaar een onderdeel van team Onderwijs van de gemeente Maastricht. Het probeert samen met collega’s van Leerplicht en andere partners het aantal Voortijdig Schoolverlaters verder terug te dringen. Een onderdeel is de netwerkorganisatie Expertteam Jongeren@Work voor uitvallers, dat jongeren van 16 tot 27 ondersteunt bij het teruggaan naar school, het vinden van werk of verwijst naar andere instanties, waaronder het Veiligheidshuis. In het team zijn de volgende partners vertegenwoordigd: UWV Werkbedrijf, team Werk en Inkomen van de gemeente Maastricht, BJZ, het Jeugdteam, Stichting Trajekt, Leeuwenborgh Opleidingen, LVO, stg Alterius, MTB, MEE en Mosa Lira. Daarnaast sluiten Jekerzicht en het Riagg een keer in de maand aan.
Vraag achter de vraag
Hoe werkt Jongeren@Work? “Door de vraag achter de vraag te vinden”, licht Hameleers toe. “Dat doe je door persoonlijk contact te leggen, goed te luisteren en zelf de juiste vragen te stellen. Zo dring je door tot de kern van het probleem. Vervolgens pak je dat op een integrale manier aan, via de persoonsgerichte aanpak.” Wat voor problemen dat zijn? “Jongeren hebben bijvoorbeeld schulden, zitten al een tijd thuis van school of verrichten mantelzorg. Soms is de problematiek complex, dan concentreren we ons op één ding, om vervolgens verder uit te breiden. Soms is een kleine interventie of verwijzing voldoende, waarna een jongere weer verder kan.”
Eén regiehouder, samen verantwoordelijk
In het Expertteam J@W is altijd één iemand verantwoordelijk voor de regie. “Die persoon houdt het overzicht en onderhoudt de contacten met iedereen. Zo worden jongeren niet van het kastje naar de muur gestuurd. We merken dat we steeds integraler werken, elkaar beter weten te vinden en aanspreken wanneer nodig. De uitdaging is om alle noodzakelijke gegevens en activiteiten aan elkaar te knopen én te stroomlijnen. Dan is het belangrijk dat je onderling weet wat de ander doet. Zo hebben we een zeer nauwe samenwerking met de medewerker van Leren en Werken naar Vermogen. Via dit project zijn de mogelijkheden voor jongeren in of afkomstige uit het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs enorm uitgebreid.”
Als het lukt geeft het zoveel energie
Collega’s op het Werkplein
In de vijf jaar dat het team actief is heeft het al veel jongeren bijgestaan. “We willen jongeren helpen om zélf hun problemen op te lossen. We zetten hen in hun kracht en maken zoveel mogelijk gebruik van hun eigen netwerk.” Waar dit niet kan bieden we (enige vorm van) ondersteuning. Twee jaar geleden opende het Servicepunt Jongeren@work haar deuren. “We zijn toen met het team onderwijs naar het Werkplein verhuisd. Een goede zet, want je legt gemakkelijk contact met collega’s van team Werk en Inkomen en Zorg en Inkomen.”
Ontwikkelen werkwijze
Ook de samenwerking met Werk en Inkomen is nog in ontwikkeling. De coördinator J@W: “We zitten twee meter uit elkaar en informeren elkaar op een persoonlijke manier. Dat is prima, maar we willen kijken hoe we verder kunnen ontwikkelen in onze werkwijze. We willen blijven leren. Wat kan beter en efficiënter? Ook pakken we als team Onderwijs het verzuim van 18+ jongeren op in het kader van preventie. De afgelopen vijf jaar is het aantal vsv’ers gedaald. We willen dit aantal nog verder terugdringen door bijvoorbeeld te onderzoeken wat belangrijke redenen van uitval zijn. We weten dat nogal wat jongeren uitvallen doordat ze een verkeerde beroepskeuze hebben gemaakt. Ook hier is nog winst te behalen.”
Enthousiasme
Hameleers is erg enthousiast over Jongeren@work, met name over de zich ontwikkelende samenwerking met in- en externe partners. “Voor de casemanagers/consulenten is het soms frustrerend wanneer het niet lukt om iemand verder te brengen. Maar als het wél lukt dan geeft dat veel energie. Iedere jongere is de moeite waard. Het mooiste is wanneer een jongere meer zelfvertrouwen krijgt en zo zichzelf verder kan helpen. We zien dat het aantal vsv’ers de afgelopen jaren afneemt. Elke jongere die niet meedoet er is er één teveel, maar de regio mag trots zijn op de behaalde resultaten. Al kan het natuurlijk altijd beter. Om met een collega te spreken: ‘we doen niet alles samen, maar samen doen we alles.”
De eerste ‘overstapzomer’ met Intergrip is een feit. Uit de evaluatie blijkt de digitale database van Intergrip goed te werken. Via Intergrip monitort RMC39 alle leerlingen die de overstap van vo naar mbo maken. Hebben zij al een keuze voor een vervolgopleiding gemaakt? “Intergrip is puur een middel, het gaat om de samenwerking en de betrokkenheid van alle partijen. En die staat.”
Annie Steegs maakt onderdeel uit van het projectteam ‘Elke leerling in beeld’ en is vanuit het Arcus College nauw betrokken . “We zijn allemaal gewend om ons best te doen voor onze eigen leerlingen en organisatie. Al vele jaren zijn er talrijke initiatieven genomen om de doorstroom van vo naar mbo te verbeteren. Helaas met weinig tot geen blijvend resultaat. Dit werkt wél omdat er vanuit de gehele regio Zuid-Limburg is samengewerkt en afstemming met alle partijen is gerealiseerd. Iedereen voelt zich betrokken en neemt zijn eigen verantwoordelijkheid. We hebben veel tijd geïnvesteerd in het aanhaken van directieleden. Die rol heeft Ans Pennartz glansrijk vervult.”
Op de agenda
“Het moest op de altijd volle agenda van schoolbesturen en directieleden een plekje krijgen”, legt projectleider Ans Pennartz uit. “Dat is niet gemakkelijk. Wij denken in leerlingen, terwijl bestuurders veel meer zaken hebben om rekening mee te houden. Wanneer het uiteindelijk lukt om hen enthousiast te krijgen en actief vragen te laten stellen, komt het goed.”
Op tijd aan de bel
De twee dames zijn zeer enthousiast over het project. Logisch, want de eerste cijfers over 2014-2015 liegen er niet om. Dankzij de intensieve samenwerking, de inzet van decanen en die van consulenten Leerplicht is het gelukt 100% van de vierdejaars vmbo overstapleerlingen te registreren. Het resultaat is dat 91% zich voor 1 juli heeft aangemeld bij een mbo of andere school of instelling. 98% van de leerlingen die het vmbo verlaat, schrijft zich uiteindelijk in. Steegs: “Mijn onderwijshart gaat er sneller van kloppen. Soms is het dramatisch hoe we leerlingen uit het oog verliezen tijdens de overstap. Met Intergrip blijven ze in beeld en kunnen we op tijd aan de bel trekken. Waarom hebben ze nog geen keuze gemaakt? Waarom stagneert het aanmeld-intaketraject?” “We kijken nu ‘real time’ mee in het systeem”, legt Pennartz uit. “Wanneer een leerling blijft hangen, belt Annie of iemand anders van het projectteam met de decaan of leerplichtambtenaar om te kijken wat er speelt. Decanen en consulenten bellen of mailen sneller om uit te zoeken wat er aan de hand is. Bij alle ROC’s in Zuid-Limburg zijn stagnatiemeldpunten ingericht waardoor direct, gerichte actie mogelijk is. Het projectteam heeft gewerkt als een soort mobiele helpdesk.” Steegs: “Decanen hebben veel werk op hun bordje liggen en dus helpen we als projectteam mee met het zoeken naar een oplossing.”
Annie Steegs: ‘Samenwerken zorgt er voor dat de overstapleerling in beeld komt en blijft’
Eerder kiezen
In de toekomst is de intensieve ondersteuning steeds minder nodig. Bekendheid met het overstapproces en de structurele samenwerking zorgen ervoor dat de scholen en leerplicht gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor het 100% plaatsen van overstapleerlingen. Steegs: “Het doel is dat er een overstapfunctionaris op iedere school/locatie is die officieel verantwoordelijk is voor de overstap van vo naar mbo. Op die manier borgen we het proces binnen de organisaties.” Bovendien wil het projectteam dat overstapleerlingen zich eerder aanmelden voor een vervolgopleiding. “Het is veel gemakkelijker om in actie te komen voordat de eindexamens afgelopen zijn en de leerlingen niet meer op school komen. Want dan ben je ze kwijt. Het gebeurt ieder jaar weer; na de eindexamens zijn de jongeren met hele andere dingen bezig. Daarom is het doel voor komend jaar dat voor 1 april alle overstapleerlingen een keuze voor een vervolgopleiding hebben gemaakt en zijn aangemeld.”
Voor de leerling
“Uiteindelijk doen we dit allemaal voor de leerling”, vertelt Steegs verder. “En ik denk dat die er al echt iets van gemerkt heeft. In ieder geval de ‘risico-overstapleerlingen’. Dit zijn de leerlingen die geen vervolgopleidingskeuze hadden gemaakt, zich niet wilden aanmelden of niet zijn komen opdagen ondanks uitnodigingen. Doordat deze leerlingen beter in beeld zijn gebleven kregen ouders/verzorgers en leerlingen de ondersteuning die nodig was om na de zomervakantie te starten met een vervolgopleiding. Door alle overstappen te monitoren leren we bovendien iets over risicoprofielen. Daar kunnen we ons voordeel mee doen.” Voor nu staat op de agenda om aan de slag te gaan met de aanbevelingen uit de evaluatie. We gaan bestaande processen beschrijven, vastleggen en in de organisaties borgen. Begin 2016 staan de eerste voortzettingsbijeenkomsten gepland. Ook start er komend jaar een pilot met het Digitale Doorstroom Dossier (DDD). Het DDD vervangt voor een deel het huidige inlichtingenformulier vo-mbo.
Ans Pennartz: ‘We zijn een soort mobiele helpdesk’
Over de grenzen
Bovendien gaat Intergrip de grens over van de RMC-regio 39 (Zuid-Limburg). Pennartz gaat helpen met de implementatie in RMC38 Midden- en Noord-Limburg. “De lessen die wij geleerd hebben, neem ik vanzelfsprekend mee.” Intergrip wordt momenteel in bijna alle delen van Nederland gebruikt. “Dat is alleen maar goed, want ook overstapleerlingen die buiten Limburg gaan studeren brengen we via Intergrip in beeld.” Voor Annie Steegs eindigt het project in 2016. Op 1 februari gaat ze na vijenveertig jaar met veel enthousiasme in het onderwijs te hebben gewerkt met pensioen. “Dat doe ik met een goed gevoel. Ik heb altijd de doorstroom van leerlingen van vo naar mbo willen verbeteren en ben er trots op dat ik een bijdrage heb kunnen leveren aan de samenwerking die hiervoor nodig is.”
Definitieve vsv-cijfers 2012-2013 en voorlopige cijfers 2013-2014
Onlangs publiceerde het ministerie van O.C. en W. de nieuwe vsv-cijfers van 2013-2014. De definitieve cijfers worden in november a.s. beschikbaar gesteld.
Landelijk is er een verdere afname van de cijfers. In het overzicht treft men de defintieve cijfers van het schooljaar 2012-2013 en de voorlopige cijfers van het schooljaar 2013-2014.
Op de website van het ministerie “Aanval op de schooluitval” vindt men de vsv-verkenner. Dit instrument herbergt alle mogelijke gegevens op het gebied van vsv. Zo kan men de vsv-cijfers per school, per gemeente en per regio selecteren.
Scholen en gemeenten kunnen deze gegevens goed gebruiken om eventueel het beleid m.b.t. voortijdige schooluitval nog verder aan te passen.
“Eigenlijk doen we niets nieuws in Maastricht en de Westelijke Mijnstreek”, stelt Guido Willems. “We maken gebruik van bestaande structuren, overleggen en oplossingen. De innovatie zit in de samenwerking.” De entreeopleidingen zijn per 1 augustus 2014 een feit.
“Overleggen, samenwerkingen en aanpakken die werken, plakken we aan elkaar”, vervolgt Willems. Hij houdt zich als innovatieleider ‘Leren & Werken naar vermogen’ via Stichting Alterius bezig met het herinrichten van de regionale onderwijsstructuur. “Daarbij staat de jongere centraal.” Het doel is dat leerlingen die uitvallen weer naar een opleiding of naar werk worden geleid. “Daarbij zijn diverse organisaties betrokken. Wat we niet willen is dat wanneer de verantwoordelijkheden bij één organisatie zijn uitgeput, ze de leerling oneerbiedig gezegd ‘over de schutting gooien’. Nee, we overleggen juist met elkaar om te kijken waar we elkaar kunnen aanvullen en hoe ieder voor zich de deelnemer kan helpen. De overdracht is op deze manier altijd warm, er gaat geen informatie verloren.”
Bestaande structuur
Volgens de projectleider zitten Parkstad en de Westelijke Mijnstreek op de rit. “We hebben de entreeopleidingen gepast binnen het bestaande samenwerkingsverband vo. Daarbij hebben we gemeente en mbo informeel uitgenodigd om mee te praten over deze doelgroep. Zij sluiten aan wanneer we het over de doelgroep hebben. Op die manier maken we efficiënt gebruik van de bestaande overlegstructuur.”
VOORdeel
Het VOORdeel [http://www.vsvlimburg.nl/post/89300960830/van-afstrepen-naar-talent-ontwikkelen]is de concrete uitvoering van het beleid en het voorste stuk van de entreeopleiding. Willems: “Dit dagprogramma kijkt naar wat deelnemers wél kunnen. Het gunt ze de tijd om uit te zoeken waar hun talenten liggen. Wat is haalbaar? Vervolgens wordt de leerling naar een opleiding of naar werk toe geleid. Maar de insteek is altijd positief: je rekent de deelnemer niet af op de hiaten. Voor zover dat mogelijk is, proberen we een leerling altijd richting een diploma te leiden. Maar dat is geen doel op zich. Het doel is dat de leerling zijn of haar talenten ontdekt en een plek vindt in de maatschappij.”
‘Ik zie stromen leerlingen en geld op gang komen’
Meer samenwerking
Willems kijkt positief terug op het eerste half jaar. “We hebben ups en downs gehad, maar ik wil vooral een compliment maken naar de partners. Voor scholen is het bijvoorbeeld wennen om zaken op een andere manier aan te pakken dan hoe het binnen de school gewend is. Maar het is noodzakelijk, mede vanwege de bekostigingsstructuur. Het heeft tijd nodig, maar ik zie dat het werkt. Er komen stromen leerlingen en stromen geld op gang. Daarbij moet het soms net iets anders dan in de regels staat vastgelegd. Dat is niet erg, als je het goed kunt uitleggen. En bij geldtekort kun je misschien een collega-instantie aanschieten die wel over middelen beschikt. Het vraagt meer samenwerking. Mooi voorbeeld hiervan zijn de zeventig leer-werkplekken die we bij SW-instantie MTB Maastricht hebben gecreëerd.”